ECLI:NL:RBZWB:2025:7846

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
C/02/429642 / FA RK 24-5792
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:204 BWArt. 1:253c BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vervangende toestemming erkenning en vaststelling voorlopige omgangsregeling in familierechtelijke zaak

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de man tot vervangende toestemming voor erkenning van zijn minderjarige kind, vaststelling van gezamenlijk gezag en een omgangsregeling. De man en vrouw hadden een relatie waaruit het kind is geboren, maar de man had het kind niet erkend. De vrouw oefent eenhoofdig gezag uit. De man verzocht de erkenning en gezamenlijk gezag, en stelde een omgangsregeling voor.

De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden de erkenning toe te wijzen, gezien het belang van het kind en de feitelijke situatie. De vrouw maakte bezwaar tegen gezamenlijk gezag en stelde zorgen over de omgang, onder meer vanwege communicatieproblemen en zorgen over het gedrag van de man. De man trok het verzoek tot gezamenlijk gezag in en wilde de omgangsregeling vastgelegd zien.

De rechtbank besloot de vervangende toestemming voor erkenning toe te wijzen, het verzoek tot gezamenlijk gezag af te wijzen wegens intrekking, en een voorlopige omgangsregeling vast te stellen die aansluit bij de huidige praktijk. Tevens verwees zij de ouders en het kind naar het Uniform Hulpaanbod voor een (jeugd)hulpverleningstraject om de communicatie en opvoedsituatie te verbeteren. De definitieve beslissing over de omgang wordt aangehouden tot na het hulpverleningstraject, met een pro forma datum in juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor erkenning, wijst gezamenlijk gezag af en stelt een voorlopige omgangsregeling vast met verwijzing naar een hulpverleningstraject.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/429642 / FA RK 24-5792
Datum uitspraak: 1 oktober 2025
tussenbeschikking over vervangende toestemming erkenning, gezamenlijk gezag en vaststelling van een omgangsregeling
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. S. Karami in Amsterdam.
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
de minderjarige:
[minderjarige] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, hierna: [minderjarige] ,
vertegenwoordigd door mr. V.J.C. Pieters in haar hoedanigheid van bijzondere curator;
[de moeder] ,
hierna: de moeder,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. W. Tiggelaar in Middelburg.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
  • de in deze zaak op 5 juni 2025 gegeven beschikking van de rechtbank tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] en alle daarin vermelde stukken;
  • het op 22 juli 2025 ontvangen verslag van de bijzondere curator.
Na de zitting heeft de rechtbank nog ontvangen aan stukken:
  • het F9-formulier van mr. Tiggelaar van 4 september 2025;
  • het F9-formulier van mr. Karami van 5 september 2025.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 22 augustus 2025. Bij die behandeling is gekomen mr. Tiggelaar namens de vrouw en mr. A. Azauiyat, kantoorgenoot van mr. Karami, namens de man. Ook waren aanwezig de bijzondere curator en twee vertegenwoordigsters van de Raad.
De man en de vrouw zijn juist opgeroepen, maar niet gekomen.

2.De feiten

2.1
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Tijdens de relatie van partijen is [minderjarige] geboren.
2.2
Op de geboorteakte van [minderjarige] staat geen vader genoemd. De man heeft [minderjarige] niet erkend.
2.3
De vrouw oefent van rechtswege eenhoofdig het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
2.4
De man, de vrouw en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. Zij hebben allen hun gewone verblijfplaats in Nederland.

3.De verzoeken en de beoordeling

3.1
Aan de rechtbank ligt het verzoek van de man voor om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] . Ook moet de rechtbank een beslissing nemen op het verzoek van de man tot vaststelling van het gezamenlijk gezag en tot vaststelling van een omgangsregeling.
De standpunten
3.2
In zijn verzoekschrift voert de man het volgende aan. Partijen zijn in 2023 in goed overleg uit elkaar gegaan. De vrouw is toen naar [woonplaats 2] verhuisd. Het is er tijdens de relatie van partijen niet van gekomen om de erkenning te regelen. Nu wil de vrouw niet samen met de man de erkenning van [minderjarige] regelen. Voor beide partijen staat vast dat de man de verwekker van [minderjarige] is. De erkenning van [minderjarige] door de man schaadt het belang van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] niet. [minderjarige] heeft recht op duidelijkheid over haar afstamming. Naast de erkenning wil de man naast de vrouw met het gezag over [minderjarige] worden belast. Partijen hebben in het verleden alle beslissingen rondom [minderjarige] altijd in onderling overleg geregeld. De vrouw heeft alle contact met de man verbroken maar de man wil graag werken aan een goede communicatie met de vrouw. Er doen zich geen van de afwijzingsgronden uit artikel 1:253c BW voor. Gezamenlijk gezag is in het belang van [minderjarige] . In juli 2023 heeft de vrouw het contact tussen de man en [minderjarige] verbroken. Gelukkig vond er twee weken daarna wel weer contact plaats. De man ziet [minderjarige] om het weekend. De vrouw brengt [minderjarige] op vrijdag naar de man en de man brengt [minderjarige] op zondag terug bij de vrouw. De man verzoekt vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] . Er doen zich geen ontzeggingsgronden als bedoeld in artikel 1:377a BW voor. De man verzoekt een omgangsregeling vast te stellen waarbij er omgang tussen de man en [minderjarige] is één keer in de twee weken van vrijdag uit school tot en met zondag 17:00 uur waarbij de vrouw [minderjarige] op zondag weer ophaalt bij de man en waarbij de vakanties bij gelijke helften in onderling overleg worden verdeeld.
3.3
In diens verslag van 22 juli 2025, opgesteld naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoek van de rechtbank in haar beschikking van 5 juni 2025, voert de bijzondere curator aan dat tussen partijen niet in geschil is dat de man de verwekker van [minderjarige] is. Er is sprake van een zeer regelmatig contact tussen de man en [minderjarige] en [minderjarige] noemt de man ook papa. Het is belangrijk dat de juridische situatie in overeenstemming komt met de feitelijke situatie. De bijzondere curator geeft de ouders mee om de erkenning samen te gaan regelen, omdat dit in het belang van [minderjarige] is. Mochten de ouders de erkenning niet samen regelen dan adviseert de bijzondere curator het verzoek omtrent de vervangende toestemming tot erkenning toe te wijzen.
3.4
Tijdens de zitting wordt namens de vrouw het volgende aangevoerd. De vrouw heeft er geen bezwaar tegen dat de man [minderjarige] erkent, maar zij kan dit niet samen met de man regelen. De communicatie tussen partijen verloopt stormachtig waarbij de vrouw bedreigd is door de man. De slechte verstandhouding met de man heeft de vrouw doen besluiten niet naar de zitting te komen. Bij het samen regelen van de erkenning moeten partijen ook een keuze maken omtrent het gezag en dat ziet de vrouw niet zitten. Zij verwacht namelijk dat dit tot discussie zal leiden omdat zij de man onvoorspelbaar vindt in zijn gedrag. De advocaat van de vrouw zal na de zitting bij de vrouw informeren of zij alsnog de erkenning in samenspraak met de man wil regelen en zal de rechtbank hiervan op de hoogte brengen. Mocht de rechtbank een beslissing moeten nemen op het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning dan refereert de vrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de omgang wordt namens de vrouw aangevoerd dat zij niet tegen omgang tussen de man en [minderjarige] is, maar dat het op dit moment niet veilig en vertrouwd genoeg is om uitvoering te geven aan de regeling die de man verzoekt. Beide partijen zitten regelmatig hoog in hun emotie waardoor het onderlinge contact regelmatig escaleert. De man is heel weinig betrokken bij [minderjarige] en heeft weinig weet van haar basale opvoedings- en verzorgingstaken. Als [minderjarige] een aantal uur bij de man is dan belt de man een paar keer naar de vrouw met vragen over haar verzorging. Ook is [minderjarige] vaak heel verdrietig als zij bij de man is en moet de vrouw vaak komen opdraven. De omgang wordt ook regelmatig door de man afgezegd. Op de verjaardag van [minderjarige] kwam de man ook al 5 uur te laat. De vrouw maakt zich ook zorgen over het strafblad van de man ten aanzien van geweld. Ook tijdens de relatie heeft de man agressiviteit laten zien en hij is bekend met drugsgebruik. De vrouw maakt zich zorgen over de handel en wandel van de man. De vrouw ziet het niet zitten om de door de man verzochte omgangsregeling vast te leggen zonder daar randvoorwaarden aan te verbinden. De vrouw staat open voor het volgen van een hulpverleningstraject, bijvoorbeeld binnen het Uniform Hulpaanbod.
3.5
Tijdens de zitting wordt namens de man aangevoerd dat hij zijn verzoek omtrent het gezag intrekt. Hij betwist dat hij de vrouw heeft bedreigd. Partijen voeren al zo’n 6 maanden de huidige omgangsregeling uit dus de man begrijpt niet goed waarom de vrouw hier nu bezwaar tegen heeft. De omgang tussen hem en [minderjarige] verloopt goed. De vrouw brengt [minderjarige] op vrijdag naar de man en de man brengt [minderjarige] op zondag terug bij de vrouw. De man heeft verzocht om de regeling te bepalen op vrijdag vanaf school maar [minderjarige] komt op vrijdag vaak later omdat zij op vrijdag eerst dansles heeft. De vrouw brengt [minderjarige] dan rond 17:00/18:00 uur. De man vindt het belangrijk dat de regeling zoals die nu wordt uitgevoerd wordt vastgesteld om verdere discussie tussen partijen daarover te voorkomen. Tussen partijen is discussie geweest over de verdeling van de vakanties. Het is belangrijk dat daar ook duidelijkheid over ontstaat. De man verzoekt aanvullend de vakanties bij gelijke helfte te verdelen, waarbij [minderjarige] de eerste helft van de vakanties bij de vrouw is en de tweede helft bij de man. De man staat open voor het volgen van een hulpverleningstraject. Ook is hij bereid om alsnog samen met de vrouw de erkenning van [minderjarige] bij de gemeente te regelen.
3.6
De Raad verklaart tijdens de zitting dat het belangrijk is dat hulpverlening voor de ouders wordt ingezet. Ouders verschillen van visie over hoe de omgang tussen de man en [minderjarige] verloopt en ook de zorgen die gedeeld worden worden niet erkend. Vastlegging van de regeling zoals de man die verzoekt is alleen mogelijk als er hulpverlening wordt ingezet. De Raad vindt het ook belangrijk dat er zicht komt op de opvoedsituatie van de man, nu de vrouw daar zorgen over heeft.
De inhoudelijke beoordeling
Gezag
3.7
Tijdens de zitting heeft de man zijn verzoek omtrent het gezag ingetrokken. Nu dit verzoek is ingetrokken kan dit verzoek niet meer worden beoordeeld. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Vervangende toestemming erkenning
3.8
Uit het F9-formulier van mr. Tiggelaar van 4 september 2025 en het F9-formulier van mr. Karami van 5 september 2025 blijkt dat het partijen niet is gelukt om samen de erkenning van [minderjarige] door de man te regelen. De rechtbank zal dan ook een beslissing nemen op het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning.
3.9
In artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, voor zover hier van belang, dat de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van 12 jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is.
3.1
Voor de man en de vrouw staat vast dat de man de verwekker van [minderjarige] is. Gelet ook op het standpunt van de bijzondere curator ter zake, ziet de rechtbank geen aanleiding om hierover een ander standpunt in te nemen. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning. Ook de bijzondere curator heeft geadviseerd het verzoek van de man toe te wijzen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] door de erkenning worden geschaad of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] door een erkenning in het gedrang komt. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] dan ook toewijzen.
Einde taak bijzondere curator
3.11
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.
Verwijzing Uniform Hulpaanbod
3.12
Uit het F9-formulier van mr. Tiggelaar van 4 september 2025 en het F9-formulier van van mr. Karami van 5 september 2025 blijkt dat beide ouders instemmen met een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod.
3.13
Het lukt de ouders samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. De verwijzing heeft op 25 september 2025 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
3.14
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
3.15
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het (de) volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (lichte systeemgerichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
3.16
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
3.17
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het (de) kind(eren).
3.18
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de raad. De raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
3.19
Wanneer de raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
3.2
Wanneer de raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe moet die regeling eruit gaan zien?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
3.21
Deze beschikking is een verzoek aan de raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
3.22
Na een onderzoek of interventie van de raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
3.23
De ouders zijn geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
3.24
Omdat ouders en hun kind in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek van de man met betrekking tot de omgang, maar houdt zij de definitieve beslissing daarover voor de duur van negen maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Voorlopige omgangsregeling
3.25
Voor de tussenliggende periode vindt de rechtbank het belangrijk dat de omgangsregeling die partijen nu al uitvoeren wordt vastgelegd als voorlopige omgangsregeling waarbij geldt dat partijen, in overleg met de hulpverlening, van deze regeling kunnen afwijken als dat in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal een voorlopige omgangsregeling vastleggen op basis waarvan er gedurende één weekend in de veertien dagen van vrijdag 17:00/18:00 uur tot zondagmiddag 17:00 uur omgang tussen de man en [minderjarige] plaatsvindt, waarbij de vrouw [minderjarige] op vrijdag bij de man brengt en de man [minderjarige] op zondag bij de vrouw terugbrengt. Over het contact tussen de man en [minderjarige] gedurende de vakanties en feestdagen moeten partijen samen, in overleg met de hulpverlening, afspraken maken.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, aan de man toestemming tot het erkennen van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019;
4.2
beschouwt de taak van de bijzondere curator in eerste aanleg als beëindigd;
4.3
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en [minderjarige]
voorlopigrecht hebben op hebben op omgang met elkaar éénmaal per twee weken van vrijdag 17:00/18:00 uur tot en met zondagmiddag 17:00 uur, en ook tijdens een deel van de schoolvakanties, in onderling overleg door partijen en in samenspraak met de hulpverlening te regelen, waarbij geldt wat hiervoor onder punt 3.25 is overwogen;
4.4
verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
4.5
verzoekt het loket om uiterlijk op
30 juni 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
4.6
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de raad;
4.7
verzoekt de raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
4.8
verzoekt de raad, regio Zeeland, locatie Middelburg wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 3.20 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
4.9
verzoekt de raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
4.1
wijst af het verzoek van de man tot verkrijging van het gezamenlijk gezag;
4.11
houdt aan de definitieve beslissing op het verzoek van de man omtrent de omgangsregeling.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.