Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het parkeren op een vergunninghoudersplaats zonder vergunning op 30 november 2022 in Zierikzee. Betrokkene voerde aan dat er geen duidelijke bebording was, maar de officier van justitie stelde dat betrokkene wel degelijk de juiste borden was gepasseerd.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststaat op basis van de verklaring van de verbalisant en dat betrokkene onvoldoende feiten aanvoerde om hieraan te twijfelen. Wel werd vastgesteld dat de officier van justitie de hoorplicht had geschonden door betrokkene niet te horen, wat leidt tot vernietiging van diens beslissing.
Daarnaast was de redelijke termijn van behandeling met vier dagen overschreden, wat eveneens aanleiding gaf tot matiging van de boete. De boete werd daarom tweemaal met 25% verminderd. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen.
De uitspraak werd gedaan door kantonrechter W.H.C. van Eck op 3 januari 2025. Betrokkene kon binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, boete gematigd wegens schending hoorplicht en overschrijding redelijke termijn.