ECLI:NL:RBZWB:2025:7683

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
C/02/440710 / JE RK 25-1824
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
  • Van der Velde
  • Van de Lockant-Geschiere
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarigen in afwachting gezagsbeslissing

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 21 oktober 2025 uitspraak gedaan over het verzoek van de Gecertificeerde Instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen. Deze maatregelen zijn reeds meerdere malen verlengd vanwege ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen en hun zorgelijke gedrag.

De minderjarigen verblijven momenteel in een gezinshuis waar zij gespecialiseerde opvoeding en continue aandacht ontvangen. Ondanks jarenlange hulpverlening is onvoldoende verbetering opgetreden, waardoor de rechtbank onvoldoende vertrouwen heeft dat de ouders zelfstandig voor de kinderen kunnen zorgen.

De rechtbank wijst het verzoek deels toe door de maatregelen voor twee maanden te verlengen, van 4 november 2025 tot 4 januari 2026, en wijst het resterende deel af omdat binnen deze termijn een beslissing zal worden genomen over het gezag. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om continuïteit en stabiliteit voor de minderjarigen te waarborgen.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor twee maanden in afwachting van een beslissing over het gezag.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/440710 / JE RK 25-1824
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
betreffende de minderjarigen
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
Als belanghebbende in deze procedure wordt aangemerkt:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. S.J. Nijssen te [plaats] .
Als informant is in deze procedure betrokken:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M. Krijger te Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de meervoudige kamer van de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 10 oktober 2025 ingekomen verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing, met bijlagen.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 21 oktober 2025, gelijktijdig met het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder en het verzoek van de vader om met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te worden belast. Op de verzoeken van de Raad en de vader wordt bij separate beschikkingen beslist.
1.3
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen de ouders, bijgestaan door hun advocaten. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en twee vertegenwoordigsters van de GI.

2.De feiten

2.1
De ouders hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende, thans nog minderjarige kinderen zijn geboren:
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats] .
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats] .
2.2
De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De moeder oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.
2.3
Bij beschikking van 4 november 2020 is – de toen nog ongeboren – [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 4 november 2020 en tot 4 november 2021. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025.
2.4
Bij beschikking van 24 maart 2022 is – de toen nog ongeboren – [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 24 maart 2022 en tot 4 november 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025.
2.5
Bij beschikking van 3 januari 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 3 januari 2024 en tot 17 januari 2024. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025.
2.6
Bij separate beschikkingen van 14 augustus 2024 zijn de verzoeken van de vader om mede met het ouderlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te worden belast afgewezen en is bepaald dat de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot een omgangsregeling, inhoudende dat er twee uur per week contact tussen hen plaatsvindt onder begeleiding en op het kantoor van [organisatie] in [plaats] (of onder begeleiding van een soortgelijke organisatie op neutraal terrein in de buurt van de minderjarigen), waarbij de regie over een eventuele wijziging in handen van de GI ligt, een en ander zoals overwogen in de beschikkingen.
2.7
Bij beschikking van 21 februari 2025 is de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen, zoals is vastgelegd bij beschikkingen van deze rechtbank van 14 augustus 2024, gewijzigd en is bepaald dat er geen contact plaatsvindt tussen de minderjarigen en de vader totdat de overplaatsing naar een vervolgplek is gerealiseerd en dat er na de overplaatsing zo snel als mogelijk en op geleide van hetgeen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dat moment aan kunnen wordt onderzocht of en zo ja op welke manier het contact tussen de vader en de minderjarigen kan worden hervat, waarbij de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsregeling in handen van de GI ligt.
2.8
Bij beschikking van 18 april 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) verleend met ingang van 18 april 2025 en tot 4 november 2025.
2.9
Op grond van de laatstgenoemde machtiging verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinshuis.

3.Het verzoek

3.1
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en, naar de rechtbank begrijpt, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. Daaruit blijkt, kort samengevat, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Zij hebben in hun jonge leven al erg veel meegemaakt en zijn belast met forse kindeigen problematiek en trauma’s. Als gevolg daarvan vertonen de minderjarigen zeer zorgelijk gedrag. Zij zijn voortdurend aan het overleven. Beide ouders hebben hier een groot aandeel in (gehad). Dit zien zij lastig in. Dit alles maakt dat het in het belang van (de veiligheid van) [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het gezinshuis worden verlengd zolang de rechtbank nog geen beslissing heeft genomen op het verzoek van de Raad om het gezag van de moeder te beëindigen en de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de GI te beleggen alsmede op het verzoek van de vader om met het gezag te worden belast.
4.2
De advocaat brengt namens de moeder naar voren dat hij het verzoekschrift van de GI niet heeft ontvangen. Hij kan daar op dit moment dan ook niets over zeggen. Desgevraagd stemt de advocaat, namens de moeder, in met een kortdurende verlenging van de huidige maatregelen in afwachting van de beslissing van de rechtbank op de verzoeken omtrent het gezag.
4.3
De vader staat achter de verzochte verlenging van de maatregelen in afwachting van de beslissing van de rechtbank op de verzoeken omtrent het gezag. Hij vindt het belangrijk dat de plaatsing van de minderjarigen in het gezinshuis in de tussentijd wordt geborgd, zodat hen stabiliteit wordt geboden.
4.4
De Raad adviseert het verzoek toe te wijzen in afwachting van de beslissing van de rechtbank op de verzoeken omtrent het gezag. Het verlengen van de maatregelen is noodzakelijk zolang de GI nog niet met de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is belast en om de plaatsing van de minderjarigen in het gezinhuis in de tussentijd te kunnen borgen, nu de moeder daar niet achterstaat.

5.De beoordeling

5.1
De rechtbank is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. [1] Daarom zal de rechtbank het verzoek van de GI deels toewijzen en zowel de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verlengen voor de duur van twee maanden, met ingang van 4 november 2025 en tot 4 januari 2026. Het resterende deel van het verzoek wordt afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.2
Uit de overgelegde stukken blijkt dat er nog steeds forse bedreigingen zijn in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Beide minderjarigen hebben de afgelopen jaren diverse, zeer traumatische gebeurtenissen meegemaakt en zijn belast met forse kindeigen problematiek. Als gevolg daarvan vertonen beide minderjarigen zeer zorgelijk gedrag en behoeven zij naast hulpverlening een gespecialiseerde opvoeding met continue (één-op-één) aandacht en nabijheid. Dit wordt de minderjarigen in het gezinhuis geboden. Nu er ondanks de jarenlange inzet van hulpverlening in het gedwongen kader tot op heden nog onvoldoende verbetering is opgetreden in de situatie van de minderjarigen, heeft de rechtbank er onvoldoende vertrouwen in dat de ouders thans in staat zijn om de opvoeding en verzorging van de minderjarigen zelfstandig vorm te geven en de ontwikkelingsbedreigingen op eigen kracht weg te nemen.
5.3
De rechtbank zal nu op korte termijn bij afzonderlijke beschikkingen beslissen op het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en op het verzoek van de vader strekkende tot verkrijging van het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Totdat hierop definitief is beslist, dient de huidige situatie in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te worden voortgezet en bestendigd. Zowel de Raad, de GI als beide ouders (bij monde van hun advocaat) hebben daar tijdens de mondelinge behandeling mee ingestemd.
5.4
Vanwege al het voorgaande acht de rechtbank het van groot belang voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat er in afwachting van de beslissing op de verzoeken omtrent het gezag een jeugdbeschermer bij hen betrokken blijft om regie te voeren en dat hun huidige plaatsing in het gezinshuis wordt voortgezet, zodat zij zoveel mogelijk rust en stabiliteit ervaren en hun veiligheid gewaarborgd blijft. Daarom zal de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van twee maanden, met ingang van 4 november 2025 en tot 4 januari 2026. Het resterende deel van het verzoek zal de rechtbank afwijzen nu er binnen deze periode een beslissing zal worden gegeven op de verzoeken omtrent het gezag.
5.5
De rechtbank zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de GI is verzocht, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van twee maanden, met ingang van 4 november 2025 en tot 4 januari 2026;
6.2
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van twee maanden, met ingang van 4 november 2025 en tot 4 januari 2026;
6.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025 door mr. De Beer, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Van der Velde en mr. Van de Lockant-Geschiere, (kinder)rechters, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 4 november 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikelen 1:255 lid 1 BW jo. 1:260 BW en 1:265b lid 1 BW jo. 1:265c lid 2 BW.