ECLI:NL:RBZWB:2025:7573

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
C/02/438879 KG ZA 25-426
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a lid 3 sub a en d BWArt. 7:267 lid 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en exclusief gebruik woning bij geschil ouderschap en huurwoning

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een kort geding tussen twee voormalige partners die gezamenlijk het gezag hebben over hun minderjarige kinderen. De man vorderde een voorlopige zorgregeling en het exclusief gebruik van de gezamenlijke huurwoning. De vrouw vorderde eveneens exclusief gebruik van de woning en aanvullende hulpverlening.

De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang om een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen om het weekend van vrijdag tot zondag bij de man verblijven, gelijklopend met het contact met zijn andere dochter. Tevens werd een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming bevolen om de zorgregeling en hulpbehoefte nader te onderzoeken.

Ten aanzien van het gebruik van de woning werd een belangenafweging gemaakt. Gezien de zorgverantwoordelijkheid van de vrouw en het belang van de kinderen om in hun woning te blijven, kreeg de vrouw het exclusieve gebruik toegewezen, met uitzondering van de weekenden dat de kinderen bij de man verblijven. De man kreeg het recht tot gebruik van de woning tijdens die weekenden. De kosten van het geding werden gecompenseerd en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Voorlopige zorgregeling vastgesteld en exclusief gebruik woning toegekend aan moeder met uitzondering van weekenden dat kinderen bij vader verblijven.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/438879 / KG ZA 25-426
Vonnis in kort geding van 1 oktober 2025
in de zaak van
[naam 1] ,handelend onder de naam
[handelsnaam 1]en
[handelsnaam 2], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[de man](hierna: de man),
gevestigd te [plaats 1] ,
verder te noemen: bewindvoerder,
advocaat: mr. B. Krijnen,
tegen
[naam 1] ,handelend onder de naam
[handelsnaam 1]en
[handelsnaam 2], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[de vrouw](hierna: de vrouw),
gevestigd te [plaats 1] ,
verder te noemen: bewindvoerder,
advocaat: mr. F.H.J. De Graaf.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 8.
1.2.
De zitting is gehouden op 15 september 2025. Daarbij zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. Van Reeven-Özer (als waarneemster voor mr. Krijnen) de vrouw, bijgestaan door mr. Mc. Keown (als waarneemster voor mr. De Graaf) en de bewindvoerder.

2.De feiten

2.1.
Tussen partijen staat het volgende vast:
- de man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad;
- uit deze relatie zijn de volgende, nu minderjarige, kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022;
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2024;
De man heeft de kinderen erkend en de man en de vrouw zijn gezamenlijk belast met het gezag over hen.
3. Het geschil
3.1.
De man vordert, uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat als voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen zal gelden een regeling waarbij zij de ene week vanaf vrijdag 17:00 uur tot dinsdag 16:00 uur bij de man verblijven en de andere week op dinsdag vanaf 9:00 uur tot 16:00 uur, waarbij de vrouw de kinderen bij de man brengt en de man de kinderen weer terugbrengt bij de vrouw;
- te bepalen dat de man met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke huurwoning gelegen aan [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning), alsmede tot het gebruik van de daartoe behorende inboedel met het bevel dat de vrouw de woning dient te verlaten en verder niet mag betreden totdat verder in de bodemprocedure is beslist.
3.2.
De vrouw vordert, uitvoerbaar bij voorraad:
- de man te veroordelen om per datum van dit vonnis, althans binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, de woning, onder afgifte van alle sleutels aan de vrouw, te verlaten en verlaten te houden alsmede de zich daarin bevindende inboedel ter vrije beschikking aan de vrouw te stellen en de woning zonder uitdrukkelijke toestemming van de vrouw niet meer te betreden, op straffe van een dwangsom van € 500,= voor elke dag dat de man niet voldoet aan bovenstaande, dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen ordemaatregel te treffen die ertoe leidt dat de vrouw en de kinderen ongestoord gebruik kunnen maken van de woning;
- te bepalen dat de man en de vrouw middels het Uniform Hulp Aanbod worden verwezen naar de hulpverlening, te weten begeleide omgang in combinatie met een andere vorm van hulpverlening of een BOR-traject, dan wel een vergelijkbare hulpverlenende instantie, met als doel te werken aan de samenwerking/onderlinge communicatie tussen de man en de vrouw. Als de man niet open staat voor een verwijzing naar de hulpverlening, het procesdossier in handen van de Raad voor de Kinderbescherming te stellen, met het verzoek een onderzoek te gelasten en advies uit te brengen naar welke zorgregeling het meest in het belang is van de kinderen. Indien de voorzieningenrechter meent dat contact tussen de man en de kinderen in het belang van de kinderen is: een begeleide zorgregeling vast te stellen, dan wel een zodanige zorgregeling vast te stellen als de voorzieningenrechter juist en redelijk in het belang van de kinderen acht;
- de man te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten.

4.De beoordeling

4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van partijen, zal de voorzieningenrechter de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk bespreken per onderwerp.
Zorgregeling en een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming
4.2.
De man legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. De vrouw staat het de man niet toe om voor de kinderen te zorgen. Zij brengt de kinderen naar haar familie als zij zelf niet voor de kinderen kan zorgen. De man merkt dat de kinderen uitgeput raken van het feit dat zij steeds vroeg uit bed worden gehaald, mee worden genomen en pas laat thuis komen, terwijl de man gewoon thuis is om voor hen te zorgen. De door de man gevorderde regeling loopt gelijk met de regeling die hij heeft met zijn oudste dochter, maar is wel wat uitgebreider. De man heeft een spoedeisend belang bij deze vordering; het is namelijk belangrijk dat de man en de kinderen op structurele basis contact blijven houden. Er zijn wat de man betreft ook geen contra-indicaties voor deze contacten. Op de zitting is verder toegelicht dat het de man en de vrouw niet lukt om de kinderen buiten de spanningen tussen hen te houden. Volgens de man is er hulpverlening nodig, dit geeft hij al jaren aan, maar de vrouw wil dit niet. Volgens de man is een raadsonderzoek nodig om zicht te krijgen op de mogelijkheden van de man en de vrouw en welke hulpverlening nodig is.
4.3.
De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. De man en de vrouw hebben tot op heden geen afspraken gemaakt over de kinderen, want zij wonen nog samen in de woning. Ook staat niet vast dat zij geen afspraken kunnen maken. Op geen enkele manier is gebleken dat de vrouw de intentie heeft om het contact in de weg te staan op het moment dat de man niet meer in de woning verblijft. De vrouw acht dit contact zelfs in het belang van de kinderen. Niet valt in te zien waarom een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
Subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat de gevorderde zorgregeling in de weg staat aan de ontzeggingsgronden zoals opgenomen in artikel 1:377a lid 3 sub a en d van het Burgerlijk Wetboek (BW). Er is sprake van diverse contra-indicaties aan de zijde van de man. De kinderen zijn erg jong en volledig afhankelijk van (de communicatie tussen) partijen. Dit maakt dat zij kwetsbaar zijn met als risico dat zij klem komen te zitten tussen de man en de vrouw. De man is verder onvoorspelbaar en instabiel. Ook vormt de verstoorde verstandhouding een blokkade voor een continue, gestructureerd, voorspelbaar en onbelast contact. Volgens de vrouw moet er hulpverlening worden ingezet, te weten begeleide omgang in combinatie met een andere vorm van hulpverlening waarbij wordt gewerkt aan de samenwerking/onderlinge communicatie tussen partijen. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij kan instemmen met contact tussen de man en de kinderen om de week van vrijdag tot zondag, in hetzelfde weekend dat de man ook contact heeft met zijn andere dochter.
4.4.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken op de zitting is gebleken dat het de man en de vrouw niet lukt om afspraken te maken over wanneer de kinderen bij welke ouder verblijven. Het is naar het oordeel van de rechtbank in het belang van de kinderen dat zij met beide ouders op structurele basis contact hebben en dat voor hen duidelijk is wanneer zij bij wie zijn. Omdat de man en de vrouw het hier niet over eens kunnen worden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang om in kort geding een zorgregeling vast te stellen. De voorzieningenrechter gaat hiermee voorbij aan het primaire standpunt van de vrouw dat er geen spoedeisend belang is voor de vordering van de man. Op de zitting is gebleken dat, hoewel de vrouw in haar processtukken heeft aangegeven dat sprake is van ontzeggingsgronden die contact tussen de man en de kinderen in de weg staan, zij toch instemt met contact tussen de man en de kinderen. Ook de voorzieningenrechter ziet geen contra-indicaties voor contact tussen de man en de kinderen. Gelet daarop zal de voorzieningenrechter een zorgregeling bepalen inhoudende dat de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdag tot en met zondag bij de man verblijven, in het weekend waarin de andere dochter van de man ook bij hem verblijft. Het verzoek van de man zal in zoverre worden toegewezen.
4.5.
De voorzieningenrechter leidt verder uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken op de zitting af dat de communicatie tussen de man den vrouw niet goed loopt. Er is tussen hen veel spanning en de kinderen krijgen dit mee. Dat is niet in hun belang. Het lukt de man en de vrouw niet deze problemen zelf op te lossen; zij hebben daar hulpverlening bij nodig. Er zijn al verschillende hulpverleners betrokken bij de man en de vrouw: de heer [naam 2] (de casusregisseur jeugd van de gemeente [plaats 2] ), Veilig Thuis en [hulpverlening] . Het lukt, ondanks de betrokken hulpverleners, echter niet om de juiste hulpverlening voor de man, de vrouw en hun kinderen tot stand te brengen om tot een constructieve oudercommunicatie te komen en een stabiele en veilige thuissituatie voor de kinderen te realiseren. De man en de vrouw beschuldigen elkaar over en weer dat de ander niet meewerkt aan hulpverlening en dat het niet aan hen zelf ligt. Op de zitting is gelet op het voorgaande gesproken over een doorverwijzing naar een hulpverleningstraject via het Uniform Hulp Aanbod, maar de voorzieningenrechter vreest dat dit hulpverleningstraject op dit moment niet zal slagen. Eerst zal in kaart moeten worden gebracht wat de man en de vrouw, en vooral ook de kinderen, nodig hebben aan afspraken, hulpverlening en (opvoed)ondersteuning. Daarom verzoekt de voorzieningenrechter de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), locatie Breda , om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
- welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- zijn er contra-indicaties voor contact en zo ja, welke?
- in hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- welke hulpverlening is nodig om een stabiele opvoedsituatie voor de minderjarigen te realiseren?
De man heeft aangegeven dat hij een bodemzaak zal starten waarin de beslissing over het hoofdverblijf en de zorgregeling aan de rechtbank zal worden voorgelegd. In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van die bodemzaak worden aangehouden. De voorzieningenrechter verzoekt de man bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van het onderzoek door de Raad, met vermelding van het zaaknummer van dit kort geding. De Raad kan vervolgens in die bodemzaak de rapportage indienen. In afwachting van het raadsonderzoek is aan de man en de vrouw op de zitting meegegeven dat zij contact op moeten nemen met dhr. [naam 2] van de gemeente Dongen voor begeleiding en ondersteuning bij het uitvoeren van de hiervoor vastgestelde zorgregeling. Het meer of anders gevorderde wat betreft de zorgregeling en het UHA zal worden afgewezen.
Uitsluitend gebruik van de woning
4.6.
De man legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. De situatie waarbij de man en de vrouw samen in de woning verblijven is onhoudbaar geworden. Zij kunnen niet met elkaar overleggen. De man voelt zich onveilig en de sfeer in huis is gespannen. De kinderen zijn hier getuige van. Hij heeft de vrouw verzocht de woning te verlaten, maar zij heeft aangegeven dit niet te zullen doen en zelf ook in de woning te willen blijven. De man stelt dat hij meer belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de woning. De man en de vrouw hebben twee kinderen en de man heeft ook nog een kind uit een eerdere relatie. Zij verblijft een weekend per 14 dagen bij de man en ook de helft van de vakanties. Hij wil voor de kinderen kunnen zorgen en als hij niet in de woning kan blijven is dit niet mogelijk. Hij heeft namelijk geen plek waar hij naartoe kan, in tegenstelling tot de vrouw. Zij kan terecht bij haar moeder of een vriendin, waar ook een slaapplek is voor de kinderen. Ook heeft de vrouw een auto en rijbewijs, en is daardoor niet gebonden aan [plaats 2] . De man heeft geen rijbewijs of auto en ook geen contact met familie of vrienden en is dus wel gebonden aan [plaats 2] . De man heeft verder een spoedeisend belang bij deze vordering. Er hebben namelijk al meerdere incidenten plaatsgevonden en de man is bang dat de situatie opnieuw gaat escaleren als de man en de vrouw samen in de woning blijven. Het is ook in het belang van de kinderen dat het weer rustig wordt in huis. Op de zitting heeft de man verder aangevoerd dat aan de huurovereenkomst de voorwaarde is verbonden dat de man en de vrouw een hulpverleningstraject aangaan. Daarvoor is door beide partijen een begeleidingsovereenkomst ondertekend. De zorgovereenkomst met de betrokken hulpverlener van [hulpverlening] is echter enkel door de man ondertekend en ook alleen de man ontvangt hulpverlening. Het risico is aanzienlijk dat de man en de vrouw de woning verliezen als hij niet in de woning blijft wonen omdat dan niet wordt voldaan aan die voorwaarde uit de huurovereenkomst.
4.7.
De vrouw voert aan dat volgens haar niet de man, maar zij in de woning moet blijven wonen. Bij een belangenafweging wordt een groot gewicht toegekend aan de belangen van de kinderen. De vrouw heeft al jaren de volledige zorg over de kinderen. De rol van de man bij de opvoeding en verzorging van de kinderen is zeer beperkt van aard geweest de afgelopen jaren. Verder is de vrouw ook al jaren financieel verantwoordelijk voor de kinderen. Daar komt bij dat het juist aan de man te wijten is dat de kinderen momenteel geen rustige en stabiele thuissituatie hebben. De man heeft de vrouw de afgelopen periode meermaals uitgescholden en bedreigd en fysiek de confrontatie opgezocht. De vrouw heeft geen alternatieve woonruimte beschikbaar voor de lange termijn voor haar en de kinderen. Haar beperkte financiële draagkracht maakt verder dat het vinden van alternatieve woonruimte op de huidige woningmarkt voor haar en de kinderen op korte termijn ook niet in de lijn der verwachting ligt. Op de zitting is door de vrouw aangevoerd dat zij bereid is om zich tot een hulpverlener te wenden en in dat kader een zorgovereenkomst zal tekenen. Zij kan de huurovereenkomst dan ook voortzetten.
4.8.
Een vordering strekkende tot toekenning van het exclusieve huurrecht van de gezamenlijk gehuurde woning, waarbij de andere huurder de woning dus moet verlaten, kan in geval van contractuele medehuurders die ook samenwoners zijn – zoals in dit geval – worden gegrond op artikel 7:267 lid 7 BW Pro. Deze bepaling ziet weliswaar op samenwoners waarvan de niet-contractuele huurder op grond van voormeld artikel medehuurder is geworden, maar kan naar analogie worden toegepast wanneer contractuele medehuurders een geschil hebben over wie van hen het gehuurde moet verlaten en wie daarin mag blijven. Deze zaak spitst zich toe op de vraag wie van partijen het meeste belang heeft bij voortzetting van het huurgenot van de huurwoning in afwachting van een definitieve oplossing dan wel in afwachting van een aanhangig te maken bodemprocedure. Dit betekent dat een belangenafweging moet worden gemaakt. De voorzieningenrechter begrijpt dat de vrouw, net als de man, vraagt om het uitsluitend gebruik van de woning tot in de, nog aanhangig te maken, bodemzaak, een definitieve beslissing wordt genomen over het huurrecht van de woning.
4.9.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken op de zitting is gebleken dat de situatie waarbij de man en de vrouw samen in de woning verblijven onhoudbaar is gelet op de spanningen tussen hen. Het lukt de man en de vrouw niet om samen afspraken te maken over het gebruik van de woning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betekent dit en het feit dat de kinderen van partijen last hebben van de huidige situatie dat sprake is van een spoedeisend belang bij een beslissing over het gebruik van de woning. Het komt hierbij aan op een belangenafweging. De voorzieningenrechter acht hierbij van groot belang dat de kinderen in de woning kunnen blijven zodat er in hun woonsituatie zo min mogelijk verandert. Omdat de vrouw hoofdzakelijk de zorg draagt voor de kinderen acht de voorzieningenrechter haar belang bij het uitsluitend gebruik van de woning groter dan het belang van de man bij het voorlopig gebruik van de woning. De vordering van de vrouw zal daarom worden toegewezen, met uitzondering van de weekenden waarin de man de zorg draagt voor de kinderen. De man heeft aangegeven geen alternatieve woonruimte te hebben waar hij de kinderen van partijen en zijn dochter uit een eerdere relatie kan ontvangen. De voorzieningenrechter acht het echter wel van belang dat uitvoering wordt gegeven aan de hiervoor bepaalde zorgregeling op een manier die het meest in het belang van de kinderen is. Daarom zal de voorzieningenrechter bepalen dat de man gedurende de weekenden dat hij de zorg heeft voor de kinderen, met uitsluiting van de vrouw, gerechtigd is tot het gebruik van de woning. Ook zijn vordering zal dus in zoverre worden toegewezen. Omdat deze voorziening ziet op een tijdelijk gebruik van de woning is het van belang dat een bodemzaak aanhangig wordt gemaakt waarin een beslissing over het huurrecht aan de kantonrechter wordt voorgelegd. Deze bodemzaak moet binnen twee maanden na de datum van dit vonnis aanhangig zijn gemaakt. Als dit niet het geval is, dan vervalt de in dit vonnis gegeven voorziening.
Op de mondelinge behandeling is verder uitgebreid gesproken over de aan de huurovereenkomst verbonden zorgovereenkomst en de vraag of de huurovereenkomst kan worden voortgezet door de vrouw terwijl zij geen overeenkomst met een zorgverlenende instantie heeft ondertekend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet dit er in het kader van deze procedure niet toe. Het gaat hier immers niet om een definitieve beslissing over het huurrecht van de woning, maar over de vraag wie
tijdelijkgebruik mag maken van de woning. In het kader van de bodemprocedure kan dit mogelijk wel een rol spelen.
4.10.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een dwangsom te verbinden aan de gegeven voorziening, zoals door de vrouw gevorderd. Nergens blijkt namelijk uit dat de man de beslissing van de voorzieningenrechter niet zal nakomen. Er is dus geen noodzaak voor het opleggen van een dwangsom.
Proceskosten
4.11.
De vrouw vordert de man te veroordelen in de kosten van deze procedure. De voorzieningenrechter overweegt dat het gebruikelijk is om bij juridische geschillen tussen ex-partners de proceskosten te compenseren, omdat een zaak als deze met vele persoonlijke en interrelationele moeilijkheden gepaard gaat. De voorzieningenrechter ziet in deze zaak geen reden hiervan af te wijken en zal de vordering van de vrouw afwijzen en de proceskosten tussen partijen compenseren.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2024,
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdag tot en met zondag, in het weekend dat de dochter van de man uit een eerdere relatie ook bij hem verblijft;
5.2.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda , een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven onder 4.5. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, en bepaalt dat het hierover door de Raad op te maken rapport bij de rechtbank moet worden ingediend vóór
27 januari 2026ten behoeve van de nog aanhangig te maken bodemzaak;
5.3.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw, totdat in een binnen twee maanden na de datum van dit vonnis aanhangig te maken bodemzaak definitief is beslist over het huurrecht van de woning, bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan [adres] te [plaats 2] , met uitzondering van de weekenden dat voornoemde minderjarigen volgens voormelde zorgregeling bij de man verblijven, en beveelt de man de woning buiten genoemde periode te verlaten en deze verder niet te betreden;
5.4.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man, totdat in een binnen twee maanden na de datum van dit vonnis aanhangig te maken bodemzaak definitief is beslist over het huurrecht van de woning, bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan [adres] te [plaats 2] , gedurende de weekenden dat voornoemde minderjarigen volgens voormelde zorgregeling bij de man verblijven, en beveelt de vrouw de woning tijdens die weekenden te verlaten en niet verder te betreden;
5.5.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Meyboom, rechter, en in aanwezigheid van de griffier, mr. Reijerse, in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.