Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Beoordeling van het bewijs
5.Vordering van de benadeelde partij
6.Beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 12 november 2025 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant verdachte vrijgesproken van bedreiging van een bijzondere opsporingsambtenaar. De tenlastelegging hield in dat verdachte de opsporingsambtenaar had bedreigd, maar de rechtbank vond het bewijs onvoldoende om dit wettig en overtuigend bewezen te achten.
De zaak werd behandeld op 29 oktober 2025, waarbij zowel de officier van justitie als de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De officier van justitie achtte het tenlastegelegde bewezen, terwijl de verdediging ontkende dat verdachte de bedreiging had geuit en wees op het ontbreken van ondersteunend bewijs.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van de aangever, die geen proces-verbaal van bevindingen als opsporingsambtenaar had opgemaakt, onvoldoende bewijs vormt. Hierdoor kon niet worden voldaan aan het bewijsminimum. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, die bij de burgerlijke rechter kan worden ingediend.
De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van verdachte, die nihil waren begroot. Het vonnis werd uitgesproken door drie rechters in aanwezigheid van de griffier, die het vonnis niet mede konden ondertekenen.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van bedreiging.