De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige vanwege een acute en ernstige bedreiging in de thuissituatie bij de moeder en stiefvader. De minderjarige geeft aan geslagen en uitgescholden te worden en ervaart onveiligheid, terwijl de moeder en stiefvader dit ontkennen. De minderjarige verblijft sinds 22 oktober 2025 bij de biologische vader, waar hij zich veilig voelt.
Tijdens de zitting, gehouden op 30 oktober 2025, zijn alle betrokkenen gehoord. De moeder verzet zich tegen de uithuisplaatsing, maar niet tegen de ondertoezichtstelling. De stiefvader ontkent een alcoholprobleem. De biologische vader en de gecertificeerde instelling ondersteunen het verzoek van de Raad. De kinderrechter concludeert dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd en dat de maatregel noodzakelijk is.
De kinderrechter handhaaft de eerder genomen spoedbeslissing van 22 oktober 2025 en verlengt de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing tot 22 januari 2026. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geregistreerd in het gezagsregister. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.