ECLI:NL:RBZWB:2025:7790

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
C/02/441098 / JE RK 25-1891
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens onveilige thuissituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige vanwege een acute en ernstige bedreiging in de thuissituatie bij de moeder en stiefvader. De minderjarige geeft aan geslagen en uitgescholden te worden en ervaart onveiligheid, terwijl de moeder en stiefvader dit ontkennen. De minderjarige verblijft sinds 22 oktober 2025 bij de biologische vader, waar hij zich veilig voelt.

Tijdens de zitting, gehouden op 30 oktober 2025, zijn alle betrokkenen gehoord. De moeder verzet zich tegen de uithuisplaatsing, maar niet tegen de ondertoezichtstelling. De stiefvader ontkent een alcoholprobleem. De biologische vader en de gecertificeerde instelling ondersteunen het verzoek van de Raad. De kinderrechter concludeert dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd en dat de maatregel noodzakelijk is.

De kinderrechter handhaaft de eerder genomen spoedbeslissing van 22 oktober 2025 en verlengt de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing tot 22 januari 2026. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geregistreerd in het gezagsregister. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het verzoek van de Raad toe en verlengt de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing tot 22 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441098 / JE RK 25-1891
Datum uitspraak: 30 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
formeel wonende te [plaats 1] ,
maar feitelijk verblijvende te [plaats 2] ,
advocaat mr. M.S. Krol uit Rotterdam,
[de biologische vader],
hierna te noemen de (biologische) vader,
wonende te [plaats 3] ,
[de stiefvader],
hierna te noemen de stiefvader,
wonende te [plaats 2] .
Als informant wordt aangemerkt:
De gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING ROTTERDAM RIJNMOND, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 22 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met advocaat mr. F. Pool namens de moeder;
  • de (biologische) vader;
  • de stiefvader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 29 oktober 2025 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] staat in het BRP ingeschreven op het adres van de stiefvader.
2.3.
Bij voormelde beschikking van 22 oktober 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 oktober 2025 tot 5 november 2025 en heeft zij een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de biologische vader met ingang van 22 oktober 2025 tot 5 november 2025.
2.4.
Op basis van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing verblijft [minderjarige] bij de (biologische) vader.

3.Het inleidende verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de (biologische) vader te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad legt aan zijn verzoek ten grondslag dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat de gronden voor een voorlopige ondertoezichtstelling zijn vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen.
Naar de mening van de Raad bestaat de acute en ernstige bedreiging uit de door [minderjarige] ervaren onveiligheid in de thuissituatie bij de moeder, waarbij [minderjarige] zou worden geslagen en uitgescholden. [minderjarige] zou dit al langdurig bij veel verschillende hulpverlening aangeven, hetgeen heeft geleid tot een vrijwillige plaatsing bij de vader en de inzet van Ambulante Spoed Hulp (ASH) in de thuissituatie bij de moeder. Ook geeft [minderjarige] aan veel op de jongere kinderen te moeten passen en veel huishoudelijke taken te moeten doen.
Volgens [minderjarige] zouden zowel zijn moeder als stiefvader gauw boos op hem worden, waarbij er tegen hem wordt geschreeuwd en hij wordt geslagen. Tussen de moeder en stiefvader onderling is ook ruzie, waarbij agressie wordt gebruikt en waar de politie aan te pas heeft moeten komen. Bij de stiefvader zou sprake zijn van overmatig alcoholgebruik.
De moeder en stiefvader ontkennen [minderjarige] te hebben geslagen. De moeder vindt het naar haar zeggen lastig hulpverlening te vertrouwen en geeft aan niet altijd alles te hebben gedeeld met de hulpverlening waar ze hulp bij nodig had. De Raad heeft hier grote zorgen over. Daarbij heeft de moeder op 16 oktober 2025 aangegeven dat zij niet wil dat het wijkteam met [minderjarige] praat, waardoor deze geen zicht meer heeft op de situatie van [minderjarige] . Ook heeft de moeder haar toestemming ingetrokken dat [minderjarige] bij de vader verblijft met wie er, mondeling, een zorg- en contactregeling was afgesproken van week op week af.
Bij zijn vader voelt [minderjarige] zich veilig. [minderjarige] wil daar blijven.
Om deze reden acht de Raad daarnaast een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
Ter zitting blijft de Raad bij zijn verzoek. De Raad hoort de moeder tijdens de zitting (wederom) de zorgen ontkennen. Naar de mening van de Raad zal dat het lastig maken om de volgende stap te kunnen zetten en [minderjarige] zich serieus genomen voelt door moeder en stiefvader. Gezien wordt dat [minderjarige] van de huidige situatie veel ongemak ervaart.
4.2.
De moeder verzet zich niet tegen het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling.
De moeder heeft wel bezwaar tegen het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing. De moeder wil het liefste dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer bij haar komt wonen. Daarbij verklaart de moeder open te staan voor alle benodigde hulp in de thuissituatie, behoudens van het wijkteam. De moeder en stiefvader hebben daarin geen vertrouwen meer, omdat zij volgens hen “dingen achter hun rug om doen” en zij “problemen aankaarten die er niet toe doen”.
De moeder ontkent dat [minderjarige] bij haar in de thuissituatie zou worden geslagen.
Volgens de moeder wordt er bij hen weleens wat gestoeid en zal [minderjarige] dat mogelijk wat anders opvatten. De dag voorafgaande aan de zitting heeft de moeder [minderjarige] telefonisch nog gesproken. [minderjarige] vertelde toen aan zijn moeder dat hij het weer wilde proberen om thuis te komen wonen en dat hij zijn verontschuldigingen wilden aanbieden over wat hij over zijn moeder en stiefvader had gezegd. De moeder hoort dat [minderjarige] tegen de Raad en tegen de kinderrechter anders zou hebben verklaard. De moeder heeft daarover haar zorgen en zou graag willen weten waar de zorgelijke uitspraken van [minderjarige] precies vandaan komen.
Volgens de moeder bevindt [minderjarige] zich in elk geval in een loyaliteitsconflict en hebben de zorgelijke uitspraken van [minderjarige] zich geopenbaard juist op het moment dat het wijkteam de zorg- en contactregeling wijzigde naar een 50/50 regeling.
Concluderend verzoekt de moeder primair om het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing af te wijzen en subsidiair om deze maatregel te verlenen voor de duur van hooguit één tot anderhalve maand.
4.3.
De stiefvader onderschrijft de visie en het standpunt van de moeder. Hij betwist daarbij ten stelligste een alcoholprobleem te hebben. Volgens de stiefvader is hij enkel een gelegenheidsdrinker.
4.4.
De biologische vader brengt naar voren dat hij zijn zorgen heeft over de thuissituatie bij de moeder en stiefvader. [minderjarige] wordt daar kennelijk geconfronteerd met alcoholproblematiek aan de zijde van de stiefvader en kennelijk wordt [minderjarige] daar door zijn ouders geslagen. Naar de mening van de vader bezorgt die situatie [minderjarige] veel stress. Volgens de vader komt [minderjarige] bij hem tot rust, waardoor hij het nu ook op school beter doet. Dit neemt volgens de vader niet weg dat hij zich open blijft opstellen voor contact tussen [minderjarige] en zijn moeder en stiefvader. Met het verzoek van de Raad stemt de vader in.
4.5.
De GI voert aan dat het lang geduurd heeft voordat [minderjarige] bij de hulpverlening zijn verhaal durfde te doen. Volgens de GI is zij momenteel bezig om tussen [minderjarige] , en in eerste instantie zijn moeder, een tweede begeleid omgangscontact te regelen. [minderjarige] staat daarvoor open. Tijdens het eerste omgangscontact was de begeleider heel even weg. Kennelijk is er op dat moment iets tussen de moeder en [minderjarige] voorgevallen. Te zien was daarna dat [minderjarige] dat niet fijn had gevonden. Naar de mening van de GI moet met zorg naar de onveiligheid en de onrust die [minderjarige] bij de moeder en stiefvader ervaart gekeken worden.
Stapje voor stapje dient bekeken te worden hoe verder kan worden gekomen. Volgens de GI heeft zij inmiddels ook contact gehad met school. Voor [minderjarige] zal een IQ-onderzoek worden ingezet, ook om te kunnen bezien naar welk onderwijs hij kan gaan uitstromen.
Het vermoeden bestaat dat [minderjarige] nog zit met een trauma. Ook in dat opzicht moet [minderjarige] worden geholpen. Naar de mening van de GI dient al met al een gedegen hulpverleningsplan te worden opgesteld. Bij de biologische vader geeft [minderjarige] aan nu veel rust te ervaren.
De GI ondersteunt in het belang van de minderjarige het verzoek van de Raad.
4.6.
[minderjarige] heeft tegen de kinderrechter verteld dat zijn stiefvader geregeld teveel alcohol drinkt en dat zijn stiefvader hem dan vaak ging slaan. Daarbij betreurt [minderjarige] dat zijn moeder daarover ook op school liegt en geen openheid geeft, zodat zij niet in de problemen zal komen. Sinds [minderjarige] bij zijn biologische vader woont gaat het beter, ook in het contact met zijn moeder.
Vanwege zijn verblijf bij de vader verklaart [minderjarige] zijn zusjes erg te missen. Via face-time heeft [minderjarige] soms nog contact met hen. Op enig moment kwam er vanuit Veilig Thuis en vanuit het wijkteam hulp. Volgens [minderjarige] vond zijn moeder dat ook niet prettig. [minderjarige] vind alle hulp wel prettig, zodat hij geholpen wordt en er eindelijk naar hem geluisterd wordt. [minderjarige] wil het liefste bij zijn vader blijven wonen. Volgens [minderjarige] wilde hij dat eigenlijk al heel lang. [minderjarige] zou het liefste eenmaal per veertien dagen gedurende een weekend naar zijn moeder en zusjes willen gaan. [minderjarige] wil dat rustig opbouwen.

5.De nadere beoordeling

Spoedbeslissing voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
De kinderrechter verwijst naar de beschikking van 22 oktober 2025. Hierbij is [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI gesteld en is een machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 22 oktober 2025 tot 5 november 2025 verleend, zonder daaraan voorafgaand verhoor van de betrokkenen.
5.2.
Tijdens de zitting zijn de moeder, de biologische vader, de stiefvader en de GI in de gelegenheid gesteld om hun zienswijzen op het verzoek kenbaar te maken. De kinderrechter dient te beoordelen of er tijdens die zitting nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 22 oktober 2025 zou moeten worden herroepen.
5.3.
De kinderrechter stelt vast dat hiervan geen sprake is en dat daarom de spoedbeslissing in stand blijft.
Wettelijk kader
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [2] Hij legt hieronder uit waarom.
De kinderrechter overweegt hierbij dat er al langere tijd zorgen bestaan over uitlatingen van [minderjarige] dat hij door zijn moeder en stiefvader mentaal en fysiek wordt mishandeld. Zo zou de stiefvader te veel alcohol drinken. De stiefvader zou [minderjarige] dan slaan. De moeder en stiefvader ontkennen dit. Tegen zowel de GI als tegen de kinderrechter heeft [minderjarige] echter aangegeven, dat hij zich in de thuissituatie bij de moeder niet veilig voelt. Of de uitlatingen van [minderjarige] nu waar zijn of niet: in beide situaties is het zorgelijk. Als het waar is spreken de zorgen hierover voor zichzelf. Ook indien het niet waar zou zijn, moet duidelijk worden waarom [minderjarige] die uitspraken zou doen. Hoe dan ook verdient de ontstane situatie nader onderzoek. De moeder wil ook dat uitgezocht wordt waarom [minderjarige] de uitlatingen heeft gedaan. Ook om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen zal de kinderrechter het verzoek van de Raad voor het overige toewijzen en zal hij de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing uitspreken voor de verzochte duur.
Hierbij wordt in aanmerking genomen dat eerdere vrijwillige hulp ontoereikend is geweest.
Gezagsregister
5.6.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.8.
Kindbrief
[minderjarige] heeft in zijn gesprek tegen de kinderrechter gezegd dat hij graag zelf een briefje krijgt met de beslissing daarin. De kinderrechter zal [minderjarige] daarom informeren per brief.
In de brief is het volgende opgenomen:
Beste [minderjarige] ,
Op 29 oktober 2025 heb je op de rechtbank met mij gepraat. Ik vond het een heel fijn gesprek, waarin je duidelijk jouw mening hebt gegeven.
Op 30 oktober 2025 was de zitting bij de rechtbank, waarvoor jouw moeder, stiefvader en biologische vader waren uitgenodigd. Ook mensen die werken bij de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdbescherming waren uitgenodigd.
Na afloop van de zitting heb ik gelijk mondeling mijn beslissing verteld. Mijn beslissing is dat ik de verzoeken van de Raad voor de Kinderbescherming heb toegewezen. Dit betekent dat de hulp die jij en je ouders nu hebben moet doorgaan en dat er door Jeugdbescherming moet worden bekeken wat nog meer nodig is om jullie te helpen. Ook is mijn beslissing dat je voorlopig bij je vader mag blijven wonen.Jeugdbescherming zal ook kijken op welke manier en wanneer je contact kunt hebben met je moeder, stiefvader en zusjes. Dat moet gebeuren op een manier die voor jou prettig is.
Ik hoop dat door deze brief voor jou duidelijk is wat de beslissingen van de rechtbank zijn.
Ik wens je heel veel succes toe en hoop dat het goed met je gaat.
Vriendelijke groeten,
de kinderrechter.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 5 november 2025 tot 22 januari 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de biologische vader met ingang van 5 november 2025 tot 22 januari 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 13 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.