ECLI:NL:RBZWB:2025:7852

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 oktober 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
C/02/429623 / FA RK 24-5782
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 6:216 BWArt. 6:248 BWArt. 6:258 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging kinderalimentatie en afwijzing verzoek tot wijziging wegens ontbreken wijziging omstandigheden

Partijen, voormalige geregistreerd partners, hebben twee minderjarige kinderen en maakten afspraken over kinderalimentatie en kostenverdeling in een aanvullend ouderschapsplan van 10 mei 2024. De man betaalde sinds juli 2024 geen alimentatie meer, terwijl de vrouw de kosten niet meer kon dragen. De man verzocht de alimentatie te wijzigen naar nihil wegens gewijzigde omstandigheden, waaronder een baanwissel, arbeidsongeschiktheid en een stijging van het inkomen van de vrouw.

De rechtbank overweegt dat de man zich niet kan beroepen op een wijziging van omstandigheden omdat de relevante feiten al bekend waren bij het sluiten van het ouderschapsplan. Ook is de man bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven bij het vaststellen van de alimentatie, waardoor wijziging in beginsel niet mogelijk is. De man heeft onvoldoende bewijs geleverd dat het onaanvaardbaar is om aan de overeenkomst gehouden te worden.

De rechtbank wijst het verzoek van de man af en bevestigt dat hij vanaf 10 mei 2024 €150 per maand moet betalen plus de helft van alle school- en opleidinggerelateerde kosten. De bijdrage in opvangkosten wordt niet toegewezen omdat de vrouw dit niet meer verzoekt. De uitspraak is gedaan door rechter Van Triest op 17 oktober 2025.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de kinderalimentatie van €150 per maand en de helft van schoolkosten en wijst het verzoek tot wijziging af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/429623 / FA RK 24-5782
datum uitspraak: 17 oktober 2025
beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom,
en
[de man],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 9 december 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 18 februari 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken met bijlagen;
- het op 8 april 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de brief van mr. Baas van 29 augustus 2025, met bijlagen;
- de brief van mr. Albicher van 29 augustus 2025, met bijlagen.
Te laat ingediende stukken:
  • het F9-formulier van mr. Albicher van 10 september 2025, met als bijlage productie 17;
  • de brief van mr. Baas van 10 september 2025, inhoudende een wijziging van het verzoek.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 11 september 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn geregistreerd partners geweest. Bij beschikking van 1 december 2022 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is het geregistreerd partnerschap van partijen ontbonden. Deze beschikking is op 12 december 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2.
Binnen het geregistreerd partnerschap van partijen zijn de volgende, thans nog minderjarige, kinderen geboren:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021.
2.3.
Partijen hebben op 12 november 2022 een ouderschapsplan met elkaar gesloten. In dit ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat ieder van hen maandelijks een bedrag van € 200,- op een kinderrekening zal storten. Dit ouderschapsplan is in de beschikking van deze rechtbank van 1 december 2022 bekrachtigd.
2.4.
Op 10 mei 2024 hebben partijen een aanvullend ouderschapsplan gesloten waarin zij -onder meer - een (kinder)alimentatiebedrag van € 150,- per maand zijn overeengekomen, door de man aan de vrouw te betalen.
Verder zijn partijen onder andere het volgende overeengekomen:
Wat betreft de opvangkosten van de kinderen: de vrouw betaalt deze kosten waarbij de man helft van deze opvangkosten meebetaalt op basis van maximaal drie opvang dagen per week.
Alle school- en opleidingsgerelateerde kosten (basis, middelbaar, voortgezet en beroepsonderwijs) worden door beiden voor de helft betaald.
De rijlessen, schoolkosten en beugels van de kinderen worden door de helft verdeeld.
Wat betreft de zorgregeling zijn partijen – naast een verdeling van de vakanties en de feestdagen – overeengekomen dat de kinderen per mei 2024 hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben en dat zij om het weekend (vrijdag, zaterdag, zondag) naar de man gaan. Op vrijdag brengt de vrouw de kinderen om 07.30 uur of de man haalt ze op om 07.45 uur en op zondag worden zij door de man teruggebracht circa 19.00 uur.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt, samengevat:
- te bepalen dat de man een bijdrage aan kinderalimentatie dient te voldoen van € 150,- per maand voor beide kinderen met ingang van 10 mei 2024, subsidiair indiening verzoekschrift, voor de toekomst en bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht;
- te bepalen dat de man de helft van alle school- en opleidinggerelateerde kosten zal voldoen.
3.2.
De man verzoekt zelfstandig, samengevat:
-te wijzigen de beschikking d.d. 1 december 2022 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg en het aangehechte en door de griffier gewaarmerkt convenant en daarvan deel uitmakende ouderschapsplan, alsmede het aanvullend ouderschapsplan dat door partijen is ondertekend op 10 mei 2024, voor zover betrekking hebbend op de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019 en [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021, en te bepalen dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van deze kinderen van € 150,- per maand voor deze twee kinderen, met ingang van 10 mei 2024 op nihil wordt gesteld, althans op een bedrag per maand per kind en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren en te bepalen dat de man met ingang van 10 mei 2024 niet langer verplicht is te betalen: 1. de helft van de opvangkosten van deze kinderen op basis van maximaal drie opvangdagen per week en 2. de helft van alle school- en opleidinggerelateerde kosten (basis, middelbaar; voortgezet en beroepsonderwijs), althans een beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

4.De beoordeling

4.1.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.2.
De vrouw voert als grondslag voor haar verzoek aan dat partijen op 10 mei 2024 een aanvullend ouderschapsplan zijn overeengekomen waarin is bepaald dat de man een bedrag van € 150,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw zal voldoen. Ook is overeengekomen dat de man de helft van de opvangkosten zal betalen. De man heeft sinds juli 2024 echter niets meer betaald. De vrouw draagt vanaf dat moment alle kosten voor de kinderen zelf. Zij kan dit niet meer opbrengen. De vrouw heeft er belang bij dat de door de man te betalen bijdrage in een rechterlijke uitspraak wordt vastgesteld. In die zin verzoekt zij vaststelling c.q. nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraak over de kinderalimentatie. Het klopt dat de vrouw een eigen onderneming heeft gehad. Partijen waren in eerste instantie een zorgregeling op basis van co-ouderschap overeengekomen en deze regeling gaf haar de mogelijkheid om haar eigen onderneming op te starten, naast haar dienstverband bij de GGZ. De man wist daar van, zo blijkt uit de door haar overgelegde app-berichten. Sinds mei 2024 verblijven de kinderen echter het grootste deel van de tijd bij haar dus werd het draaien van extra diensten binnen haar eigen onderneming haar teveel. Door haar chronische ziekte is haar energie beperkt. Het uitbreiden van haar werkzaamheden behoort dan ook niet tot de mogelijkheden/ De vrouw is dan ook gestopt met haar onderneming nadat de zorgregeling is gewijzigd. De vrouw kan de kosten van de kinderen niet alleen opbrengen en heeft behoefte aan de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
Zelfstandig verzoek van de man
4.3.
De man voert als grondslag voor zijn zelfstandig verzoek aan dat sinds de ondertekening van het ouderschapsplan d.d. 10 mei 2024 de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de overeengekomen bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De man stelt hiertoe dat hij niets af wist van het feit dat de vrouw op 1 oktober 2022 een onderneming is gestart in de vorm van een eenmanszaak handelende onder de naam Mental health. De vrouw is zonder inzage daarin aan de man te verschaffen, gestopt met haar onderneming. Het inkomen van de vrouw is sinds het sluiten van het tweede ouderschapsplan op 10 mei 2024 ook flink gestegen. De man was tot 1 februari 2024 werkzaam in loondienst als beveiliger bij [bedrijf 1] B.V. Sinds 1 februari 2024 is de man van baan veranderd en werkt hij als monteur bij [bedrijf 2] B.V. Het loon van de man is gewijzigd en hij heeft ook geen recht meer op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het klopt dat de man al vanaf juni 2024 geen kinderalimentatie meer heeft betaald. Partijen hebben ten tijde van het sluiten van het aanvullend ouderschapsplan in mei 2024 bijstand gehad van een mediator en uit de berekeningen die door de mediator zijn opgesteld bleek dat de man geen draagkracht had voor het betalen van een bijdrage. De vrouw stemde er niet mee in dat de man geen bijdrage zou betalen dus is de man akkoord gegaan met de bijdrage van € 150, = per maand zoals die nu is vastgelegd. De man kan het financieel niet opbrengen om de overeengekomen alimentatie te voldoen. De overeengekomen alimentatie heeft van meet af aan niet voldaan aan de wettelijke maatstaven. De man wist niet dat hij een procedure kon starten om de alimentatie te laten wijzigen, anders had hij dat wel gedaan. De vrouw heeft als onderhoudsplichtige bovendien zelf een inkomensvermindering veroorzaakt door haar onderneming op te heffen. De man stelt zich op het standpunt dat zij redelijkerwijs haar oude inkomen weer kan verwerven. Uit de door de man overgelegde berekeningen blijkt dat de man geen draagkracht heeft voor het betalen van een bijdrage. Hij kan niet meer werken omdat hij door een verkeersongeval deels arbeidsongeschikt is. De vrouw weet dat. Er is sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die maakt dat de kinderalimentatie opnieuw moet worden berekend. Bovendien is de partner van de vrouw zwanger en zij is uitgerekend in december 2025. De man verzoekt met deze omstandigheid rekening te houden bij het opnieuw berekenen van de kinderalimentatie.
4.4.
De vrouw betwist dat sprake is van een wijziging van omstandigheden dus de overeengekomen kinderalimentatie kan niet worden gewijzigd. De man heeft vanaf februari 2024 een nieuwe baan. Deze omstandigheid deed zich dus al voor voordat partijen nieuwe afspraken maakten in mei 2024 dus kan de baanwijziging niet opgevoerd worden als een wijziging van omstandigheden. Partijen hebben per mei 2024 besloten dat de co-ouderschapsregeling gewijzigd diende te worden in een weekendregeling in het belang van de kinderen. Daarna kon de vrouw geen werkzaamheden meer uitvoeren in haar eigen bedrijf omdat zij steeds door de week de zorg had voor de kinderen. Bovendien heeft zij een chronische ziekte waardoor haar energie beperkt is. De man was hiervan op de hoogte. Uit de door de man aangevoerde argumenten kan geen wijziging van omstandigheden worden afgeleid. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man voldoende draagkracht heeft om de overeengekomen bijdrage te voldoen, zeker als hij fulltime zou werken. De man heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij arbeidsongeschikt is. Primair stelt de vrouw zich dan ook op het standpunt dat de tussen partijen vastgelegde afspraak ten aanzien van de kinderalimentatie moet worden nagekomen. De man heeft aangevoerd dat de mediator berekeningen heeft gemaakt waaruit zou blijken dat hij ook toen al geen draagkracht had om kinderalimentatie te betalen. Partijen zijn echter wel een alimentatiebedrag van € 150,= overeengekomen. Partijen zijn bij het maken van de afspraak omtrent de alimentatie bij de mediator volgens de stellingen van de man dus bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. Dat maakt dat de drempel om te kunnen wijzigen nog hoger ligt. De vrouw concludeert dus dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden die maakt dat de overeengekomen alimentatie gewijzigd dient te worden.
Mocht de rechtbank wel van oordeel zijn dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden dan verzoekt de vrouw meer subsidiair vaststelling van een hogere door de man te betalen bijdrage.
Gewijzigd verzoek van de vrouw
4.5.
De rechtbank oordeelt als volgt. De vrouw heeft bij brief van 10 september 2025 haar verzoek gewijzigd. Deze brief is buiten de daarvoor op grond van het procesreglement geldende termijn ingediend. De rechtbank zal voornoemde brief niet voegen in het procesdossier en neemt dan ook geen beslissing nemen op het gewijzigde verzoek van de vrouw. De rechtbank zal een beslissing nemen op het verzoek van de vrouw zoals geformuleerd in het inleidende verzoekschrift.
Het wettelijk kader
4.6.
Kinderalimentatie wordt vastgesteld bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst tussen de ouders. Wijziging of intrekking van die rechterlijke uitspraak of overeenkomst is op grond van art. 1:401 BW Pro mogelijk als zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1), of als de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5). De Hoge Raad heeft bepaald dat kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. Dit maakt dat wel ten gunste van minderjarige kinderen mag worden afgeweken van die wettelijke maatstaven. Als die afwijking bewust heeft plaatsgevonden is wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie in beginsel niet mogelijk. Wijziging van de afspraken is slechts mogelijk als de omstandigheden van het geval toepassing rechtvaardigen van art. 6:216 BW Pro jo. art. 6:248 lid 2 BW Pro en art. 6:258 BW Pro of indien de onderhoudsplichtige ouder ook onderhoudsverplichtingen heeft c.q. krijgt jegens andere kinderen. Wijziging van de afspraak is dan aan de orde als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn de onderhoudsplichtige ouder nog langer aan de overeenkomst te houden en de wederpartij ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Indien een dergelijk beroep slaagt, dan is de overeenkomst vatbaar voor wijziging op de voet van artikel 1:401 lid 5 BW Pro.
De overwegingen van de rechtbank
4.7.
De vrouw vraagt om te bepalen dat de man een bijdrage aan kinderalimentatie dient te voldoen van € 150,- per maand voor beide kinderen en de helft van alle school- en opleidinggerelateerde kosten met ingang van 10 mei 2024, subsidiair indiening verzoekschrift, voor de toekomst en bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht. Dit verzoek komt overeen met hetgeen partijen reeds overeengekomen zijn op 10 mei 2024 (met uitzondering van opvangkosten, de kosten van rijlessen en de beugels van de kinderen), in die zin is het verzoek van de vrouw dus een verzoek tot (beperkte) nakoming van de afspraken in het aanvullend convenant. Een overeenkomst dient te worden nagekomen en daarom ligt het verzoek van de vrouw in principe voor toewijzing gereed.
4.8.
De man beroept zich primair op een wijziging van omstandigheden en vindt dat de alimentatie daarom opnieuw moet worden berekend. De rechtbank is echter van oordeel dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden die maakt dat de overeengekomen kinderalimentatie herberekend moet worden. Partijen hebben per mei 2024 de zorgregeling gewijzigd en daarom ook nieuwe afspraken gemaakt over de financiën. De man wist dat de vrouw toen partijen nog een co-ouderschapsregeling uitvoerden bijverdiende in haar eigen onderneming tijdens de week dat zij niet de zorg voor de kinderen had, zo blijkt uit de overgelegde stukken. Ook wist hij van de chronische ziekte van de vrouw. Op haar beurt wist de vrouw dat de man van baan was gewisseld. De gewijzigde omstandigheden die door de man zijn aangevoerd betreffen omstandigheden die zich aldus al voordeden of voorzienbaar waren (zoals het stoppen van de onderneming van de vrouw) voorafgaand aan het sluiten van aanvullend ouderschapsplan op 10 mei 2024 door partijen. Die gewijzigde omstandigheden waren juist aanleiding om opnieuw met elkaar in gesprek te gaan onder leiding van een mediator. Op die omstandigheden kan de man zich dan ook niet beroepen om nu – opnieuw - tot een herberekening te komen. De omstandigheid dat de man in december 2025 mogelijk opnieuw vader wordt is een omstandigheid met een zodanige onzekere factor dat de rechtbank deze omstandigheid niet nu al mee kan nemen of aan kan merken als een wijziging van omstandigheden.
4.9.
De man stelt zich daarnaast op het standpunt dat de overeengekomen alimentatie van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Dat maakt dat hij nihilstelling vraagt per 10 mei 2024. De rechtbank overweegt als volgt over dit subsidiaire standpunt van de man. Het aanvullend ouderschapsplan van 10 mei 2024 betreft een overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat er toentertijd door de mediator berekeningen zijn gemaakt waaruit bleek dat hij geen draagkracht had om kinderalimentatie te voldoen. Deze stelling is door de vrouw niet betwist. Toch hebben partijen in mei 2024 afgesproken dat de man € 150,= kinderalimentatie per maand zou betalen aan de vrouw, plus de helft van de opvangkosten op basis van maximaal drie opvang dagen per week, plus de helft van alle school- en opleidinggerelateerde kosten, plus de helft van de kosten van de rijlessen en beugels van de kinderen. De rechtbank stelt, ervan uitgaande dat de stelling van de man over de gemaakte berekeningen klopt, deze zijn niet overgelegd, vast dat partijen in het aanvullend convenant van 10 mei 2024 bewust ten gunste van de kinderen zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Wijziging van de overeengekomen alimentatie is dan in beginsel niet mogelijk.
4.1
De rechtbank ziet zich dan voor de vraag gesteld of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn de man nog langer aan de overeenkomst te houden en de vrouw ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Een beroep op die bepalingen ligt bijvoorbeeld in de rede als de draagkracht van de onderhoudsplichtige zodanig is verminderd dat hij niet langer in staat is in zijn eigen levensonderhoud te voorzien bij het ongewijzigd in stand laten van de vastgestelde kinderalimentatie.
4.11.
De man heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aan de zware stelplicht die voortvloeit uit art. 6:216 BW Pro in verbinding met art. 6:248 lid 2 BW Pro en met art. 6:258 BW Pro voldaan. De door de man aangevoerde omstandigheden, namelijk dat hij van baan is veranderd en inmiddels samenwoont met een partner die zwanger is zijn onvoldoende om te komen tot het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de man nog langer aan de overeenkomst is gehouden, dan wel dat sprake is van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten, met name nu hij juist minder zorg heeft voor de kinderen dan voorheen, zijn advocaat in zijn draagkrachtberekening uitkomt op een draagkracht van de man van € 328,- per maand en hij bovendien zijn woonkosten kan delen met zijn partner.
4.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek van de vrouw dient te worden toegewezen en de verzoeken van de man dienen te worden afgewezen. Nu de vrouw niet meer vraagt om een bijdrage van de man in de kinderopvangkosten, zal de rechtbank deze bijdrage, hoewel partijen deze wel zijn overeengekomen, niet toewijzen.
4.13.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de man met ingang van 10 mei 2024 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019 en [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021 aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 150,- per maand;
5.2.
bepaalt dat de man de helft van alle school- en opleidinggerelateerde kosten zal voldoen;
5.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2025 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.