Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.De procedure
- de aanvullende producties van [eiser] ,
- de aanvullende producties van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 23 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft [eiser], bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V., een kort geding aangespannen tegen [gedaagde] B.V. naar aanleiding van een besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA) van 1 augustus 2025, waarbij hij als bestuurder werd ontslagen. [eiser] vordert schorsing van dit ontslagbesluit en herinvoering van zijn bestuursfunctie, stellende dat het ontslag in strijd is met de statuten en dat er geen zwaarwegend belang voor het ontslag bestaat. De gedaagde partij, [gedaagde] B.V., voert verweer en stelt dat [eiser] niet ontvankelijk is, omdat [bedrijf 2] als aandeelhouder gedagvaard had moeten worden.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat [eiser] wel ontvankelijk is, omdat het besluit aan [gedaagde] kan worden toegerekend. Wat betreft de bevoegdheid oordeelt de voorzieningenrechter dat deze in Middelburg ligt, ondanks de bepalingen in de managementovereenkomst. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het (spoedeisend) belang van [eiser] beoordeeld en geconcludeerd dat hij onvoldoende belang heeft bij zijn vorderingen. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat het belang van [eiser] niet dringend genoeg is om de vordering toe te wijzen, aangezien het vooral om de continuïteit van [gedaagde] gaat. Daarom heeft de voorzieningenrechter de vordering afgewezen en [eiser] veroordeeld in de proceskosten, die zijn vastgesteld op € 1.999,00.