ECLI:NL:RBZWB:2025:7869

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
BRE 24/7174
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 6:19 AwbArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor bouw vijf woningen op bedrijfsbestemming

De zaak betreft een beroep van een omwonende tegen de door het college verleende omgevingsvergunning aan een bedrijf voor de bouw van vijf woningen op een perceel met de bestemming 'Bedrijf'. De vergunning wijkt af van het bestemmingsplan, met name vanwege de overschrijding van toegestane goot- en bouwhoogtes en het woongebruik op een bedrijfsperceel.

De rechtbank beoordeelt de vergunningverlening aan de hand van het oude recht (Wabo) omdat de aanvraag vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. Het bouwplan voldoet niet aan het bestemmingsplan, maar het college heeft op grond van artikel 2.12 Wabo een vergunning verleend met een goede ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank stelt vast dat de belangenafweging zorgvuldig is gemaakt, waarbij rekening is gehouden met beeldkwaliteit, ruimtelijke impact, geluid, verkeer en parkeren.

De vrees van eiser voor overlast, verminderd uitzicht en zonlichtinval wordt door de rechtbank niet als zodanig aannemelijk geacht dat dit het besluit zou moeten verhinderen. De overschrijding van de bouwhoogte leidt niet tot een onevenredige aantasting van het woongenot. Ook de bezonningsstudie ondersteunt dit oordeel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de bouw van vijf woningen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7174

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. G.H. Blom),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg, verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] B.V. uit [plaats 2] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning aan [bedrijf] B.V. voor de bouw van vijf woningen aan de [straat] te [plaats 1] . Eiser is het niet eens met dat besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning aan [bedrijf] heeft mogen verlenen
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Onder 4 staan het procesverloop in deze zaak en de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 9. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

4. [bedrijf] B.V. heeft op 26 september 2023 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van vijf woningen aan de [adres 1] – [adres 2] – [adres 3] – [adres 4] en [adres 5] te [plaats 1] , op het perceel voorheen plaatselijk bekend als [adres 6] .
Met ingang van 13 maart 2024 heeft het college de aanvraag en het ontwerpbesluit tot het verlenen van de gevraagde vergunning met bijbehorende stukken gedurende zes weken ter inzage gelegd. Eiser heeft daartegen zijn zienswijze kenbaar gemaakt.
Vervolgens heeft het college met het besluit van 5 september 2024 een omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten:
 het bouwen van een bouwwerk;
 het gebruiken van gronden en/of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan;
 het leggen en hebben van aansluiting(en) op het gemeenteriool.
5. Eiser woont op het naastgelegen perceel [adres 7] en heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij kan zich niet vinden in de conclusie van het college dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat daarom van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. Hij stelt ook dat er geen tot weinig rekening is gehouden met zijn belangen als eigenaar en bewoner van het buurperceel.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. Op 1 april 2025 heeft het college een wijzigingsbesluit genomen naar aanleiding van een op 27 november 2024 ingediende wijziging van het bouwplan. De wijziging betreft de toevoeging van een dakopbouw en het spiegelen van de gevelindeling. Verder is de positionering van de buitenunits van de warmtepompen gewijzigd en is er een vergunningsvoorwaarde toegevoegd. Het beroep van eiseres wordt op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het gewijzigde besluit.
De besluiten van 5 september 2024 en 1 april 2025 vormen tezamen ‘het bestreden besluit’.
Eiser heeft naar aanleiding van het wijzigingsbesluit van 1 april 2025 geen aanvullende beroepsgronden ingediend.
7. De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft daaraan deelgenomen, bijgestaan door mr. A. van Beijsterveldt als waarnemer van de gemachtigde van eiser. Het college heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] . [bedrijf] B.V. heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door [persoon 4] en [persoon 5] .
8. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

De omvang van het geding en de regelgeving
9. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend.
De aanvraag om omgevingsvergunning in deze zaak is ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de het oude recht – de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) – van toepassing blijft.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke regels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
10. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’. Op de gronden rust de bestemming ‘Bedrijf’.
Ingevolge artikel 4.1 van de planregels zijn de voor ‘Bedrijf (B)’ aangewezen gronden bestemd voor:
bedrijven tot en met categorie B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten ‘functiemenging’;
edrijfswoningen;
bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen.
Voor het bouwen gelden op grond van artikel 4.2.1 de volgende regels:
a. op deze gronden worden gebouwd:
1. ter plaatse van het bouwvlak:
a) gebouwen;
b) bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
2. buiten het bouwvlak:
a) bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens bedraagt ten minste 1 m, tenzij het gebouw in de perceelsgrens is gebouwd;
de onderlinge afstand van niet-aaneengebouwde gebouwen bedraagt ten minste 1 m.
In artikel 4.2.2 van de planregels zijn de regels over de maatvoering neergelegd.
11. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan van [bedrijf] B.V. niet aan de planregels voldoet omdat het bouwen van woningen daar niet is toegestaan als het geen bedrijfswoning betreft en de maximaal toegestane goothoogte (4 meter), bouwhoogte (8 meter) en hoogte van een erfafscheiding (1 meter) worden overschreden. De te bouwen woningen hebben een goothoogte van 6 meter en een bouwhoogte van bijna 10 meter.
Het college heeft de omgevingsvergunning voor het planologisch strijdig gebruik verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo. Mede op basis van de door [bedrijf] B.V. overgelegde ruimtelijke onderbouwing van [deskundige 1] van 3 september 2024 heeft het college overwogen dat het project voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.
Het college heeft de ruimtelijke onderbouwing, inclusief bijlagen, als bijlage bij het bestreden besluit gevoegd en aangemerkt als onderdeel van het bestreden besluit.
De beroepsgronden
12. Eiser vreest voor overlast vanwege het woongebruik, met name geluidsoverlast, toename van verkeersbewegingen en parkeeroverlast. Hij stelt in dat verband dat het college de ruimtelijke impact vanwege het woongebruik heeft onderschat. Eiser heeft ook moeite met hoogte van de woningen. Ter zitting heeft hij toegelicht dat er een blinde muur (de zijgevel van de te bouwen woning [adres 8] ) op 1,20 meter afstand van de zijgevel van zijn woning komt, die vrij uitzicht en zonlichtinval wegneemt. Verder vindt hij het bouwplan in zijn geheel niet passend in het straatbeeld.
De beoordeling
13. Het college heeft de bevoegdheid om op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van de planregels. De rechtbank beoordeelt of het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid. Vanwege de beleidsruimte die het college in dat kader heeft, dient de rechtbank zich in haar beoordeling terughoudend op te stellen.
De rechtbank stelt voorop dat bij de belangenafweging uitsluitend die belangen kunnen worden betrokken die worden geraakt door de onderdelen van het bouwplan waarvoor de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan. Van de bouwmogelijkheden die in het bestemmingsplan zijn opgenomen zijn de ruimtelijke gevolgen door de gemeenteraad afgewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan [1] .
14. Dat er op korte afstand van de zijgevel van de woning van eiser een gebouw wordt gerealiseerd met een goothoogte van 4 meter en een bouwhoogte van 6 meter, staat het bestemmingsplan rechtstreeks toe. Dat eiser door het bouwplan wordt geconfronteerd met een blinde muur op korte afstand van zijn zijgevel, en dus ook met verminderd uitzicht en lichtinval, is een gevolg dat rechtstreeks uit het bestemmingsplan voortvloeit. Daarmee kan in de belangenafweging dan ook geen rekening worden gehouden. Hetzelfde geldt voor een deel van de overlast die eiser stelt te vrezen. Aangenomen mag worden dat een bedrijf dat het bestemmingsplan ter plaatse toestaat ook een zekere overlast van geluid, parkeren en/of verkeersbewegingen met zich meebrengt. Dat kunnen ook andersoortige bedrijven zijn met een veel intensiever gebruik dan het gebruik zoals eiser dat tot nu toe feitelijk heeft ervaren.
De rechtbank zal hierna beoordelen of het college voor wat betreft de overschrijdingen van het bestemmingsplan in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en of de motivering van het bestreden besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De rechtbank zal achtereenvolgens ingaan op de beeldkwaliteit, de goot- en bouwhoogte (voor zover die de mogelijkheden van het bestemmingsplan overstijgen), en de ruimtelijke impact door woongebruik.
Beeldkwaliteit
15. Het bouwplan past volgens eiser niet in het straatbeeld. In de bestaande omgeving rondom het perceel staan alleen maar grote unieke, onder architectuur gebouwde vrijstaande woningen, en geen uniforme krappe rijtjeshuizen.
16. De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing aandacht is besteed aan de beeldkwaliteit, namelijk in het beeldkwaliteitsplan dat als bijlage 1 aan de ruimtelijke onderbouwing is gehecht. Daarin is uiteengezet dat – onder meer – met de positie op de kavel en de kaprichting van de woningen rekening is gehouden met de beeldkwaliteit en het straatbeeld. Er is bewust gekozen voor een blok waarbinnen de afzonderlijke woningen duidelijk herkenbaar zijn, en ook als geheel aansluit bij het oude bebouwingslint.
De rechtbank is van oordeel dat de beeldkwaliteit in het beeldkwaliteitsplan op zorgvuldige wijze is onderbouwd en dat daarmee voldoende is gemotiveerd dat het bouwplan in het straatbeeld past. Het standpunt van eiser, dat het bouwplan niet in het straatbeeld past, is niet voorzien van een objectieve deskundige onderbouwing. De rechtbank ziet daarin dan ook geen reden om te oordelen dat aan het bestreden besluit op dit punt geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt.
Aantasting woongenot
17. Het bouwplan leidt ertoe dat er op korte afstand van de zijgevel van zijn woning een woning wordt gebouwd met een goothoogte van 6 meter en een bouwhoogte van bijna 10 meter. Daar waar eiser voorheen (min of meer) vrij uitzicht had vanuit de zijgevel van zijn woning omdat het naastgelegen terrein de laatste tijd onbebouwd was, krijgt hij nu zicht op een blinde muur. Daarbij vreest eiser ook voor vermindering van (zon)lichtinval.
18. De rechtbank constateert dat het bouwplan de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte met twee meter overschrijdt. Het bestemmingsplan staat de bouw van een gebouw met een goothoogte van 4 meter en een bouwhoogte van 6 meter rechtstreeks toe. Een dergelijk gebouw zou ook leiden tot verminderd uitzicht en (zon)lichtinval. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de overschrijding van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte leidt tot een zodanige aantasting van het woongenot, dat het college om die reden geen omgevingsvergunning had mogen verlenen. Ook is niet gebleken dat het bouwen op de erfgrens niet is toegestaan. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college in zijn belangenafweging heeft meegewogen dat er tussen de gevels van de woning van eiser en de te bouwen woning [adres 8] nog voldoende ruimte resteert voor onderhoud.
19. Het college heeft een bezonningsstudie laten verrichten, waarbij is onderzocht wat de gevolgen zijn van het bouwplan voor de bezonning van het perceel van eiser. Het onderzoek is uitgevoerd door Schaduwsimulator.nl en de resultaten zijn vastgelegd in een rapport van 16 mei 2024. Geconcludeerd wordt dat alle meetpunten voldoen aan de (lichte) TNO-norm. In het rapport is uitgelegd dat de TNO-norm uitgaat van een minimum aantal mogelijk zonuren. Daarbij is opgemerkt dat het totaal aantal mogelijk zonuren in werkelijkheid hoger ligt dan in het rapport is weergegeven. De rechtbank ziet in de beroepsgronden van eiser geen reden om aan inhoud van de bezonningsstudie en de conclusie te twijfelen.
Ruimtelijke impact door woongebruik
20. De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit (bijlage 4: Nota beantwoording zienswijze) heeft overwogen dat het bouwplan tot enige verandering van het woon- en leefklimaat van eiser zal leiden, maar dat het toegestane bedrijfsmatige gebruik een grotere ruimtelijke impact heeft dan woongebruik, en dat het woon- en leefklimaat dus niet onevenredig wordt aangetast.
In de ruimtelijke onderbouwing is aandacht besteed aan de ruimtelijke impact van het bouwplan, ook aan de door eiser in beroep genoemde aspecten van geluid, verkeer en parkeren. Ten aanzien van het verkeer is onder paragraaf 4.7 toegelicht dat ter plaatse een snelheidsregime geldt van 30 km/u, dat dergelijke wegen volgens de Wet geluidhinder geen geluidzone hebben en formeel in dat kader ook geen toetsingsplicht kennen. Wel is opgemerkt dat in het belang van een goed woon- en leefklimaat een akoestisch onderzoek gewenst is. Dat is ook uitgevoerd door [deskundige 2] . Over het parkeren is in de ruimtelijke onderbouwing toegelicht dat er zeven parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd aan de oostkant van het perceel. Ook aan de [straat] worden er nog drie parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee volgens [deskundige 1] ruim wordt voorzien in de parkeerbehoefte.
De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende is gemotiveerd dat het woon- en leefklimaat van eiser niet onevenredig wordt aangetast. Eiser stelt dat het college de ruimtelijke impact van het woongebruik heeft onderschat. Ook dit standpunt is niet voorzien van een objectieve onderbouwing. Daarbij is ter zitting besproken dat eiser de ruimtelijke impact van het woongebruik vergelijkt met het feitelijke bedrijfsmatige gebruik van de afgelopen jaren. Het college heeft het woongebruik terecht vergeleken met de bedrijfsmatige activiteiten die het bestemmingsplan ter plaatse toestaat.
21. Eiser heeft in zijn beroepschrift toegelicht ook te vrezen voor geluidsoverlast vanwege de te plaatsen warmtepompen. Hij had op dat moment nog geen inzage gehad in de geluidsberekening van de warmtepompen. Ter zitting is besproken dat eiser de berekeningen in het dossier inmiddels heeft bestudeerd en heeft vastgesteld dat aan de geluidsnormen wordt voldaan. Bovendien is de situatie na het wijzigingsbesluit voor eiser verbeterd, door de gewijzigde positionering van de buitenunits van de warmtepompen. De vrees van eiser voor geluidsoverlast vanwege de warmtepompen is dus weggenomen.

Conclusie en gevolgen

22. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat het college heeft mogen aannemen dat het bouwplan van [bedrijf] B.V. is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen.
23. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 14 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, lid 1 (voor zover relevant):
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
het bouwen van een bouwwerk,
het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan […] is bepaald,
het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […],
[…],
Artikel 2.10:
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of Pro 120 van de Woningwet;
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van Pro die wet;
de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12, lid 1 (voor zover relevant):
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:
met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,
in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
[…]

Voetnoten

1.vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:603, overweging 8.3