Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene werd een verkeersboete opgelegd wegens het niet zoveel mogelijk rechts houden op de A58. Betrokkene en zijn gemachtigde ontkenden de gedraging, maar de verklaring van de verbalisant werd door de rechtbank als voldoende bewijs geaccepteerd. De rechtbank oordeelde dat de gedraging vaststaat.
De procedure duurde langer dan de redelijke termijn van twee jaar, aangezien de boete op 2 december 2022 werd opgelegd en de zitting plaatsvond op 3 januari 2025. Hierdoor werd het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en werd de boete met 25% gematigd.
Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van €453,50 toegekend voor de kosten van de kantonrechterfase. De officier van justitie werd opgedragen een teveel betaalde zekerheidstelling terug te betalen. De beslissing van de officier van justitie werd aldus gewijzigd.
Uitkomst: Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard, de boete wordt met 25% gematigd en proceskostenvergoeding wordt toegekend.