ECLI:NL:RBZWB:2025:7781

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 oktober 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
C/02/438031 / HA RK 25-173
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • M. Luijks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van statutair directeur en toekenning van billijke vergoeding wegens gebrek aan redelijke grond voor ontslag

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 27 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [verzoeker] en [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3]. [verzoeker], die als statutair directeur werkzaam was bij [verweerder 1], verzocht de rechtbank om een billijke vergoeding van € 300.000,00 na zijn ontslag. Hij stelde dat er geen redelijke grond was voor het ontslag, omdat er geen ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie bestond. De rechtbank heeft vastgesteld dat [verweerder 1] de arbeidsovereenkomst op correcte wijze heeft opgezegd, maar dat er geen redelijke grond was voor het ontslag. De rechtbank oordeelde dat de redenen die door [verweerder 1] zijn aangevoerd voor het ontslag niet voldoende waren om te concluderen dat er sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie. Daarom heeft de rechtbank [verzoeker] een billijke vergoeding van € 55.000,00 toegekend. Daarnaast heeft de rechtbank het non-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst vernietigd, omdat [verweerder 1] geen rechten meer kon ontlenen aan dit beding. Ook zijn de buitengerechtelijke kosten van [verzoeker] tot een bedrag van € 10.825,00 toegewezen, evenals de proceskosten van € 1.999,00 aan de zijde van [verzoeker].

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: C/02/438031 / HA RK 25-173
Beschikking van 27 oktober 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. M.L. de Bruijn,
tegen

1.[verweerder 1] B.V.,

te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [verweerder 1] ,
2.
[verweerder 2] B.V.,
te [plaats 3] ,
hierna te noemen: [verweerder 2] ,
3.
[verweerder 3] B.V.,
te [plaats 3] ,
hierna te noemen: [verweerder 3] ,
verwerende partijen,
advocaat: mr. K.R. Wagenaar-Bakker.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 de beschikking van de kantonrechter van 21 juli 2025 waarin de zaak is verwezen naar de rechtbank, met de daarin genoemde processtukken,
 het verweerschrift, met producties,
 de mondelinge behandeling van 15 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
 de spreekaantekeningen, met nadere producties, van mr. De Bruijn,
 de spreekaantekeningen van mr. Wagenaar-Bakker.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verweerder 1] is een expertisebureau voor letsel- en overlijdensschade en het doen van toedrachtonderzoeken. [verweerder 1] werkt voor verzekeringsmaatschappijen, makelaars, bedrijven en de overheid.
2.2.
De enig aandeelhouder van [verweerder 1] is [verweerder 2] . [verweerder 2] wordt bestuurd door [verweerder 3] . De indirecte bestuurder van [verweerder 2] is de heer [naam] .
2.3.
[verzoeker] , geboren op [datum] 1971, is op 1 januari 2020 in dienst getreden bij [verweerder 1] . De functie van [verzoeker] was operationeel directeur met een salaris van € 8.436,00 bruto per maand.
2.4.
In de arbeidsovereenkomst is het volgende non-concurrentiebeding opgenomen:

Het is de werknemer verboden zonder voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de werkgever gedurende 24 maanden na het eindigen van de arbeidsovereenkomst, direct of indirect in dienst te treden bij of op enigerlei wijze werkzaamheden te verrichten voor een onderneming die gelijke of gelijksoortige diensten verleent als werkgever doet, of voor eigen rekening gelijke of gelijksoortige werkzaamheden te verrichten.”
2.5.
Naast zijn dienstverband is [verzoeker] per 1 juni 2021 ook benoemd tot statutair directeur.
2.6.
In december 2021 heeft [verzoeker] 4,99% van de aandelen in [verweerder 2] gekocht. De koopprijs van de aandelen bedraagt € 62.625,00. Ook in de koopovereenkomst van de aandelen is een non-concurrentiebeding opgenomen.
2.7.
In de algemene vergadering van aandeelhouders van [verweerder 1] van 27 mei 2025 is [verzoeker] als statutair directeur ontslagen.
2.8.
Bij brief van 30 mei 2025 heeft [verweerder 1] het ontslag als statutair directeur bevestigd aan [verzoeker] . Daarnaast is de arbeidsovereenkomst – met inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden – opgezegd per 1 augustus 2025.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank, na wijziging van eis:
[verweerder 1] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 300.000,00, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
[verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de (buitengerechtelijke) kosten van rechtsbijstand,
het non-concurrentiebeding en het daaraan gekoppelde boetebeding in de arbeidsovereenkomst te vernietigen, althans te matigen,
het non-concurrentiebeding en het daaraan gekoppelde boetebeding in de aandeelhoudersovereenkomst te vernietigen, althans te matigen,
[verweerder 1] te veroordelen tot het plaatsen van een rectificatie, op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding, te vermeerderen met € 1.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt,
[verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[verzoeker] heeft – kort weergegeven – aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat er geen redelijke grond bestond voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Als gevolg daarvan dient [verweerder 1] een billijke vergoeding aan hem te voldoen. Daarnaast stelt hij zich op het standpunt dat hij onbillijk wordt benadeeld wanneer de non-concurrentiebedingen, inclusief de boetebedingen, worden gehandhaafd. [verzoeker] verzoekt daarom vernietiging van deze bedingen.
3.3.
Verweerders voeren verweer en stellen dat [verzoeker] niet ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dat de verzoeken moeten worden afgewezen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, verder ingegaan.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
[verweerder 2] en [verweerder 3] hebben aangevoerd dat [verzoeker] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de tegen hen ingestelde verzoeken over de buitengerechtelijke kosten en de vernietiging van het non-concurrentiebeding in de aandeelhoudersovereenkomst. Zij hebben hiertoe gesteld dat er geen arbeidsrechtelijke relatie bestaat tussen hen en [verzoeker] . Bovendien hebben [verweerder 3] en [verzoeker] in de aandeelhoudersovereenkomst uitdrukkelijk een forumkeuze gemaakt op grond waarvan de rechtbank in [plaats 3] bevoegd is.
4.2.
Op grond van artikel 7:686a lid 3 BW kunnen met elkaar samenhangende geschilpunten die bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst of herstel daarvan worden ingesteld, in één gerechtelijke procedure worden beslecht. De voornoemde vorderingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden aangemerkt als vorderingen die verband houden met het einde van het dienstverband. [verweerder 2] en [verweerder 3] zijn geen partij in de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder 1] en [verzoeker] . Het in artikel 7:686a lid 3 BW vereiste verband ontbreekt dan ook. Dit betekent dat [verzoeker] in deze procedure niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen jegens [verweerder 2] en [verweerder 3] . Overigens heeft [verzoeker] ook de gestelde forumkeuze ten aanzien van het verzoek tot vernietiging van het non-concurrentiebeding in de aandeelhoudersovereenkomst niet weersproken.
Einde van de arbeidsovereenkomst
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat de vennootschapsrechtelijke relatie tussen [verzoeker] en [verweerder 1] is geëindigd als gevolg van het ontslagbesluit van 27 mei 2025. De rechtsgeldigheid van dit besluit is niet in geschil.
4.4.
De vennootschapsrechtelijke verhouding die bestond tussen [verzoeker] en [verweerder 1] brengt met zich dat [verzoeker] te allen tijde zonder zijn instemming of preventieve toets kon worden ontslagen als statutair directeur door de aandeelhoudersvergadering als bevoegd orgaan. Het uitgangspunt is dat het rechtsgeldig ontslag van een statutair bestuurder uit zijn of haar vennootschapsrechtelijke positie als regel ook opzegging van de arbeidsovereenkomst met zich brengt. Dat geldt niet – maar dat is hier niet aan de orde – als sprake is van een opzegverbod of als partijen anders zijn overeengekomen.
4.5.
In dit geval heeft [verweerder 1] de arbeidsovereenkomst schriftelijk opgezegd, rekening houdend met de voor haar geldende opzegtermijn. Dit alles heeft – zo is niet in geschil – tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd per 1 augustus 2025.
Redelijke grond voor ontbinding
4.6.
In artikel 7:682 lid 3 onder a BW is bepaald dat aan de bestuurder die geen ontslagbescherming toekomt een billijke vergoeding kan worden toegekend indien de opzegging in strijd is met artikel 7:669 BW. De rechtbank dient dus te beoordelen of er een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 BW bestond voor het ontslag. De rechtbank stelt in dit kader voorop dat de bij het ontslag genoemde redenen hiervoor het toetsingskader vormen. Een statutair bestuurder die, zonder preventieve toetsing, wordt ontslagen, moet weten waartegen hij zich moet verweren. Later aangevoerde gronden worden daarom niet meegenomen in de beoordeling.
4.7.
In de toelichting op de agenda van de aandeelhoudersvergadering heeft [verweerder 1] het volgende opgenomen:

Dhr. [verzoeker] heeft in mei 2025 zowel mondeling als schriftelijk zelf aangegeven [verweerder 1] te gaan verlaten, omdat hij voor zichzelf geen rol meer ziet als directeur en ook niet in een andere functie binnen [verweerder 1] . Vervolgens zijn partijen onderhandelingen gestart over zijn voorgenomen vertrek. Voorstellen zijn uitgewisseld waarbij het vertrouwen wederom werd geschaad toen dhr. [verzoeker] enerzijds terugkwam op het notabene door hemzelf gedane voorstel inzake concurrentie en relatiebedingen (bv. Het medewerkersbeding toch weer terug van 24 naar 12 maanden, en van 2 maanden doorbetaling naar 3 maanden) en anderzijds berichten stuurde met ‘laat maar escaleren’ en ‘breng het dan maar voor de rechter’. Met name de wens tot inperking van de bedingen die willens en wetens zijn overeengekomen, schaden het vertrouwen in de goede intenties van dhr. [verzoeker] nog meer, te meer omdat dhr. [verzoeker] initieel aangaf niet in het vaarwater van [verweerder 1] te gaan zitten en de medewerkers bedingen volledig begreep en voor hem niet belangrijk waren.
Hieraan is al een lange reeks van voorvallen en conflicten voorafgegaan, resulterend in een situatie dat er geen vertrouwen meer is in zijn positie als bestuurder:
(…)”
4.8.
[verzoeker] betwist dat er sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie. Volgens hem heeft hij nooit gezegd te willen vertrekken. Wel heeft hij meerdere malen kenbaar gemaakt dat hij last had van stress en fysieke klachten maar hier werd niet op geacteerd door [verweerder 1] . Op 1 mei 2025 heeft hij weer aangegeven dat het niet goed ging met zijn gezondheid en dat het hem beter leek als hij buiten [verweerder 1] op zoek zou gaan naar iets anders omdat hij geen andere uitweg zag op dat moment.
4.9.
[verzoeker] heeft op 1 mei 2025 onder meer het volgende geschreven aan de heer [naam] :

Ik heb aangegeven dat het mij beter lijkt als ik buiten [verweerder 1] ga kijken naar een andere werkgever/functie. Jij gaf aan dat jij dit snapt en bereid bent om mee te denken aan een vriendelijke oplossing die voor beide partijen goed is. Een andere functie binnen [verweerder 1] ligt niet voor de hand mede gezien mijn huidige rol als directeur.
Gelet op deze e-mail kan de rechtbank het standpunt van [verzoeker] dat hij nooit heeft aangegeven te willen vertrekken, niet volgen. Dat deze wens wellicht was ingegeven door het feit dat het niet goed ging met zijn gezondheid, maakt de boodschap niet anders. Voor zover [verzoeker] heeft willen betogen dat hij vanwege zijn gezondheidsklachten niet voldoende is staat was om te beslissen over zijn toekomst bij [verweerder 1] , heeft hij deze stelling onvoldoende onderbouwd.
4.10.
Uit de correspondentie die vervolgens is gevoerd tussen partijen volgt dat zij hebben gesproken over een beëindiging met wederzijds goedvinden. Hieruit kan worden afgeleid dat [verzoeker] wel degelijk de wens had om te vertrekken bij [verweerder 1] . Uit de over en weer gestuurde e-mails volgt echter ook dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden waaronder tot een einde van de arbeidsovereenkomst kon worden gekomen omdat partijen het niet eens werden over de beperking van het non-concurrentiebeding. Beoordeeld dient te worden of dit tot een zodanige verstoring van de arbeidsrelatie heeft geleid, dat van [verweerder 1] niet langer gevergd kon worden om de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.
4.11.
Uit de in het geding gebrachte e-mails volgt dat partijen van 1 tot 11 mei 2025 constructief in gesprek waren over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden kon worden beëindigd. In reactie op een (tegen)voorstel van [verzoeker] heeft de heer [naam] op 11 mei 2025 geschreven dat het vertrek van [verzoeker] onafwendbaar is en heeft hij hem vrijgesteld van werkzaamheden. Daarbij heeft hij kenbaar gemaakt dat [verzoeker] niet meer aanwezig mocht zijn op kantoor en geen contact mocht hebben met medewerkers en/of relaties van [verweerder 1] , met uitzondering van de medebestuurder. Vervolgens heeft er op 13 mei 2025 nog een gesprek plaatsgevonden waarin aan [verzoeker] is medegedeeld dat het ontslag van [verzoeker] zou worden geagendeerd op de algemene vergadering van aandeelhouders van [verweerder 1] . [verzoeker] heeft diezelfde dag een uitnodiging voor deze aandeelhoudersvergadering ontvangen.
4.12.
Uit de overgelegde e-mails volgt echter niet dat er op dat moment al sprake was van een ernstige vertrouwensbreuk tussen [verzoeker] en [verweerder 1] . Het enkele feit dat er geen toekomst meer zat in de samenwerking omdat [verzoeker] had aangegeven weg te willen, brengt naar het oordeel van de rechtbank nog geen ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding met zich. Ditzelfde geldt voor het feit dat [verzoeker] heeft onderhandeld om een zo sterk mogelijke positie op de arbeidsmarkt te verkrijgen na het einde van zijn dienstverband. [verweerder 1] heeft daar tot 11 mei 2025 ook over willen meedenken en uit de correspondentie valt geen aanleiding op te maken voor de plotselinge op non-actiefstelling. Hoewel [verweerder 1] stelt dat dit niet het geval is, kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat er al na tien dagen een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen is geroepen omdat [verweerder 1] vreesde voor een ziekmelding door [verzoeker] .
4.13.
In de toelichting op de agenda van de vergadering zijn nog zeven andere voorvallen genoemd die volgens [verweerder 1] hebben bijgedragen aan de verstoorde arbeidsverhouding. Zij noemt onder andere een bonus die [verzoeker] aan zichzelf heeft betaald, het zonder toestemming invoeren van een extra managementlaag en een discussie over het laten uitbetalen van vakantiedagen. Dit zijn echter allemaal gebeurtenissen die al geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden. [verweerder 1] heeft daar toen geen consequenties aan verbonden voor [verzoeker] . [verweerder 1] mocht deze gebeurtenissen op de aandeelhoudersvergadering niet alsnog aan een verstoorde arbeidsverhouding ten grondslag leggen. Indien [verweerder 1] van mening was dat [verzoeker] op die punten zijn functie niet naar behoren uitvoerde, had zij hem daar op dat moment op moeten aanspreken. [verweerder 1] benoemt ook het punt dat [verzoeker] al sinds zijn indiensttreding financiële persoonlijke problemen heeft die van structurele aard bleken te zijn. [verweerder 1] heeft echter onvoldoende onderbouwd op welke wijze dit heeft bijgedragen aan de gestelde verstoorde arbeidsverhouding.
4.14.
Al met al oordeelt de rechtbank dat niet is gebleken er op 27 mei 2025 een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie bestond tussen [verweerder 1] en [verzoeker] .
Billijke vergoeding
4.15.
Nu er geen redelijke grond bestond voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst, kan de rechtbank aan [verzoeker] een billijke vergoeding toekennen op grond van artikel 7:682 lid 3 onder a BW.
4.16.
[verzoeker] verzoekt aan hem een billijke vergoeding toe te kennen van € 300.000,00. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij gelet op de duur van het concurrentiebeding twee jaar geen zelfde soort dienstbetrekking kan aangaan. De billijke vergoeding moet volgens hem daarom bestaan uit twee misgelopen jaarsalarissen van samen afgerond € 270.000,00 en een bedrag van € 30.000,00 aan overige (reputatie)schade.
4.17.
In het navolgende wordt geoordeeld dat [verweerder 1] geen rechten meer kan ontlenen aan het non-concurrentiebeding dat in de arbeidsovereenkomst is opgenomen. Onder rechtsoverweging 4.23 zal de rechtbank dit oordeel toelichten. Voor de beoordeling van de billijke vergoeding betekent dit dat het non-concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst geen belemmering vormt voor [verzoeker] om elders een vergelijkbare functie met een vergelijkbaar salaris te aanvaarden.
4.18.
De rechtbank onderkent dat het [verzoeker] als gevolg van het tussen hem en [verweerder 3] in de aandeelhoudersovereenkomst overeengekomen concurrentie- en relatiebeding in de praktijk nog steeds niet vrij staat om in dienst te treden bij een met [verweerder 1] concurrerend bedrijf. Voor de vernietiging of beperking van dat beding dient een afzonderlijke procedure te worden gevoerd. Hoewel dit beding niet rechtstreeks de arbeidsverhouding tussen [verweerder 1] en [verzoeker] raakt, is dit beding wel van invloed op de mogelijkheden die [verzoeker] heeft op de arbeidsmarkt. Deze omstandigheid dient dan ook te worden meegewogen bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding.
4.19.
De rechtbank zal [verzoeker] echter geen billijke vergoeding toekennen ter hoogte van twee volledige jaarsalarissen zoals door hem is verzocht. Bij zijn berekening heeft [verzoeker] miskend dat hij direct aansluitend aan zijn ontslag als zzp’er is gestart bij een andere werkgever. Ter zitting heeft hij aangegeven dat hij daarmee een bedrag van € 3.000,00 netto per maand verdient. Gedurende de looptijd van het non-concurrentiebeding in de aandeelhoudersovereenkomst betreft dit dus een bedrag van € 72.000,00 netto. Bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding houdt de rechtbank rekening met dit inkomen. Daarnaast is van belang dat [verzoeker] een transitievergoeding heeft ontvangen van ruim € 18.000,00. Ook weegt de rechtbank mee dat [verzoeker] zelf de intentie had om weg te gaan bij [verweerder 1] .
4.20.
[verweerder 1] heeft nog aangevoerd dat [verzoeker] met de teruglevering van zijn aandelen in [verweerder 2] aan [verweerder 3] in 3,5 jaar tijd een winst heeft gerealiseerd van € 94.302,75. Ook hiermee moet volgens [verweerder 1] rekening worden gehouden bij de vaststelling van de billijke vergoeding. De verkoopprijs van de aandelen is bepaald aan de hand van een in de overeenkomst opgenomen formule met een methodiek die uitgaat van de beperkende bedingen in de overeenkomst, waaronder het concurrentiebeding. Zonder de beperkende bedingen zou een andere koopprijs(formule) hebben gegolden.
4.21.
Dit betreft echter de overeenkomst tussen [verweerder 3] en [verzoeker] . Het non-concurrentiebeding in die overeenkomst is nog steeds van kracht. Op dit moment is dus niet aan de orde dat aan [verzoeker] een te hoge prijs is betaald voor zijn aandelen.
4.22.
Rekening houdende met alle bovenstaande feiten en omstandigheden, kent de rechtbank aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe van € 55.000,00.
Concurrentiebeding
4.23.
Hiervoor is geoordeeld dat [verweerder 1] het dienstverband met [verzoeker] zonder redelijke grond heeft opgezegd. Dit wordt als ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder 1] gekwalificeerd. Gelet op artikel 7:653 lid 4 BW kan [verweerder 1] daarom geen rechten meer ontlenen aan het non-concurrentiebeding. Als gevolg hiervan zal het verzoek tot vernietiging van het non-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst worden toegewezen.
Rectificatie
4.24.
[verzoeker] stelt dat [verweerder 1] – zonder hem hierbij te betrekken – al op 14 mei 2025 intern heeft gecommuniceerd dat [verzoeker] zou gaan vertrekken en dat partijen hierover met elkaar in gesprek waren. [verzoeker] kreeg hier vervolgens Whatsapp-berichten over van medewerkers waarop hij niet kon reageren omdat het hem was verboden contact te hebben met medewerkers. Op 30 mei 2025 is – weer zonder goedkeuring van [verzoeker] – nogmaals een interne e-mail rondgestuurd met als onderwerp ‘update over vertrek [verzoeker]’. Diezelfde dag is ook extern gecommuniceerd dat [verzoeker] [verweerder 1] zou gaan verlaten. [verzoeker] stelt dat deze communicatie niet zorgvuldig is verlopen en in strijd is met goed werkgeverschap. Van [verzoeker] werd verwacht dat hij deed voorkomen of alles in goed overleg was verlopen, hetgeen hem niet in de koude kleren is gaan zitten. [verzoeker] verzoekt [verweerder 1] te veroordelen om een rectificatiebericht aan haar medewerkers te sturen en op haar website te plaatsen.
4.25.
[verweerder 1] betwist dat er geen afstemming heeft plaatsgevonden over de communicatie. Dit is volgens haar gebeurd in het gesprek dat op 13 mei 2025 heeft plaatsgevonden. Ook in zijn e-mail van 29 mei 2025 heeft [verzoeker] de communicatie geaccordeerd. Overigens bestond er volgens [verweerder 1] geen verplichting voor haar om voorafgaand aan de communicatie toestemming te vragen aan [verzoeker] . [verweerder 1] heeft in de communicatie iedere schijn van ontslag vermeden waardoor een rectificatie juist schadelijker voor [verzoeker] zou kunnen uitpakken. Ook binnen [verweerder 1] zou een rectificatie tot onrust kunnen leiden onder werknemers wat schadelijk zou kunnen zijn voor [verweerder 1] . Dit is volgens [verweerder 1] onwenselijk en er bestaat geen rechtvaardiging voor een dergelijke rectificatie.
4.26.
Op grond van de overgelegde e-mails is voldoende komen vast te staan dat de interne en externe berichtgeving zonder goedkeuring van [verzoeker] tot stand is gekomen. [verweerder 1] heeft verwezen naar een e-mail van [verzoeker] van 29 mei 2025 maar daaruit volgt dat het bericht van [verzoeker] pas naar buiten mocht worden gebracht nadat partijen een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten. Bovendien heeft hij verzocht om een deel van de tekst (dat uit zijn naam was geschreven) uit het bericht te verwijderen. Dit is niet gebeurd. Dat [verzoeker] heeft ingestemd met de inhoud van de communicatie is dan ook niet gebleken.
4.27.
Dit betekent echter niet zonder meer dat [verweerder 1] moet worden veroordeeld tot het rectificeren van de berichten. [verzoeker] heeft onvoldoende gesteld welk belang hij heeft bij een rectificatie. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] schade heeft geleden of anderszins is benadeeld door de uitlatingen die [verweerder 1] heeft gedaan. Het verzoek tot rectificatie zal daarom worden afgewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.28.
[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat hij zich als gevolg van het plotseling uitroepen van een aandeelhoudersvergadering en de pogingen om een minnelijke regeling te bereiken, juridisch heeft moeten laten bijstaan. [verzoeker] stelt dat [verweerder 1] deze kosten aan hem dient te vergoeden nu [verweerder 1] zich niet als goed werkgever heeft gedragen. [verweerder 1] heeft volgens [verzoeker] met haar handelwijze het risico genomen dat [verzoeker] hoge kosten zou moeten maken om zich te verweren tegen het ontslag waar [verweerder 1] op aanstuurde en alles wat daaraan is voorafgegaan. [verzoeker] heeft ter zitting een overzicht overgelegd van de totale kosten aan rechtsbijstand van € 34.182,50.
4.29.
De rechtbank stelt voorop dat het overzicht grotendeels ziet op kosten die verband houden met deze procedure. Voor die kosten zijn de regels betreffende proceskosten van toepassing. Een volledige proceskostenveroordeling kan alleen plaatsvinden wanneer er sprake is van misbruik van het procesrecht of onrechtmatig handelen. Dit is alleen het geval wanneer het voeren van verweer door [verweerder 1] in deze procedure gezien de evidente ongegrondheid ervan in verband met de belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Dit geldt pas wanneer [verweerder 1] haar verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij wist dat ze onjuist waren, of behoorde te weten, of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat ze geen kans van slagen hadden. Niet gesteld of gebleken is dat die situatie zich in dit geval voordoet. Dat is geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verweerder 1] is daarvoor op zichzelf niet toereikend.
4.30.
Voor zover de kosten op het door [verzoeker] overgelegde overzicht betrekking hebben op vergoeding van kosten van rechtsbijstand voorafgaand aan deze procedure, overweegt de rechtbank het volgende. Om op grond van artikel 7:611 BW een vergoeding toe te kennen voor kosten van rechtsbijstand voorafgaand aan de procedure, geldt de hiervoor vermelde terughoudendheid niet.
4.31.
Zoals hiervoor overwogen waren partijen nog in overleg over een vaststellingsovereenkomst op het moment dat [verzoeker] op non-actief werd gesteld en er een aandeelhoudersvergadering bijeen is geroepen waarop het ontslag van [verzoeker] was geagendeerd. Deze aandeelhoudersvergadering zag weliswaar op het ontslag als statutair bestuurder maar had evengoed gevolgen voor de arbeidsovereenkomst met [verweerder 1] .
De rechtbank is van oordeel dat [verweerder 1] hiermee niet heeft gehandeld zoals van een goed werkgever mag worden verwacht. Met deze handelswijze heeft [verweerder 1] het risico genomen dat [verzoeker] hoge kosten zou moeten maken om zich op de aandeelhoudersvergadering te verweren tegen het ontslag waar [verweerder 1] op aanstuurde en de non-actiefstelling die daaraan vooraf is gegaan. De juridische kosten die [verzoeker] heeft gemaakt, kunnen op grond van artikel 6:96 lid 2 BW als schade worden aangemerkt. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking voor zover het redelijk en noodzakelijk was de deskundige bijstand in te roepen en de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn (de dubbele redelijkheidstoets).
4.32.
[verweerder 1] heeft niet betwist dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk was. Tussen partijen is dan ook niet in geschil dat aan de eerste redelijkheidstoets is voldaan. De rechtbank is verder met [verweerder 1] van oordeel dat het overzicht van de gemaakte kosten summier is. Uit het overzicht kan worden afgeleid dat er zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke kosten in rekening zijn gebracht. Een duidelijk onderscheid ontbreekt echter. Als gevolg hiervan kan de rechtbank niet precies vaststellen welke uren betrekking hebben op de buitengerechtelijke werkzaamheden ten aanzien van het verweer op de aandeelhoudersvergadering. Aangezien deze vergadering heeft plaatsgevonden op 27 mei 2025 gaat de rechtbank ervan uit dat de werkzaamheden die zijn verricht in mei 2025 zien op buitengerechtelijke werkzaamheden. [verweerder 1] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de hoogte van het in rekening gebrachte uurtarief. De rechtbank begroot de kosten daarom op € 10.825,00 (43,3 uur x het uurtarief van € 250,00) en zal [verweerder 1] veroordelen tot betaling van dit bedrag aan [verzoeker] . Ten aanzien van de overige aan [verzoeker] gefactureerde uren, is niet duidelijk waarop deze betrekking hebben.
proceskosten
4.33.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder 1] omdat zij overwegend ongelijk krijgt en zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.999,00 (€ 714,00 aan griffierecht, € 1.107,00 aan salaris advocaat en € 178,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.34.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoeken jegens [verweerder 2] en [verweerder 3] ,
5.2.
veroordeelt [verweerder 1] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 55.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
5.3.
vernietigt het non-concurrentiebeding en het daaraan gekoppelde boetebeding in de arbeidsovereenkomst,
5.4.
veroordeelt [verweerder 1] om aan [verzoeker] de buitengerechtelijke kosten te betalen van € 10.825,00,
5.5.
veroordeelt [verweerder 1] in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [verweerder 1] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst af het meer of anders verzochte,
Deze beschikking is gegeven door mr. Luijks en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.