Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag van 6 september 2024 betreffende de Ziektewet. De rechtbank constateert dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden, ondanks een ingebrekestelling die op 24 december 2024 door het UWV is ontvangen.
Het UWV gaf aan dat de vertraging is veroorzaakt door een tekort aan verzekeringsartsen, waardoor het spreekuur niet tijdig kon worden ingepland. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om alsnog een besluit te nemen, gezien het belang van zorgvuldige besluitvorming.
Verder legt de rechtbank het UWV een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het besluit uitblijft. Omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds de ingebrekestelling, stelt de rechtbank de maximale dwangsom van €1.442,- vast.
De rechtbank veroordeelt het UWV tevens tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen binnen vier maanden een besluit te nemen.