Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Verloop van de procedure
Standpunten
Overwegingen
€ 453,50
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het gebruik van een fietspad met een snorfiets met verbrandingsmotor. Hij stelde beroep in tegen de boete, stellende dat hij niet staande is gehouden en dat het bewijs onvoldoende was. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond. De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststaat, maar dat de verbalisant in burger en op de fiets was, waardoor staandehouding niet mogelijk was. Hierdoor mocht de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
De kantonrechter constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan twee maanden, wat een matiging van de boete met 25% rechtvaardigt. Tevens werd de hoorplicht geschonden. De proceskostenvergoeding werd toegekend voor de kantonrechterfase. De boete werd gematigd tot € 75,- plus administratiekosten, en het teveel betaalde bedrag aan zekerheid werd terugbetaald.
De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd, het beroep werd gedeeltelijk gegrond verklaard en de officier van justitie werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 907,-. De kantonrechter verklaarde zich onbevoegd ten aanzien van bezwaren tegen de uitbetaling van de proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond, boete met 25% gematigd en proceskostenvergoeding toegekend.