Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een beroep van een melkveebedrijf tegen een door het college van burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning aan een vergunninghoudster voor de uitbreiding van een hotel en de nieuwbouw van een bedrijfswoning. Het beroep richt zich uitsluitend tegen het onderdeel van de vergunning dat betrekking heeft op de bedrijfswoning.
De rechtbank heeft het procesverloop en de feiten zorgvuldig onderzocht, waarbij onder meer notities van een architectenbureau, adviezen van een projectbureau en Koninklijke Horeca Nederland zijn betrokken. Het college heeft de vergunning verleend op grond van de Wabo, die nog van toepassing is vanwege de datum van de aanvraag. De bedrijfswoning is volgens het bestemmingsplan toegestaan binnen het bestemmingsvlak Horeca.
De rechtbank oordeelt dat de noodzaak van de bedrijfswoning voldoende aannemelijk is gemaakt, mede vanwege de verdrievoudiging van het aantal hotelkamers en de 24-uurs service. De bedrijfswoning valt niet onder de maximale oppervlakte voor bedrijfsbebouwing en mag binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd, ook zonder specifiek bouwvlak. De door eiseres aangevoerde bezwaren, waaronder de vermeende onvoldoende belangenafweging en mogelijke overschrijding van bebouwde oppervlakte, worden verworpen.
De rechtbank concludeert dat het college de vergunning terecht heeft verleend en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.