ECLI:NL:RBZWB:2025:7576

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
BRE 24/5816 V
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzetuitspraak ongegrond inzake niet-ontvankelijkheid beroep op Woo-verzoek

Op 5 november 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een verzetzaak van een opposant tegen een eerdere uitspraak van 7 juli 2025. In die eerdere uitspraak werd het beroep van de opposant niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het verzet op 24 september 2025 behandeld, waarbij de opposant aanwezig was, maar de staatssecretaris van Financiën niet. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de eerdere beslissing terecht was. De opposant had een beroep ingesteld omdat hij vond dat er niet tijdig was beslist op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank concludeert dat de staatssecretaris binnen de wettelijke termijn van twee weken na de ingebrekestelling had beslist, en dat het beroep van de opposant dus terecht niet-ontvankelijk was verklaard. De rechtbank legt uit dat er fouten zijn gemaakt in de interpretatie van de ingediende stukken door zowel de opposant als de staatssecretaris, maar dat dit niet leidt tot een gegrond verzet. De rechtbank oordeelt dat de opposant niet in zijn belangen is geschaad en dat het verzet ongegrond is. De uitspraak van 7 juli 2025 blijft dan ook in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5816 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 op het verzet van

[opposant], uit [plaats] , opposant [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 juli 2025 in het geding tussen
opposant
en

de Staatssecretaris van Financiën.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 7 juli 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft opposant deelgenomen. De staatssecretaris is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 7 juli 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant van 25 juli 2024 ging over het niet op tijd beslissen op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo-verzoek) dat zag op het voorkomen van zijn onderneming [onderneming 1] en [onderneming 2] .
De uitspraak van 7 juli 2025 [3]
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de staatssecretaris binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling van 6 augustus 2024 alsnog heeft beslist op 8 augustus 2024.

Heeft de staatssecretaris binnen twee weken beslist op het Woo-verzoek van opposant?

6. Opposant voert aan dat hij uit het besluit van 8 augustus 2024 in alle redelijkheid niet kon opmaken op welk Woo-verzoek de beslissing betrekking had. Er is immers sprake van twee ondernemingen en twee ingediende Woo-verzoeken (rechtbank: namens [onderneming 3] en namens [bedrijf] ). Dat het om [bedrijf] ging, kon opposant pas opmaken uit het verweerschrift van de staatssecretaris van 15 januari 2025, dat hij pas op 2 april 2025 heeft ontvangen. Volgens opposant heeft hij het beroep niet op tijd beslissen dan ook terecht ingesteld.
6.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat zowel door opposant als door de staatssecretaris fouten zijn gemaakt in de (interpretatie van de) toegestuurde stukken. Zo spreekt opposant in zijn beroepschrift van 25 juli 2024 over een Woo-verzoek van 21 mei 2024 (terwijl hij op deze datum geen Woo-verzoek met betrekking tot [onderneming 1] en [onderneming 2] heeft ingediend) en een herinnering op dit verzoek van 21 juni 2024. Opposant stuurt als bijlagen echter mee een Woo-verzoek van 10 juni 2024 en een herinnering van 10 juli 2024. In de – na indiening van het beroep verzonden – ingebrekestelling van 6 augustus 2024 verwijst opposant wederom naar die (foutieve) data zoals genoemd in zijn beroepschrift. Op 8 augustus 2024 volgt een besluit van de staatssecretaris. In dit besluit wordt niet vermeld op het Woo-verzoek van welke onderneming het betrekking heeft, maar wordt enkel verwezen naar een Woo-verzoek van 27 mei 2024 (ook dat blijkt echter een verkeerde datum te zijn, zoals hierna uiteen zal worden gezet).
6.2.
De rechtbank heeft de gang van zaken gereconstrueerd op basis van de gedingstukken en daaruit blijkt het navolgende:
6.2.1.
Op 27 mei 2024 heeft opposant een Woo-verzoek ingediend voor “
zijn onderneming” met betrekking tot de systemen [onderneming 1] en [onderneming 2] . Opposant heeft daarbij niet met zoveel woorden vermeld op welke onderneming hij doelt. Uit de bijgevoegde uittreksels uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK-uittreksels) in combinatie met de in- en uitschrijvingsdatum die opposant in zijn Woo-verzoek noemt, blijkt echter dat dit verzoek betrekking had op de onderneming [onderneming 3]. [4]
6.2.2.
Op 10 juni 2024 heeft opposant een nagenoeg identiek Woo-verzoek ingediend, met dien verstande dat uit de genoemde inschrijfdatum in combinatie met het betreffende KvK-uittreksel blijkt dat dit verzoek betrekking had op de onderneming [bedrijf] . [5]
6.2.3.
Op 6 augustus 2024 heeft opposant een ingebrekestelling verstuurd met als onderwerp “
WOO verzoek [onderneming 1] & [onderneming 2] vermelding [bedrijf]”.
6.2.4.
Op 8 augustus 2024 heeft de staatssecretaris het verzoek om informatie over de vraag of de onderneming van opposant geregistreerd stond in het systeem [onderneming 1] en [onderneming 2] afgewezen.
6.2.5.
Op 7 juli 2024 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de onderhavige zaak (beroep niet-ontvankelijk). In de parallel lopende zaak met zaaknummer 24/5815 heeft de rechtbank nog geen uitspraak gedaan.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris in zijn besluit van 8 augustus 2024 doelde op het Woo-verzoek inzake [bedrijf] . Hoewel daarbij wordt verwezen naar een verzoek van 27 mei 2024 (op welke datum een verzoek is ingediend inzake [onderneming 3]), heeft de staatssecretaris dus feitelijk beslist op het Woo-verzoek van 10 juni 2024. Dit blijkt uit de ingebrekestelling waarvan de staatssecretaris, tezamen met het besluit van 8 augustus 2024, een afschrift heeft bijgevoegd bij het verweerschrift van 15 januari 2025. De rechtbank heeft deze bijlagen op 20 juni 2025 ontvangen. Het betreft de hiervoor in 6.2.3 genoemde ingebrekestelling waarin expliciet [bedrijf] wordt vermeld, hetgeen bevestigt dat de staatssecretaris (teneinde gevolg te geven aan de ingebrekestelling) heeft beslist op het verzoek inzake [bedrijf] en toen dus (nog) niet heeft beslist op het verzoek inzake [onderneming 3].
6.4.
Aangezien de staatssecretaris aldus binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling heeft beslist op het Woo-verzoek dat ziet op het voorkomen van de onderneming [bedrijf] in het systeem [onderneming 1] en [onderneming 2] , heeft de rechtbank het beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat het wellicht voor opposant niet meteen duidelijk was op welke onderneming het besluit zag, maakt dit niet anders. Immers, opposant had al vóór dat besluit een beroep niet tijdig beslissen ingediend en in zoverre is het door hem ingestelde beroep dus niet het gevolg van onduidelijkheid over het besluit. Het verzet slaagt dan ook niet.
6.5.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat eigenlijk, nadat in de beroepsprocedure bekend was geworden dat er al een besluit was genomen, aan opposant had moeten worden gevraagd of zijn beroep mede betrekking had op het alsnog genomen besluit. Indien dat het geval was, had artikel 6:20, vierde lid, Awb moeten worden toegepast. Opposant is daardoor echter niet in zijn belangen geschaad, aangezien hij ter zitting heeft verklaard dat hij standaard bezwaar maakt tegen besluiten van de staatssecretaris en dat er thans een bezwaarprocedure loopt tegen het besluit van 8 augustus 2024, zodat daarmee hetzelfde is bereikt als wanneer de rechtbank de beslissing ten aanzien van het alsnog genomen besluit had verwezen naar de staatssecretaris voor de bezwaarprocedure.

Conclusie en gevolgen

7. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 7 juli 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 5 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.De rechtbank heeft op 20 juni 2025 een afschrift van dit verzoek (zonder bijlagen) ontvangen in de vorm van een bijlage bij het verweerschrift van de staatssecretaris van 15 januari 2025.
5.Een afschrift van dit verzoek (zonder bijlagen) zat als bijlage 15 bij het beroepschrift van opposant van 25 juli 2024. Als bijlage 20 was een KvK-uittreksel van [bedrijf] bijgevoegd.