Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar, waarin het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging van de gemachtigde.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat er geen aanwijzingen waren om te twijfelen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde. Zowel belanghebbende als de heffingsambtenaar vragen om vernietiging van de uitspraak op bezwaar en terugwijzing van de zaak.
De rechtbank verklaart het beroep kennelijk gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar en draagt de heffingsambtenaar op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €42,52 per zaak, omdat het om 16 samenhangende zaken gaat. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 7 november 2025.