ECLI:NL:RBZWB:2025:7842

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
C/02/405956 / FA RK 23-514
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wijziging hoofdverblijf en vaststelling geen zorgregeling tussen moeder en minderjarige

In deze zaak verzocht de vrouw om wijziging van het hoofdverblijf van haar minderjarige kind en om vaststelling van een zorgregeling met de vader. De rechtbank hield de behandeling aan om de verzoeken gezamenlijk te behandelen met een verlenging van ondertoezichtstelling. De minderjarige gaf aan voorlopig geen contact met haar moeder te willen vanwege de aanwezigheid van de stiefvader en de thuissituatie.

De vrouw trok haar verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf in en wijzigde haar verzoek tot het volledig beëindigen van de zorgregeling met de minderjarige. Zij gaf aan het contact met haar dochter te willen verbreken vanwege beschuldigingen die veel impact hadden en het gebrek aan vertrouwen in de gecertificeerde instelling en de vader.

De vader steunde het gewijzigde verzoek en gaf aan dat de minderjarige het goed doet bij hem en voorlopig geen contact met haar moeder wil. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de rechtbank het verzoek van de vrouw toe te wijzen om rust te creëren voor de minderjarige en de moeder.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf niet meer beoordeeld kon worden vanwege de intrekking door de vrouw. De zorgregeling werd gewijzigd door vast te stellen dat er geen zorgregeling geldt tussen de vrouw en de minderjarige. De rechtbank hoopte dat na een periode van rust ruimte ontstaat voor contactherstel.

Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf is afgewezen en er geldt geen zorgregeling tussen de moeder en de minderjarige.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/405956 / FA RK 23-514
datum uitspraak: 1 oktober 2025
nadere beschikking betreffende wijziging hoofdverblijf en zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw], hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. drs. L. Verheuvel te Middelburg,
tegen
[de man] ,hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. J.C. van den Doel te Zierikzee,
Als belanghebbende in onderhavige zaak wordt aangemerkt:
-
Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI), gevestigd te Middelburg.
Als informant in onderhavige zaak wordt aangemerkt:
- [de stiefvader] , hierna te noemen de stiefvader.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank van 9 mei 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- de brief van mr. Verheuvel van 23 juni 2025;
1.2
Het verzoek is nader mondeling behandeld op 29 augustus 2025, gelijktijdig met het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , welke procedure bij de rechtbank bekend is onder zaak- en rekestnummer C/02/432917 JE RK 25-456. Op dit verzoek is bij separate beschikking beslist. Bij die gelegenheid zijn verschenen mr. Verheuvel namens de vrouw, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Ook waren aanwezig en vertegenwoordigster van de GI en een vertegenwoordigster van de Raad. De vrouw is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
1.3
[minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van het verzoek vindt. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door middel van het sturen van een brief.

2.De verdere beoordeling

2.1
De rechtbank verwijst naar de beschikking van 9 mei 2025. Hierin is de zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] voorlopig opgeschort en is de verdere behandeling van het verzoek aangehouden tot de mondelinge behandeling van 29 augustus 2025 om gezamenlijk te kunnen worden behandeld met het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling. De behandeling van de zaak is aangehouden vanwege de uitspraken van [minderjarige] en ieders (emotionele) reactie daarop. De rechtbank heeft aan de GI de opdracht meegegeven om met [minderjarige] in gesprek te gaan en vervolgens met de ouders (en de stiefvader) om daarna een veiligheidsplan op te stellen.
2.2
Op dit punt in de procedure moet de rechtbank nog een beslissing nemen op de volgende verzoeken van de vrouw:
- dat het hoofdverblijf van de minderjarige, [minderjarige] , met ingang van 5 juli 2025 wordt gewijzigd en wordt vastgesteld bij de vrouw;
- dat tussen de man en [minderjarige] met ingang van 5 juli 2025 een zorgregeling zal worden vastgesteld, onder wijziging van de zorgregeling die bij beschikking van 20 april 2021 werd vastgesteld, waarbij de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar overeenkomstig het ouderschapsplan van 27 augustus 2024, waarbij dit ouderschapsplan aan de te wijzen beschikking zal worden gehecht. Partijen verstaan hierbij dat zij in aanvulling op het ouderschapsplan overeengekomen zijn dat de man [minderjarige] zal wegbrengen naar het transferium in [plaats 3] , dat [minderjarige] van daaruit met [buslijn] rechtstreeks naar [plaats 4] zal reizen, waarbij de vrouw of haar partner [minderjarige] zullen ophalen bij het station in [plaats 4] .
De verdere standpunten
2.3
In haar brief aan de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat ze voorlopig niet meer naar haar moeder toe wil en zeker niet als haar stiefvader daarbij aanwezig is, omdat er in de situatie bij haar moeder thuis teveel is gebeurd.
2.4
In de brief van 23 juni 2025 heeft mr. Verheuvel de rechtbank namens de vrouw bericht dat [minderjarige] heeft verzonnen dat haar stiefvader haar en haar moeder heeft geslagen. De vrouw kan [minderjarige] niet meer vertrouwen en de aanwezigheid van [minderjarige] in haar gezin geeft een te groot risico ten opzichte van de andere kinderen. Blijkbaar heeft [minderjarige] dit opgezet om te verzekeren dat ze niet bij de vrouw moet gaan wonen. De man heeft de vrouw ook niet gesteund in het geheel en niet toegewerkt naar de overdracht van [minderjarige] . De vrouw heeft heel veel opgegeven om voor [minderjarige] te zorgen. De hele zaak drukt emotioneel zwaar op de vrouw. De vrouw staat niet langer meer open voor contact met [minderjarige] en zal niet (meer) meewerken aan opbouw van de omgang. De vrouw heeft geen vertrouwen in de GI en ook niet in onbegeleide omgang. De vrouw trekt haar verzoek om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen, zoals geformuleerd onder punt 1 in het verzoekschrift in. De vrouw wijzigt haar verzoek onder punt 2 zodat dit als volgt komt te luiden:
- dat tussen de vrouw en [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), onder wijziging van de zorgregeling die bij de beschikking van 20 april 2021 werd vastgesteld, geen contactregeling wordt vastgesteld.
2.5
Tijdens de zitting voert de advocaat van de vrouw aan dat de beschuldigingen die [minderjarige] heeft geuit veel impact hebben gehad op de vrouw. De vrouw heeft veel werk verzet om de band met [minderjarige] terug op te bouwen en ze kan het contact met haar nu, vanwege alle beschuldigingen, niet langer aan. De vrouw heeft ervoor gekozen om het contact met [minderjarige] volledig te verbreken. Ook wil zij niet meer geïnformeerd worden over [minderjarige] . De vrouw voelt zich onvoldoende gesteund door de GI en door de man. De GI heeft onvoldoende oog gehad voor de positie van de vrouw en de stiefvader. De vrouw zal niet dwars gaan liggen als er gezagsbeslissingen genomen moeten worden ten aanzien van [minderjarige] . Ook zal zij zich niet bemoeien met opvoedtaken. Het is nu aan de man om [minderjarige] verder op te voeden. De vrouw wil niet dat er een structurele zorgregeling vastligt, maar ook geen belemmering om misschien ooit weer wel contact te hebben.
2.6
Door en namens de man is tijdens de zitting aangevoerd dat hij het voor [minderjarige] erg jammer vindt dat haar moeder heeft besloten geen contact meer met haar te willen. Volgens de man was het vooral haar stiefvader waarmee [minderjarige] een slechte band had. Toch denkt de man dat [minderjarige] opgelucht is dat ze het heeft uitgesproken en dat ze nu bij haar vader mag blijven. [minderjarige] doet het goed bij de man thuis. De man heeft in samenspraak met de GI geregeld dat [minderjarige] naar school kan gaan. De gezondheid van de man gaat vooruit. Hij heeft recent nog een alcoholtest afgelegd en het resultaat daarvan was goed. De man heeft geen last van een nasleep na de klaplong die hij heeft gehad. De man kan goed samenwerken met de GI en hij weet de GI te vinden bij vragen. De man heeft tegen [minderjarige] gezegd dat het voor haar ontwikkeling belangrijk is dat ze toch nog de mogelijkheid tot contact met haar moeder openhoudt. Voor nu heeft [minderjarige] echter aan de man aangegeven dat ze voorlopig nog geen contact met haar moeder wil. De man begrijpt het verzoek van de vrouw tot wijziging van de zorgregeling gelet op de omstandigheden. De man voert daar dan ook geen verweer tegen. De man hoopt dat tijd alle wonden heelt en dat er in de toekomst toch contact tussen de vrouw en [minderjarige] kan zijn.
2.7
De Raad geeft tijdens de zitting aan dat het erg verdrietig is voor [minderjarige] dat haar moeder heeft besloten het contact met haar volledig te verbreken. De Raad adviseert het verzoek van de vrouw toe te wijzen. Vanuit de GI is geprobeerd om het contact tussen de vrouw en [minderjarige] op te starten of afspraken te maken over de zorgregeling maar dit is niet gelukt. De Raad denkt dat door het toewijzen van het verzoek van de vrouw er rust ontstaat. De Raad hoopt wel dat [minderjarige] de ruimte voelt en de ruimte kan pakken om zich een moederbeeld te vormen en dat er in de toekomst een vorm van contactherstel kan zijn op een manier die voor haar prettig is. De Raad hoopt dat de vrouw in de toekomst toch een rol in het leven van [minderjarige] kan gaan spelen.
De verdere inhoudelijke beoordeling
Hoofdverblijf
2.8
De vrouw heeft haar verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] ingetrokken. Gelet op deze intrekking kan dit verzoek niet meer worden beoordeeld. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Zorgregeling
2.9
Op basis van de stukken en hetgeen naar voren is gekomen tijdens de zitting is de rechtbank van oordeel dat het gewijzigde verzoek van de vrouw omtrent de zorgregeling moet worden toegewezen. De rechtbank betreurt het dat de vrouw de keuze heeft gemaakt om het contact met [minderjarige] te verbreken naar aanleiding van de uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan omtrent de situatie bij haar moeder en de stiefvader thuis. Het is zorgelijk als hetgeen [minderjarige] heeft verteld zich heeft voorgedaan maar het is ook zorgelijk als dit niet is gebeurd. [minderjarige] is nog erg jong en de keuze die de vrouw heeft gemaakt om het contact volledig te verbreken heeft een grote impact op haar. De rechtbank constateert dat de vrouw consistent is in haar keuze om het contact met [minderjarige] te verbreken. Hetgeen door haar advocaat op de zitting daarover naar voren is gebracht onderschrijft het standpunt van de vrouw. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het op dit moment voor rust zal zorgen bij [minderjarige] maar ook bij de vrouw, om te bepalen dat op dit moment tussen hen geen zorgregeling geldt. De rechtbank hoopt dat na een periode van rust er bij [minderjarige] en de vrouw ruimte zal ontstaan om te werken aan contactherstel zodat de vrouw op enige manier toch weer betrokken zal raken in het leven van [minderjarige] .
2.1
Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
wijst af het verzoek van de vrouw tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] ;
3.2
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 20 april 2021 en bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat geen zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] geldt.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025 door
mr. Dijkman, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Duerink-Bottinga als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.