ECLI:NL:RBZWB:2025:7651

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
C/02/440348 / JE RK 25-1754
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling van twee minderjarige kinderen wegens ontwikkelingsbedreiging en moederlijke problematiek

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 28 oktober 2025 een ondertoezichtstelling (OTS) uitgesproken voor twee minderjarige kinderen, geboren in 2023 en 2025, die bij hun moeder wonen. De kinderen zijn ernstig in hun ontwikkeling bedreigd door een onstabiele thuissituatie, meerdere verhuizingen en het recente overlijden van hun vader. De moeder kampt met emotie-regulatieproblemen en raakt regelmatig verzeild in conflicten, waardoor zij onvoldoende beschikbaar is voor haar kinderen.

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht een OTS voor de duur van één jaar, maar de kinderrechter beperkte deze tot zes maanden, onder aanhouding van het restant. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat er een vaste jeugdbeschermer betrokken wordt die de hulpverlening monitort en de moeder ondersteunt. De moeder stemt in met de OTS, maar wenst een kortere duur van zes maanden.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de maatregel direct kan ingaan. De zaak wordt aangehouden voor verdere beoordeling na zes maanden, waarbij een rapportage over de ontwikkelingen wordt verwacht. De kinderrechter benadrukt het belang van continuïteit in de opvoedsituatie en aandacht voor het verwerkingsproces rondom het overlijden van de vader.

Uitkomst: Onder toezichtstelling van de minderjarige kinderen voor zes maanden met aanhouding van het restant, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/440348 / JE RK 25-1754
Datum uitspraak: 28 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.J.V.H. Stoffels in Zevenbergen.
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: JBB.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: JbwZ.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 oktober 2025;
  • het op 15 oktober 2025 door de Raad ingediende rapport;
  • het op 27 oktober 2025 door mr. Stoffels ingediende stuk.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, (telefonisch) bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
  • twee vertegenwoordig(st)ers van JBB;
  • twee vertegenwoordigsters van JbwZ.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 29 juli 2025 van de kinderrechter te Breda zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, met ingang van 29 juli 2025 en tot 12 augustus 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.2.
Bij beschikking van 7 augustus 2025 van de kinderrechter te Breda zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, met ingang van 12 augustus 2025 en tot 29 oktober 2025.
2.3.
Door het overlijden van de vader op 9 augustus 2025 is de moeder vanaf deze datum alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek tot ondertoezichtstelling en verwijst voor de onderbouwing van dat verzoek naar de raadsrapportage.
Uit het onderzoek van de Raad zijn een aantal krachten naar voren gekomen. Zo is moeder welwillend om mee te werken aan hulpverlening, gaan de kinderen straks drie dagen naar de opvang en is gebleken dat het op dit moment, sinds de verhuizing naar [plaats] , goed met de kinderen gaat. Tijdens het onderzoek is de moeder open geweest richting de Raad en JBB. Ook is de moeder beschikbaar en bereikbaar geweest voor de gesprekken. Tegelijktijdig zijn er ook zorgen gezien tijdens het onderzoek, die maken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Zo is er voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al veel onrust geweest in hun jonge leven. Zij hebben veel ingrijpende gebeurtenissen in korte periode meegemaakt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in een korte periode viermaal verhuisd en daarnaast is hun vader op 9 augustus 2025 na een kort ziekbed overleden. De Raad heeft zorgen over het verwerkingsproces rondom het overlijden van de vader en over of het de moeder zal lukken om de vader blijvend een plek te geven in het leven van de kinderen. Rondom het overlijden van de vader zijn de spanningen tussen de moeder en familie vaderszijde dusdanig hoog opgelopen dat zij niet tot afspraken hebben kunnen komen over het afscheid tussen de kinderen en vader, ook niet met bemoeienis (en zodoende diverse voorstellen) vanuit JBB, Veilig Thuis en de politie. De Raad vindt het een grote zorg dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet in staat zijn gesteld afscheid te nemen van hun vader. Daarnaast wordt als een grote belemmering bij de moeder gezien dat als er emotionele of stressvolle gebeurtenissen zijn, dat zij wordt overgenomen door impulsen en uit boosheid reageert en dat het haar dan niet lukt om zich te laten aansturen door derden. Daardoor heeft de Raad zorgen over emotionele beschikbaarheid van de moeder voor de kinderen op dat moment. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben het beiden, zeker gezien de omstandigheden waarin zij tot nu toe opgroeien, nodig dat de moeder structureel emotioneel beschikbaar voor hen is. Zij zijn immers geheel afhankelijk van hun moeder, gezien hun nog zeer jonge leeftijd.
De Raad vindt het noodzakelijk dat er de komende tijd zicht komt op de moeder en haar mentale gezondheid, alsook hoe zich dit verhoudt tot haar zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het is belangrijk dat er bij de moeder onderzoek, diagnostiek en behandeling plaatsvindt, zodat haar mentale toestand concreet in kaart wordt gebracht. Ook vindt de Raad het nodig dat er niet enkel vanuit de kinderopvang, maar ook vanuit een ambulant professional aandacht komt voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Indien blijkt dat er zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt de Raad het noodzakelijk dat hier passende zorg voor wordt ingezet en dat de moeder handvatten en ondersteuning krijgt om hiermee om te gaan. Een ondertoezichtstelling is volgens de Raad nodig, omdat de moeder moeilijk begeleidbaar is. Ze lijkt zich welwillend op te stellen maar haar gedrag laat geregeld anders zien. De Raad heeft er daarom onvoldoende vertrouwen in dat het de moeder zal lukken om de lijn die tijdens de voorlopige ondertoezichtstelling is ingezet zelfstandig voort te zetten en de zorgen die er zijn zelfstandig weg te nemen. Voor de doelen verwijst de Raad naar pagina 30 van het rapport. In het rapport wordt ook benoemd dat hulpverlening voor de moeder zelf nodig is. Hoewel dit niet als doel kan worden opgelegd, staat de moeder daar wel voor open. De moeder heeft dit nodig. Ze heeft veel meemaakt in haar verleden. Daarnaast wil de Raad als doel nog toevoegen dat het voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen belangrijk is dat er bij de kinderen aandacht is voor het verwerkingsproces rondom het overlijden van de vader en dat de vader een blijvend plekje krijgt in de ontwikkeling van de kinderen.
De Raad vindt een ondertoezichtstelling voor de gevraagde duur van één jaar passend en ook daadwerkelijk nodig. Er is in een korte periode veel gebeurd en er is nog een lange weg te gaan is naar een stabiele, veilige basis voor de kinderen. Er zal sprake moeten zijn van een forse hulpinzet, terwijl die hulpverlening bovendien nog moet starten. Een half jaar, zoals door de moeder is verzocht, is te kort om vast te kunnen stellen of de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen (blijvend) is weggenomen.
4.2.
Door en namens de moeder is aangegeven dat zij instemt met een ondertoezichtstelling van de kinderen. Wel vraagt zij om de maatregel in duur te beperken tot zes maanden. Uit het rapport van de Raad blijkt, volgens de moeder terecht, een aantal zorgen. Er is sprake geweest van een turbulente periode, waarbij er tussen haar en de (inmiddels overleden) vader over en weer sprake is geweest van veel strijd waar de kinderen veel last van hebben gehad. Ook zijn er veel politie interventies geweest. Gelet op de aanwezige zorgen stemt de moeder dan ook in met een ondertoezichtstelling van de kinderen. Een ondertoezichtstelling is en blijft echter een ultimum remedium. Uit het rapport van de Raad blijkt dat er ook een aantal positieve elementen zijn. Van het huidige kinderdagverblijf worden positievere signalen ontvangen. Daarnaast gaat het goed met de moeder. Zij heeft werk, contacten en zich aangemeld bij de POH GGZ. De moeder staat open voor hulpverlening, luistert naar de adviezen en werkt mee. Daarnaast is de strijd tussen de ouders – de reden dat de Raad een onderzoek is gestart – met het overlijden van de vader volledig weggevallen. Om die redenen vraagt de moeder de ondertoezichtstelling uit te spreken voor zes maanden.
4.3.
JBB stemt in met het verzoek tot ondertoezichtstelling. Zij heeft naar voren gebracht dat er veel energie is ingestoken om de kinderen op een goede manier afscheid te laten nemen van hun vader. Ondanks alle inspanningen van de jeugdbeschermer is het vanwege alle spanningen tussen de moeder en de familie van de vader echter niet gelukt om dit afscheid te laten plaatsvinden. Het is belangrijk dat de vader een rol in het leven van de kinderen blijft houden en dat dit hoofdstuk niet zomaar wordt afgesloten. Hierin is een rol voor de moeder weggelegd. JBB staat achter de doelen van de ondertoezichtstelling die de Raad heeft geformuleerd, maar wil daarover nog wel opmerken dat de moeder iemand is die gemakkelijk in conflicten verzeild raakt en daarin vervolgens te ver gaat, zoals met het conflict met de familie van de vader en inmiddels ook met het conflict met haar moeder. JBB heeft tegenover de moeder haar zorgen hierover geuit en aangegeven dat de moeder daar hulp voor nodig heeft. De bereidheid bij de moeder om te proberen niet in spanningen te verzeild te raken is er, maar de vraag is of het de moeder altijd lukt om daar ook gehoor aan te geven. Het is goed dat er binnen de ondertoezichtstelling iemand komt die van bovenaf met de moeder mee kan kijken en haar kan helpen om genuanceerder met spanningen om te gaan en bemiddelingsgesprekken kan voeren om de verbroken, voor moeder steunende contacten te herstellen. Tot slot benadrukt JBB dat het belangrijk is dat er direct een vaste jeugdbeschermer bij het gezin betrokken raakt.
4.4.
JbwZ heeft aangegeven bereid te zijn om de ondertoezichtstelling uit te voeren. De zaak zal dan echter in eerste instantie worden opgepakt door het instroomteam. Wanneer de kinderrechter meent dat de zaak met hogere prioriteit moet worden opgepakt door een vaste jeugdbeschermer, dan zal dit worden meegenomen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan [1] . De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter ziet met de Raad een liefdevolle moeder die het graag goed wil doen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en die het op punten ook goed doet. Tegelijkertijd ziet de kinderrechter net als de Raad ook zorgen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in hun relatief korte leven al veel onrust, spanningen en instabiliteit in hun thuissituatie gehad. Daarbij hebben zij veel ingrijpende gebeurtenissen in korte periode meegemaakt, met als dieptepunt het recente overlijden van hun vader. Het is positief dat de moeder, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds kort, na een lange, onrustige en instabiele periode, een nieuwe basis lijken te hebben gevonden in Zeeland. Dit draagt mogelijk bij aan de rust en stabiliteit die het gezin nodig heeft. Dit betekent echter niet dat daarmee de zorgen die de Raad in zijn rapport heeft benoemd – en die de kinderrechter overneemt – zijn weggenomen. Het ontbreekt al maanden aan toereikend zicht op en hulp voor het gezin. Daarnaast speelt bij de moeder persoonlijke problematiek die bovendien vaak op de voorgrond staat. Zo zijn er zorgen over de emotie-regulatie van de moeder bij stress en spanning en raakt zij met enige regelmaat verzeild in conflicten, waarbij er zorgen zijn over de invloed hiervan op de beschikbaarheid van de moeder voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook vraagt het verwerkingsproces van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rondom het overlijden van hun vader nog veel aandacht. Dit alles maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderrechter stelt daarnaast vast dat de moeder vanwege haar eigen problematiek op dit moment niet of onvoldoende in staat zelfstandig de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. Er is een stevige regievoerder nodig die met de moeder mee gaat kijken, de noodzakelijke hulpverlening zal inzetten en monitoren en zo nodig de moeder zal bijsturen. De kinderrechter vindt een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom noodzakelijk.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van de problematiek en nu er sprake zal moeten zijn van een forse hulpinzet, een ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar in beginsel passend en noodzakelijk is. Toch zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling niet voor die termijn uitspreken. De reden daarvan is dat de kinderrechter het niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt dat de casus, zoals ter zitting door JbwZ is aangegeven, in eerste instantie bij een instroomteam zal worden belegd. Het is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van zwaarwegend belang dat de lijn die tijdens de voorlopige ondertoezichtstelling is ingezet en de zorg die daarbij door JBB is opgestart, door JbwZ wordt voortgezet en dat daarbij meteen, althans zo snel mogelijk, een vaste jeugdbeschermer wordt betrokken. Om dit te kunnen monitoren en een vinger aan de pols te kunnen houden, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden uitspreken, namelijk met ingang van 28 oktober 2025 en tot 28 april 2026. Het restant zal worden aangehouden.
5.4.
De kinderrechter neemt de door de Raad gestelde doelen van de ondertoezichtstelling over, met de aanvulling die de Raad ter zitting heeft benoemd. Dit leidt tot de volgende doelen waaraan in het kader van de ondertoezichtstelling in ieder geval moet worden gewerkt:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren continuïteit in hun opvoedsituatie.
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een moeder die sensitief, responsief en voorspelbaar beschikbaar voor hen is.
  • Er is zicht op de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hetgeen zij daar eventueel in nodig hebben.
  • Er is bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aandacht voor het verwerkingsproces rondom het overlijden van de vader en de vader krijgt een blijvende plek in de ontwikkeling van de kinderen.
5.5.
Het resterende deel van het verzoek zal in afwachting van de ontwikkelingen van de komende periode worden aangehouden tot de voortgezette zitting op
[datum] 2026 om [uur].
Uiterlijk één week voorafgaand aan de nadere mondelinge behandelingdient de Raad de kinderrechter en de belanghebbenden middels een briefrapport te voorzien van een update over de ontwikkelingen van de dan afgelopen periode, waarbij de Raad ook aangeeft wat dit betekent voor het resterende deel van het verzoek.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 28 oktober 2025 en tot 28 april 2026;
6.2.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van
[datum] 2026 om [uur], bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in het gerechtsgebouw aan Kousteensedijk 2 te Middelburg, ten overstaan van de kinderrechter, mr. Duinhof, voor de duur van 45 minuten;
6.4.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor die zitting voor de Raad, de moeder en haar advocaat en JbwZ;
6.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier, en op schrift gesteld op 4 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 Burgerlijk Pro Wetboek