ECLI:NL:RBZWB:2025:7663

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 oktober 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
C/02/437830 / JE RK 25-1321
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:259 BWArt. 1:265d lid 4 BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervanging gecertificeerde instelling en intrekking machtiging uithuisplaatsing minderjarige

In deze zaak staat het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot vervanging door een andere GI centraal, naast het resterende verzoek van de moeder om intrekking van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind. De moeder is belast met het ouderlijk gezag en de minderjarige verblijft momenteel bij haar, hoewel er een machtiging tot uithuisplaatsing was.

De GI heeft aangegeven dat het niet is gelukt om de benodigde hulp binnen het gezin te organiseren vanwege wachtlijsten en twijfels over de leerbaarheid van de moeder. De GI acht de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (WSSJ&J) beter passend voor de casus en verzoekt om vervanging. De moeder verzet zich tegen vervanging omwille van stabiliteit en gewenning.

De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming adviseren de kinderrechter om het verzoek tot vervanging toe te wijzen, met het oog op een warme overdracht en betere aansluiting bij de behoeften van moeder en kind. De kinderrechter oordeelt dat een overdracht passend is en wijst het verzoek toe met ingang van uiterlijk 14 januari 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt tijdelijk ingetrokken tot 15 januari 2026, waarbij de huidige situatie gehandhaafd blijft. Een nadere zitting wordt gepland om de situatie verder te bespreken.

Uitkomst: Verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling toegewezen en machtiging tot uithuisplaatsing tijdelijk ingetrokken tot 15 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummers: C/02/437830 / JE RK 25-1321
datum uitspraak: 17 oktober 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over de vervanging van de gecertificeerde instelling en de intrekking van de machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.A.G. van Acker te Sint Jansteen.
mr. [de bijzondere curator],
in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige] ,
advocaat te [plaats] .
Als informant is in de procedure gehoord:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de WSSJ&J,
gevestigd te Amsterdam.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de kinderrechter over de verzoeken geadviseerd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de tussenbeschikking van 20 augustus 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de herstelbeschikking van 25 september 2025;
  • de brief d.d. 10 oktober 2025 van de GI, met aanvullende stukken.
1.2.
De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2025. Bij die zitting waren aanwezig:
  • de advocaat van de moeder;
  • de bijzondere curator;
  • twee vertegenwoordig(st)ers van de GI;
  • een vertegenwoordig(st)er van de WSSJ&J;
  • een vertegenwoordig(st)er van de Raad.
De moeder was wegens ziekte niet aanwezig.

2.De nadere feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van 12 maart 2025 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder laatstelijk verlengd met ingang van 22 maart 2025 en tot 22 maart 2026.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 20 augustus 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tijdelijk ingetrokken met ingang van 20 augustus 2025 tot 18 oktober 2025. Daarnaast heeft de kinderrechter [de bijzondere curator] tot bijzondere curator over [minderjarige] benoemd. Het verzoek tot vervanging van de GI alsmede het resterende deel van het zelfstandige verzoek van de moeder tot intrekking van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zijn aangehouden tot de voorgezette zitting op 17 oktober 2025.

3.De resterende verzoeken

3.1.
Aan de orde is nog het verzoek van de GI om haar, als gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ook is nog aan de orde het resterende deel van het zelfstandig verzoek van de moeder om voorlopig te bepalen dat [minderjarige] dag en nacht bij haar verblijft (intrekking van de machtiging tot uithuisplaatsing).

4.De (nadere) standpunten

4.1.
De GI heeft het verzoek tot vervanging van de GI gehandhaafd. Het is nog niet gelukt om bij de moeder IPT in te zetten. Er is sprake van wachtlijsten en daarnaast geven zorgaanbieders aan, vanwege twijfels over de leerbaarheid van de moeder, geen meerwaarde te zien in of, vanwege het intelligentieniveau van het gezin, niet de expertise in huis te hebben om de casus op te pakken. De GI heeft gisteren nog contact gehad met [hulpverlening 1] , maar ook zij zien een beperkte leerbaarheid bij de moeder. Wanneer voor [hulpverlening 1] zou worden gekozen, moet er een opvoedbesluit worden genomen. Alleen [hulpverlening 2] zou de casus meteen opnieuw kunnen oppakken. Hoewel eerder is afgesproken om IPT vanuit een andere organisatie dan [hulpverlening 2] in te zetten, verzoekt de GI om deze afspraak te heroverwegen aangezien het in de afgelopen periode niet is gelukt om een andere aanbieder te vinden die kan starten binnen het gezin en er ook geen zicht is dat er op korte termijn een andere aanbieder kan starten. IPT is nodig omdat het wisselend bij de moeder thuis gaat. Daarnaast is het diagnostisch onderzoek van [minderjarige] nog niet afgerond. [minderjarige] is niet gemotiveerd om naar de afspraken te gaan. Er resteren nog drie afspraken en dan is het onderzoek afgerond. De GI ziet op dit moment nog niet meteen aanleiding om PMT opnieuw in te zetten, zeker niet zolang het onderzoek nog niet is afgerond. De inzet van een buddy verloopt wisselend. De buddy ziet dat [minderjarige] veel is afgegleden. Bij de start zijn afspraken gemaakt, maar aan beide kanten worden afspraken niet nagekomen. Ook de samenwerking tussen moeder en de buddy is lastig in verband met geen vertrouwen in de ander. [minderjarige] is inmiddels gewisseld van school, maar dit is nog maar recent. Omdat in de afgelopen periode geen IPT is ingezet, is het richting de moeder niet eerlijk om nu te zeggen dat zij niet aan de verwachtingen heeft voldaan. Het is nu nog te vroeg om een definitief besluit te nemen. De GI stelt dan ook voor om de huidige situatie waarin [minderjarige] bij de moeder woont voorlopig nog te handhaven. De samenwerking tussen de jeugdbeschermer en de moeder is wisselend verlopen. Het ene moment was er sprake van een prettige samenwerking en het ander moment veranderde dit in verbale uitingen richting de jeugdbeschermer. De GI blijft van mening dat zij niet de aangewezen GI voor dit gezin is. De uitvoering van de maatregel hoort al vanaf het begin bij de WSSJ&R thuis. Daarnaast kan IPT starten en is het nu een goed moment voor een overdracht van GI. De GI is bereid tot overleg en tot meedenken. Een overgangsperiode is daarbij belangrijk.
4.2.
Namens de moeder is aangegeven dat zij graag ziet dat de huidige situatie voor langere periode wordt gehandhaafd. Er moet voor langere periode blijken of de huidige situatie, waarin [minderjarige] bij haar woont, werkt. Met [minderjarige] gaat het steeds beter. Hij gaat weer naar school, heeft structuur en wil graag hele dagen naar school, het liefst in een gewone klas. Dit laatste verzoek wordt bij de school van [minderjarige] neergelegd. Daarnaast heeft [minderjarige] gesolliciteerd bij de [supermarkt] . Daar start hij volgende week. De stagebegeleider van [minderjarige] gaat nog met de leerplichtambtenaar kijken of [minderjarige] tijdens de stage bij de [supermarkt] kan werken. De moeder heeft nog wel zorgen over de buddy. [minderjarige] kan er goed mee overweg, maar het is een bijzonder persoon. De buddy weigert overleg en bemoeit zich met de opvoeding. Ook maakt de moeder zich zorgen over uitspraken van de buddy richting [minderjarige] , zoals dat hij naar een andere klas zou moeten en niet meer thuis kan wonen. Er is altijd sprake geweest van twee buddy’s, maar dat is nu niet het geval. Met de buddy kunnen geen afspraken gemaakt worden. Het is ook niet de bedoeling dat de moeder opdraait voor de extra kosten. De moeder vindt het ook belangrijk dat het diagnostisch onderzoek van [minderjarige] wordt afgerond. De reden dat [minderjarige] niet meer naar de afspraken gaat, is dat er in de gesprekken is gesproken over contactherstel tussen [minderjarige] en zijn vader. [minderjarige] heeft nare ervaring met zijn vader.
Hoewel de moeder zelf graag ziet dat wordt gewisseld van jeugdbeschermer, wordt door de advocaat van de moeder benadrukt dat nu stabiliteit belangrijk is. De GI doet hard zijn best om de situatie te laten slagen. Ook wordt al lang gesproken over een wisseling van GI. Namens de moeder wordt echter nu nadrukkelijk gevraagd om niet van GI te wisselen en dat verzoek dus af te wijzen. Er komt inmiddels gewenning en rust en de moeder begint de GI te accepteren. Daarnaast is er in de afgelopen periode hard gewerkt om alles op poten te zetten. Met een nieuwe GI ontstaat er opnieuw vertraging en onrust. Ook zal de moeder met een (warme) overdracht opnieuw overvraagd worden. Stabiliteit is de komende tijd belangrijk. Indien het verzoek tot vervanging van de GI niet meteen wordt afgewezen, dan wordt namens de moeder verzocht om de beslissing op dat verzoek ook aan te houden totdat de situatie meer gestabiliseerd is.
4.3.
Door de bijzondere curator is naar voren gebracht dat hij ter zitting informatie heeft gehoord waar hij niet van op de hoogte was. De bijzondere curator heeft met zowel de moeder als met [minderjarige] gesproken. [minderjarige] heeft aangegeven dat hij veel aan zijn buddy heeft en dat hij het liefst meer contact met hem heeft. De moeder vindt dat de buddy de kantjes er vanaf loopt. Het is niet de bedoeling dat de buddy een vriend van [minderjarige] wordt. [minderjarige] heeft ook aangegeven dat hij eerder goed contact had met [naam] (PMT). De bijzondere curator heeft echter besloten om eerst de zitting af te wachten, voordat hij contact met hem opneemt om te zien hoe hij erin staat. [minderjarige] hoopt dat hij bij zijn moeder kan blijven wonen. Bekeken moet worden of dat een blijvende mogelijkheid is.
De bijzondere curator heeft ook met [minderjarige] en de moeder gesproken over het verzoek tot vervanging van de GI. De bijzondere curator ziet een jongen en een moeder die allebei graag willen, maar hulp nodig hebben. Er is in het verleden veel gebeurd. Ter zitting is gebleken dat het vertrouwen van de moeder in de GI aan het groeien is. Er is nu sprake van een vorm van rust. Tegelijkertijd is er iemand nodig die beter bij de moeder en [minderjarige] kan aansluiten. Er is volgens de bijzondere curator wat voor te zeggen om de casus nu over te dragen aan een andere GI, maar ook juist omdat niet te doen. Als er een overdracht moet plaatsvinden, is een warme overdracht belangrijk. Dat zou niet alleen een overdrachtsgesprek moeten inhouden, maar meer dan dat. Er zal in een bepaalde periode moeten worden samengewerkt tussen de beide GI’s. Als daar sprake van is, refereert de bijzondere curator zich aan het oordeel van de kinderrechter.
4.4.
De WSSJ&J heeft aangegeven dat voortzetting van de huidige situatie het beste lijkt te zijn. Wellicht moet er een andere jeugdbeschermer worden aangesteld. Als uiteindelijk blijkt dat niks meer werkt, dan is dat wat het is en dan zal er alsnog een overdracht moeten plaatsvinden.
4.5.
De Raad heeft ter zitting geadviseerd het verzoek tot vervanging van de GI toe te wijzen. Er is in de afgelopen tijd veel gebeurd. De GI geeft duidelijk aan dat de WSSJ&J passender is qua doelgroep. De moeder doet haar best, maar soms wordt het haar te zwaar. De GI moet dan kunnen ingrijpen. Het is lastig als de GI dan niet goed de aansluiting bij de moeder weet te vinden. Een (warme) overdracht naar een nieuwe organisatie die beter aansluit bij wat de moeder en [minderjarige] nodig hebben is passend. Daar is nu, in een periode dat het rustig is, het moment voor. De Raad heeft wel zijn twijfels bij de inzet van [hulpverlening 2] . [hulpverlening 1] lijkt passender. Het is aan de WSSJ&J als nieuwe GI om te kijken wat (beter) aansluit bij de problematiek van de moeder en [minderjarige] .

5.De verdere beoordeling

5.1.
De kinderrechter stelt vast dat er ten opzichte van een paar maanden geleden voorzichtig stappen worden gezet en dat er meer gewenning en rust zijn ontstaan. Tegelijkertijd wordt echter ook gezien dat er nog veel onduidelijkheid bestaat over de (toekomstige) situatie van [minderjarige] en dat de huidige GI niet altijd goed de aansluiting bij de moeder en [minderjarige] weet te vinden ondanks hard werken en de beste bedoelingen. De kinderrechter is daarom met de Raad van oordeel dat een overdracht naar een nieuwe organisatie die beter aansluit bij wat de moeder en [minderjarige] nodig hebben – namelijk de WSSJ&R – passend en nodig is. Omdat op dit moment sprake is van een relatief rustige periode, is het huidige moment het meest geschikt voor een overdracht. Wel is het belangrijk dat er daarbij sprake zal zijn van een warme overdracht, waarbij er voldoende tijd en ruimte is om de ervaringen te delen met elkaar, gesprekken te voeren en te inventariseren waar rekening mee dient te worden gehouden. De kinderrechter verwacht van de beide GI’s dat zij daarover, samen met de moeder en [minderjarige] , de komende maanden in gesprek zullen gaan en er samen voor zullen zorgen dat uiterlijk 14 januari 2026 de overdracht van de uitvoering van de maatregel tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] naar de WSSJ&J is gerealiseerd. De kinderrechter zal het verzoek van de GI daarom toewijzen met ingang van 14 januari 2026. [1]
5.2.
De huidige situatie, waarin [minderjarige] bij de moeder woont, blijft voorlopig gehandhaafd. Het is niet in het belang van [minderjarige] om daarin nu wijziging te brengen. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal daarom ook voor de komende periode, tot 15 januari 2026, worden ingetrokken [2] . Het is belangrijk dat voor [minderjarige] op korte termijn perspectief wordt bepaald. Daarvoor is het nodig dat het diagnostisch onderzoek van [minderjarige] wordt afgerond. De kinderrechter verwacht van [minderjarige] dat hij de laatste drie afspraken in verband met dat onderzoek zal nakomen, zodat het onderzoek kan worden afgerond en tijdens de hierna te noemen voortgezette zitting verder kan worden gesproken over het perspectief van [minderjarige] .
5.3.
De kinderrechter bepaalt dat er een nadere zitting zal plaatsvinden op
[datum] 2026 om [uur]. Tijdens deze nadere zitting zal de situatie van [minderjarige] en het verzoek van de moeder tot intrekking van de machtiging tot uithuisplaatsing verder worden besproken. De kinderrechter verwacht dat de moeder, haar advocaat, de GI, de WSSJ&J, de Raad en de bijzondere curator hierbij aanwezig zijn.
5.4.
De kinderrechter verzoekt de GI om de rechtbank
uiterlijk woensdag 7 januari 2026schriftelijk te informeren over de actuele stand van zaken, het verloop en de realisatie van de overdracht en over hoe het met [minderjarige] gaat.
5.5.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
vervangt de Gecertificeerde Instelling Stichting Jeugdbescherming Zeeland door de Gecertificeerde Instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van uiterlijk 14 januari 2026;
6.2.
trekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tijdelijk in met ingang van 18 oktober 2025 en tot 15 januari 2026;
6.3.
houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek aan tot de nadere zitting op
[datum] 2026 om [uur]ten overstaan van mr. De Beer voor de duur van 45 minuten;
6.4.
vraagt de griffier om [minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek;
6.5.
verzoekt de GI om
uiterlijk woensdag 7 januari 2026een briefrapportage toe te zenden, zulks met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.4. is overwogen;
6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproeping voor die zitting voor de moeder, haar advocaat, de GI, de WSSJ&J, de Raad en de bijzondere curator.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2025 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van De Keijzer als griffier, en op schrift gesteld op 27 oktober 2025.
Tegen de eindbeslissing in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [3]

Voetnoten

1.Artikel 1:259 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)
2.Artikel 1:265d lid 4 BW
3.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).