ECLI:NL:RBZWB:2025:7691

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
C/02/431762 / JE RK 25-246
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ontwikkelingsbedreiging en onduidelijkheid omgang en hulpverlening

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering om de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen tot 29 maart 2026. De kinderrechter heeft op 28 oktober 2025 de verlenging toegekend en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De minderjarige heeft sinds enige tijd geen contact meer met de moeder, die mogelijk kampt met verslavingsproblematiek en met wie de gecertificeerde instelling geen contact kan krijgen. De omgang tussen de minderjarige en de moeder verliep moeizaam en werd stopgezet. De vader verzorgt een stabiele opvoedsituatie en ziet het belang in van een coach voor de minderjarige. De minderjarige toont boosheid en wil geen contact met de moeder.

De kinderrechter stelt vast dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd door het gebrek aan contact met de moeder en het ontbreken van hulpverlening voor de verwerking van trauma’s. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd om zicht te krijgen op de omgangsregeling, het gezag en de mogelijke inzet van traumabehandeling. De gecertificeerde instelling wordt opgedragen de Raad voor de Kinderbescherming tijdig te betrekken bij een eventuele afsluiting van de ondertoezichtstelling.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 29 maart 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/431762 / JE RK 25-246
Datum uitspraak: 28 oktober 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 15 mei 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de e-mail van de moeder van 27 juni 2025;
  • de brief van de rechtbank, gericht aan de GI, van 3 juli 2025;
  • de brief van de GI van 29 september 2025;
  • de brief van de rechtbank aan de GI, de vader en de moeder van 1 oktober 2025;
  • de brief van de GI van 8 oktober 2025;
1.2.
De behandeling van de zaak is op de zitting van 28 oktober 2025 met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De moeder is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen.
2.
De nadere beoordeling
2.1.
Bij beschikking van 15 mei 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 29 mei 2025 tot 29 oktober 2025. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot 30 september 2025 pro forma, in afwachting van een schriftelijk verslag van de GI over de dan actuele stand van zaken en berichtgeving van de ouders.
Het verzoek
2.2.
Aan de orde is het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de nog resterende duur tot 29 maart 2026. De GI heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De standpunten
2.3.
De GI heeft per brief en tijdens de zitting aangegeven dat de nieuwe jeugdbeschermer is gestart op 14 juli 2025. Daarvoor was al besloten om de omgang tussen [minderjarige] en de moeder niet meer onbegeleid bij haar thuis plaats te laten vinden, maar begeleid bij De Gezinsmanager. De omgang is echter vervolgens door De Gezinsmanager gestopt. De begeleide omgangsmomenten zijn niet goed verlopen. [minderjarige] geeft aan de moeder niet te willen zien en laat boosheid richting haar zien. Het lukt de moeder niet om daarop op een passende manier te reageren. De moeder ziet in dat het contact niet positief voor [minderjarige] verloopt. Zij heeft aangegeven dat hij eerst therapie nodig heeft. Er is sindsdien geen contact meer tussen de moeder en [minderjarige] geweest. De jeugdbeschermer kan namelijk geen contact krijgen met de moeder. Zij is ook niet begin oktober op de afspraak met de jeugdbeschermer verschenen. De jeugdbeschermer heeft wel contact met de begeleider van de moeder, maar zij ervaart hetzelfde met de moeder in het contact. Er is ook geen zicht op waar de moeder verblijft of op mogelijke verslavingsproblematiek van de moeder. De gesprekken die eerder met de moeder zijn geweest gingen heel moeizaam. Als er geen afspraken met de moeder gemaakt kunnen worden, is het de vraag of de ondertoezichtstelling wel doelmatig is. De jeugdbeschermer heeft van de begeleider gehoord dat de moeder niet naar de zitting wilde komen en als [minderjarige] weer contact wil zij het dan wel hoort. De Gezinsmanager stopt per 1 november 2025. De GI vindt het zorgelijk dat [minderjarige] mogelijk op latere leeftijd er wel last van kan krijgen dat hij geen contact met zijn moeder heeft. De opvoedsituatie bij de vader is goed. De vader komt ook de afspraken met de hulpverlening na. De vader heeft aangegeven dat [minderjarige] een stuk rustiger is. Ook op school gaat het inmiddels ook goed.
De GI vindt het belangrijk dat als het rustiger is er hulp ingezet wordt voor [minderjarige] . De GI heeft contact gelegd met [jeugdhulp] , maar dat staat nu on hold om eerst rust en stabilisatie te creëren. Als [minderjarige] blijft aangeven dat hij echt niet wil, is het lastig om hulpverlening in te zetten, omdat het averechts zal werken als hij daartoe wordt gedwongen. Het zou goed zijn als [minderjarige] een coach krijgt om mee te praten, maar de vraag is of dit in het gedwongen kader moet. De vader ziet namelijk het belang hiervan wel in.
De verlenging van de ondertoezichtstelling is nog nodig om zicht te krijgen op de (on)mogelijkheden voor omgang tussen [minderjarige] en de moeder, de aanmelding van [minderjarige] voor een buddy of coach te doen en voor een goede afsluiting te zorgen.
2.4.
De vader heeft aangegeven dat [minderjarige] rustiger is in zijn gedrag. Het gaat ook beter op school. [minderjarige] geeft aan geen contact met zijn moeder te willen. Hij is er klaar mee. Het ging niet goed tijdens de bezoeken met de moeder. [minderjarige] gaf al een dag van tevoren aan dat hij niet wilde gaan. De vader heeft aangegeven dat het dan voor hem ook moeilijk is. Hij is klaar met alle instanties. Er is al zoveel wat ze moeten doen in een week. De vader wil dat [minderjarige] rust krijgt en dat hij gewoon kind kan zijn. Een vertrouwenspersoon voor [minderjarige] zou wel goed voor hem zijn. Soms benoemt [minderjarige] wat er vroeger bij de moeder is gebeurd. De vader heeft geen contact met de moeder. De moeder heeft verslavingsproblematiek. De vader is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling.
De beoordeling van de kinderrechter
2.5.
De kinderrechter is van oordeel dat er nog steeds wordt voldaan aan de gronden voor de ondertoezichtstelling. [minderjarige] wordt namelijk nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Hij heeft op dit moment geen contact meer met zijn moeder, de gezaghebbende ouders zijn onvoldoende in staat samen het gezag over [minderjarige] uit te oefenen en er is nog geen hulpverlening ingezet voor [minderjarige] voor de verwerking van zijn trauma’s. Zoals de vader aangeeft en de GI bevestigt is het op dit moment rustiger voor [minderjarige] en gaat het beter met hem op school, maar zijn situatie is nog steeds kwestbaar en er kunnen problemen in zijn ontwikkeling ontstaan door het gebrek aan contact met zijn moeder en doordat hij zijn trauma’s nog niet heeft verwerkt. De GI kan met de moeder geen contact krijgen. De vader wil, behalve een coach voor [minderjarige] , geen hulpverlening meer. De ontwikkelingsbedreiging kan daarom op dit moment niet worden weggenomen in het vrijwillig kader.
2.6.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] daarom tot 29 maart 2026. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
2.7.
De GI heeft aangegeven te willen werken aan een afsluiting van de ondertoezichtstelling. Er zal binnen de ondertoezichtstelling een coach/buddy voor [minderjarige] geregeld worden, er zal een gesprek met [minderjarige] plaatsvinden en informatie worden opgevraagd op school, heeft de GI aangegeven. Voordat een afsluiting van de ondertoezichtstelling kan plaatsvinden zijn er volgens de kinderrechter nog een tweetal andere punten waar de regie van de GI zich op moet richten, namelijk:
1. Er moet duidelijkheid komen over de omgang tussen [minderjarige] en de moeder en (de uitoefening van) het gezag over [minderjarige] ;
2. Er moet duidelijkheid komen over een mogelijke (trauma)behandeling van [minderjarige] ; is er een noodzaak voor en wanneer kan dit worden ingezet?
Gezien de beperkte termijn van de ondertoezichtstelling is het belangrijk dat de GI, indien zij voornemens is de ondertoezichtstelling af te sluiten, tijdig de Raad voor de Kinderbescherming betrekt in de beslissing hierover, zodat de Raad voor de Kinderbescherming ook bovenstaande twee onderwerpen in de toetsing kan beoordelen.

3.De beslissing

De kinderrechter:
3.1
wijst het resterende verzoek toe en verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 29 oktober 2025 tot 29 maart 2026;
3.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 7 november 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.