ECLI:NL:RBZWB:2025:7833

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 september 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
C/02/428662 FA RK 24-5276
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bollen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:99 lid 1 BWArt. 3:299 lid 1 BWArt. 3:300 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en verdeling algehele gemeenschap van goederen met verkoop woning en verrekening inboedel en bankrekeningen

Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen sinds 1975 en verzoeken de echtscheiding uit te spreken en de verdeling van de gemeenschap van goederen te regelen.

De rechtbank stelt vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en spreekt de echtscheiding uit. De woning wordt verkocht omdat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de woning kan overnemen en de vrouw wordt uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek ontslagen. De verkoopopbrengst wordt na aflossing van de hypotheek en kosten gelijk verdeeld.

De inboedel is grotendeels bij de man achtergebleven, maar de rechtbank waardeert deze lager dan door de vrouw gesteld en bepaalt dat de man aan de vrouw een vergoeding van € 1.000 betaalt wegens overbedeling. De saldi van drie bankrekeningen worden bij helfte verdeeld. De auto wordt aan de man toegewezen met een vergoeding van € 1.500 aan de vrouw.

De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen. Het verzoek van de man tot toedeling van de woning wordt afgewezen, evenals de verzoeken van de vrouw tot machtiging tot verkoop zonder medewerking van de man.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, woning wordt verkocht en opbrengst verdeeld, inboedel en auto toegewezen met vergoeding, bankrekeningen verdeeld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/428662 FA RK 24-5279 (echtscheiding)
C/02/430994 FA RK 25-307 (verdeling)
datum uitspraak: 29 september 2025
beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. L.A.P. van Haperen,
en
[de man],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. P.F.M. Gulickx.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 13 november 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 24 december 2024 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
- het op 14 januari 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de brief van mr. Gulickx van 29 juli 2025 met bijlagen, waaronder het formulier Verdelen en verrekenen van de man;
- het formulier Verdelen en verrekenen van de vrouw, ingediend door mr. Van Haperen op 4 augustus 2025.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 1 september 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2.De feiten

2.1.
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 1975 in de gemeente Breda met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen;
- zij hebben de Nederlandse nationaliteit.
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt, samengevat,
- echtscheiding;
- gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen zoals door haar is vermeld in het verzoekschrift en het verweerschrift op zelfstandig verzoek.
De man verzoekt, samengevat,
- primair: het echtscheidingsverzoek van de vrouw af te wijzen;
- subsidiair: indien het echtscheidingsverzoek wordt toegewezen;
  • het verzoek van de vrouw om de echtelijke woning te verkopen en de opbrengst van de verkoop van de woning bij helfte tussen partijen te verdelen, af te wijzen,
  • het verzoek van de vrouw de door haar genoemde inboedelgoederen (schilderij van haar vader, een Japans schilderij, zilveren messen van haar tante en haar persoonlijke eigendommen) aan de vrouw worden toebedeeld, toe te wijzen,
  • het verzoek van de vrouw om de gezamenlijke rekening op te heffen en dat ieder der partijen de bankrekening op eigen naam toebedeeld krijgt, met daarbij 50/50 verdeling van de saldi op de diverse bankrekeningen toewijzen,
  • het verzoek van de vrouw om de auto aan de man toe te bedelen, met een vergoedingsplicht van de man jegens de vrouw van € 1.500,= toe te wijzen;
- als voorwaardelijk zelfstandig verzoek:
  • primair: te bepalen dat de echtelijke woning aan de man wordt toebedeeld, waarbij de man de vrouw uitkoopt voor de helft van de overwaarde en daarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld,
  • subsidiair: indien de overname van de woning door de man niet mogelijk is, de echtelijke woning te verkopen en de opbrengst van de verkoop van de woning bij helfte tussen partijen te verdelen.

4.De beoordeling

Echtscheiding
4.1.
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken op de grond dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft deze stelling van de vrouw in zijn verweerschrift betwist. Op de mondelinge behandeling heeft de man verklaard het er nu mee eens te zijn dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat partijen al geruime tijd niet meer samenwonen en er geen intentie is om de samenwoning te hervatten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het huwelijk als duurzaam ontwricht moet worden aangemerkt. Daar zijn partijen het uiteindelijk ook zelf over eens gebleken. Het verzoek tot echtscheiding zal daarom worden toegewezen.
Verdeling van de huwelijksgemeenschap
4.3.
Partijen zijn gehuwd in algehele (wettelijke) gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van deze gemeenschap moet als uitgangspunt worden aangenomen dat partijen in gelijke mate delen in de goederen van de gemeenschap, terwijl ieder de schulden van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
4.4.
De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef Pro en sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 13 november 2024. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.
De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken. Op de mondelinge behandeling is vastgesteld dat beide partijen uitgaan van de datum waarop de verdeling plaatsvindt als zijnde de peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap.
4.5.
De gemeenschap bestond op de peildatum van 13 november 2024, volgens opgave van partijen zelf, uit de volgende bestanddelen:
Goederen
- de echtelijke woning aan de [adres] ;
- de inboedelgoederen;
- de saldi op de bankrekeningen, te weten met de nummers [rekeningnummer 1] (een ‘en/of’-betaalrekening), [nummer 1] (een ‘en/of’-spaarrekening) en [rekeningnummer 2] (een betaalrekening van de vrouw);
- de auto van het merk Ford C-Max met kenteken [kenteken] .
Schulden
- de hypothecaire geldlening bij [bedrijf] verbonden aan de echtelijke woning, bestaande uit een leningdeel aflossingsvrije hypotheek met [nummer 2] en een leningdeel annuïteitenhypotheek met [nummer 3] .
De echtelijke woning aan de [adres] en de hypothecaire geldlening bij [bedrijf]
4.6.
De door de vrouw voorgestane wijze van verdeling van de echtelijke woning is dat deze verkocht wordt, dat uit de verkoopopbrengst de schuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening wordt voldaan en partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de resterende overwaarde. Daartoe verzoekt de vrouw te bepalen dat partijen [makelaar] te [plaats] binnen vier weken na de datum van de beschikking tot echtscheiding een opdracht tot verkoop van de woning dienen te geven; dat indien partijen niet binnen die vier weken gezamenlijk die opdracht hebben gegeven ieder van hen afzonderlijk is bevoegd tot het verstrekken van de verkoopopdracht aan deze makelaar en dat indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverstrekking in slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de woning te koop zal aanbieden tegen een door hem te bepalen, voor partijen bindende, marktconforme vraagprijs. Verder verzoekt zij te bepalen dat indien partijen er niet in slagen overeenstemming te bereiken over de verkoopprijs voormelde makelaar de verkoopprijs bindend voor partijen zal vaststellen; dat partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan een eventueel benodigd notarieel transport van het onroerend goed aan de koper en dat iedere partij is gehouden de helft van de kosten van voormelde makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen. Indien het onroerend goed wordt verkocht, zal de verkoopopbrengst (minus de verkoopkosten, waaronder de makelaarskosten, taxatiekosten en eventuele notariële kosten) bij helfte tussen partijen worden verdeeld. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw daaraan toegevoegd dat voordat de verkoopopbrengst wordt verdeeld de hypothecaire geldlening bij [bedrijf] dient te worden afgelost. Tot slot verzoekt de vrouw, samengevat, te bepalen dat, voor het geval de man niet voldoet aan voorgaande, zij wordt gemachtigd tot het verrichten van handelingen tot verkoop en levering van de woning en daarnaast te bepalen dat de beschikking in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering waaruit de wilsverklaring van de man moet blijken dat hij instemt met verkoop en/of levering van de woning.
De vrouw stemt er niet mee in dat de man eerst de gelegenheid moet krijgen om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen, omdat hij die gelegenheid al ruimschoots heeft gehad. De man is al sinds september 2024 op de hoogte van de wens van de vrouw om de woning te verkopen. Hij heeft geen enkel bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat hij over de financiële middelen beschikt om de woning over te nemen, noch heeft hij een taxatie laten verrichten. De man heeft een inkomen van beperkte omvang. Bovendien zijn de mogelijkheden om de financiering rond te krijgen beperkt gelet op zijn leeftijd (72 jaar).
4.7.
De man verzoekt primair te bepalen dat de echtelijke woning aan hem wordt toebedeeld, waarbij hij de vrouw uitkoopt voor de helft van de overwaarde en dat daarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Subsidiair verzoekt hij, indien de overname van de woning door de man niet mogelijk is, te bepalen dat de woning wordt verkocht en dat de opbrengst van de verkoop bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.
Op de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij als gevolg van zijn medische situatie (hij heeft een herseninfarct gehad in voorjaar 2025) niet eerder dan afgelopen week stappen heeft kunnen ondernemen in het onderzoek naar de vraag of hij detoebeling van de woning aan hem kan financieren. Hij heeft daartoe contact gehad met zijn hypotheekadviseur. Duidelijk is dat op grond van alleen zijn eigen inkomen hij niet in staat is de woning over te nemen. Hij is echter doende te onderzoeken of dat wel mogelijk is samen met zijn zoon (en zijn inkomen). Volgens de man heeft de hypotheekadviseur een mondelinge toezegging gedaan dat dat een mogelijkheid zou zijn.
4.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn al sinds mei 2024 feitelijk uiteen. De man heeft in zijn verweerschrift van 24 december 2024 aangegeven dat hij de wens heeft om de woning toegedeeld te krijgen en dat hij gaat onderzoeken of hij de financiering voor overname van de woning kan rondkrijgen. Op de datum van de mondelinge behandeling is hierover nog geen enkele informatie ingediend. Gegevens over het inkomen en vermogen van de man (en de zoon) en een advies van een financieel (hypotheek)adviseur over de mogelijkheden om toedeling van de woning te financieren, zijn niet in het geding gebracht. Ook is er nog geen taxatie van de woning verricht. De rechtbank acht de stelling van de man dat hij in staat is de overname van de woning te financieren, met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire lening, daarom onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is er bij deze stand van zaken allerminst van overtuigd dat de man de toedeling van de woning aan hem, met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, kan financieren. Daarom zal de rechtbank beslissen dat de woning dient te worden verkocht aan een derde, dat de verkoopopbrengst moet worden aangewend voor de aflossing van de schuld uit hoofde van de hypothecaire geldleningsovereenkomst en dat de resterende overwaarde tussen partijen moet worden verdeeld. Dit betekent dat het verzoek van de man zal worden afgewezen. Het - verder onweersproken gebleven - verzoek van de vrouw zal worden toegewezen, met uitzondering van de verzoeken van de vrouw gegrond op artikel 3:299 lid 1 BW Pro (machtiging van de vrouw om zonder de man de (rechts)handelingen te verrichten voor de verkoop en levering van de woning) en gegrond op artikel 3:300 lid 2 BW Pro (het in de plaats treden van de beschikking voor de wilsverklaring van de man in verkoop- en/of leveringsakte). De rechtbank acht deze verzoeken niet toewijsbaar, omdat daaraan iedere feitelijke en juridische onderbouwing ontbreekt.
De inboedelgoederen
4.9.
De vrouw heeft oorspronkelijk verzocht de inboedelgoederen te verdelen, waarbij zij toegedeeld wil krijgen: een schilderij van haar vader (een roos), een Japans schilderij (gemaakt door haar broer), zilveren messen van haar tante (in de keuken in de la) en haar persoonlijke eigendommen (waaronder haar kleding). Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw, na een debat over het al dan niet nog aanwezig zijn van deze goederen in de echtelijke woning, haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij nu verzoekt de volledige inboedel aan de man toe te delen, waarbij hij een bedrag van € 2.500,= aan haar dient te vergoeden wegens overbedeling.
4.10.
De man heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat de door vrouw gestelde goederen aan haar kunnen worden toegedeeld, maar dat hij deze goederen niet bezit. Op de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat hij het schilderij van de vader van de vrouw en het schilderij van de broer van de vrouw heeft weggegooid na het vertrek van de vrouw uit de woning. De man heeft dit gedaan, omdat de vrouw tijdens het huwelijk van hem ook persoonlijke spullen heeft weggegooid. Wel is er nog kleding van de vrouw aanwezig en mogelijk ook nog de zilveren messen. De vrouw kan deze komen ophalen, aldus de man.
In reactie op het gewijzigd verzoek heeft hij op de mondelinge behandeling verklaard dat de totale inboedel minder dan € 5.000,= waard is.
4.11.
De rechtbank overweegt dat partijen geen overzicht hebben overgelegd waaruit blijkt waar de inboedel uit bestaat en wat de waarde daarvan is. Partijen hebben hun standpunten hierover niet nader (met stukken) onderbouwd. De rechtbank zal gelet hierop bepalen dat iedere partij de inboedelgoederen behoudt die hij of zij onder zich heeft, met dien verstande dat de kleding van de vrouw en de zilveren missen aan de vrouw worden toebedeeld. Gelet op het voorgaande is de man overbedeeld, omdat niet in geschil is dat de gehele inboedel bij de man in de woning is achtergebleven. De door de vrouw gestelde waarde van de inboedel van € 5.000,= acht de rechtbank echter niet reëel. Op basis van de verklaringen van partijen op de mondelinge behandeling, waarbij gebleken is dat geen antieke zaken of andere waardevaste (kunt)objecten tot de inboedel behoren, schat de rechtbank de actuele, onderhandse verkoopwaarde van de tweedehands inboedel, , op € 2.000,=. Dit betekent dat de man aan de vrouw een bedrag van € 1.000,= dient te vergoeden wegens overbedeling.
De saldi op de bankrekeningen
4.12.
Op de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het eens zijn over de verdeling van de saldi op de peildatum (bij dit bestanddeel van de gemeenschap: de datum van indiening van het verzoekschrift). Het saldo op de betaalrekening van partijen met nummer [rekeningnummer 1] bedroeg € 182,11; het saldo op de spaarrekening van partijen met nummer [nummer 1] bedroeg € 14.316,54 en het saldo op de betaalrekening van vrouw met nummer [rekeningnummer 2] bedroeg € 5.000,51. Partijen zijn het erover eens dat zij de saldi van deze drie bankrekeningen bij helfte zullen verdelen binnen vier weken na de datum van de beschikking tot echtscheiding.
4.13.
Volgens de ingediende formulieren Verdelen en verrekenen zijn partijen het erover eens dat zij de ‘en/of’-bankrekeningen na verdeling van de saldi zullen opheffen. De bankrekening op naam van de vrouw zal door de vrouw worden voortgezet.
De auto van het merk Ford C-Max met kenteken [kenteken]
4.14.
Partijen zijn het erover eens dat de auto aan de man kan worden toebedeeld, waarbij zij uitgaan van een waarde van de auto van € 3.000,=, zodat de man aan de vrouw wegens overbedeling dient te voldoen een bedrag van € 1.500,= binnen vier weken na de datum van de beschikking tot echtscheiding.
Proceskosten
4.15.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 1975 in de gemeente [plaats] met elkaar gehuwd;
5.2.
gelast, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen op de navolgende wijze:
5.2.1.
ten aanzien van de woning aan [adres] :
  • partijen dienen [makelaar] te [plaats] binnen vier weken na de datum van deze beschikking tot echtscheiding een opdracht tot verkoop te geven;
  • indien partijen niet binnen die vier weken gezamenlijk een opdracht hebben gegeven tot de verkoop, dan is ieder van hen afzonderlijk bevoegd tot het verstrekken aan een opdracht aan [makelaar] te [plaats] tot verkoop van de woning;
  • indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverstrekking in slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, dan zal genoemde makelaar de woning te koop aanbieden tegen een door hem te bepalen, voor partijen bindende, marktconforme vraagprijs;
  • indien partijen er niet in slagen overeenstemming te bereiken over de verkoopprijs, dan zal voormelde makelaar de verkoopprijs bindend voor partijen vaststellen;
  • partijen zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan een eventueel benodigd notarieel transport van het onroerend goed aan de koper;
  • iedere partij is gehouden de helft van de kosten van voormelde makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;
  • indien het onroerend goed wordt verkocht, dient de hypothecaire geldlening bij [bedrijf] , bestaande uit een leningdeel aflossingsvrije hypotheek met [nummer 2] en een leningdeel annuïteitenhypotheek met [nummer 3] , te worden afgelost, waarna na het voldoen van de verkoopkosten (waaronder de makelaarskosten, taxatiekosten en eventuele notariële kosten) het restant van de verkoopopbrengst bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;
5.2.2.
deelt de inboedelgoederen tegen een waarde van € 2.000,= toe aan de man, onder vergoeding van de helft van de waarde, te weten € 1.000,=, aan de vrouw;
5.2.3.
bepaalt dat de saldi op de betaalrekening met nummer [rekeningnummer 1] (€ 182,11), de spaarrekening met nummer [nummer 1] (€ 14.316,54) en de betaalrekening met nummer [rekeningnummer 2] (€ 5.000,51) tussen partijen bij helfte dienen te worden verdeeld binnen vier weken na de datum van deze beschikking;
5.2.4.
deelt de auto van het merk Ford C-Max met kenteken [kenteken] tegen een waarde van € 3.000,= toe aan de man, onder vergoeding van de helft van de waarde, te weten € 1.500,=, aan de vrouw, te voldoen binnen vier weken na de datum van deze beschikking;
5.3.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. Tillie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 september 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.