ECLI:NL:RBZWB:2025:7872

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
C/02/438166 / FA RK 25-3862
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling hoofdverblijf en aanhouding zorg- en contactregeling minderjarige

Partijen, die een relatie hadden en samen het gezag over hun minderjarige kind uitoefenen, zijn recent uit elkaar gegaan. De vader verzoekt het hoofdverblijf van de minderjarige bij de moeder vast te stellen en een zorg- en contactregeling toe te wijzen waarbij hij om de twee weken een weekend omgang heeft zonder overnachtingen.

De moeder is het niet eens met het verzoek tot vaststelling van een zorg- en contactregeling en wijst op haar depressie en PTSS, de noodzaak van hulpverlening en het ontbreken van communicatie en vertrouwen tussen partijen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert contact tussen vader en kind, bij voorkeur begeleid, en een raadsonderzoek.

De rechtbank wijst het verzoek tot hoofdverblijf toe aan de moeder, gelet op het belang van de minderjarige, en verklaart dit uitvoerbaar bij voorraad. Het verzoek tot zorg- en contactregeling wordt aangehouden in afwachting van het rapport van de Raad, dat onderzoek zal doen naar de beste zorgverdeling, mogelijke contra-indicaties en voorwaarden voor omgang.

De procedure wordt aangehouden tot 28 april 2026, waarbij van advocaten wordt verwacht dat zij na ontvangst van het rapport de procedure voortzetten. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het hoofdverblijf van de minderjarige wordt bij de moeder vastgesteld en de zorg- en contactregeling wordt aangehouden voor nader onderzoek.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/438166 / FA RK 25-3862
datum uitspraak: 30 oktober 2025
beschikking over hoofdverblijf en zorg- en contactregeling
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. F.J.V.H. Stoffels in Zevenbergen,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. N. Schuerman in Breda.
over de minderjarige:
-
[minderjarige] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 22 juli 2025 ontvangen verzoek, met bijlagen;
- het proces-verbaal van de zitting op 11 september 2025.
Na de zitting heeft de rechtbank aan stukken ontvangen:
- de brief en het F9-formulier van mr. Stoffels van 25 september 2025, met als bijlage het verslag van de Jeugdbeschermingstafel van 15 september 2025;
- het F9-formulier van mr. Schuerman van 29 september 2025, met bijlage;
- het e-mailbericht van de Raad van 29 september 2025.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 september 2025. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Binnen deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.3
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.4
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .

3.De verzoeken en de standpunten

3.1
De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024 haar
hoofdverblijf bij de moeder zal hebben;
- een zorg- en contactregeling vast te stellen inhoudende dat de vader 1 weekend in de twee weken omgang heeft met de minderjarige [minderjarige] en wel op vrijdag van 10.00 uur tot 19.00 uur en op zaterdag en zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur. De vader zal de minderjarige [minderjarige] voor de omgangscontacten bij de moeder ophalen
en naar haar terugbrengen;
- vakanties en feestdagen worden in onderling overleg tussen partijen verdeeld waarbij de vader ervan uitgaat dat de reguliere regeling bij korte vakanties blijft doorlopen. In de zomervakantie zal de minderjarige twee weken aaneengesloten bij elk van de ouders verblijven tenzij partijen anders overeenkomen.
3.2
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man tot het vaststellen van een zorg- en contactregeling en verzoekt dit verzoek af te wijzen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

De standpunten
4.1
Door en namens de man wordt in de stukken en tijdens de zitting het volgende aangevoerd. Partijen hebben 3 jaar een relatie met elkaar gehad maar niet met elkaar samengewoond. Recent is de relatie van partijen verbroken. De man nam iedere dag zorgtaken ten aanzien van [minderjarige] voor zijn rekening. Ook heeft hij langere tijd omgang met [minderjarige] gehad. Tussen eind juli 2024 en begin juni 2025 vond de omgang tussen de man en [minderjarige] plaats bij de vrouw thuis. Vanaf begin juni 2025 heeft de man geen contact meer gehad met [minderjarige] . De vrouw reageert niet op verzoeken van de man of zijn advocaat om omgang af te spreken. De man mist [minderjarige] en wil haar heel graag weer zien. De man wil graag een vaderfiguur spelen in het leven van [minderjarige] . De man verzoekt vaststelling van een zorgregeling zonder overnachtingen en houdt daarbij rekening met de bezwaren van de vrouw daaromtrent. De man hoopt dat er snel duidelijkheid kan komen over de omgang tussen hem en [minderjarige] . Op 15 september 2025 staat er een gesprek aan de Jeugdbeschermingstafel gepland. De man hoopt dat de rechtbank een soort van spoorboekje kan geven op basis waarvan in samenspraak met de hulpverlening de omgang tussen hem en [minderjarige] tot stand kan komen.
4.2
Door en namens de vrouw wordt tijdens de zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling. De vrouw betwist dat de man in de periode dat partijen samen waren veel zorgtaken voor [minderjarige] op zich heeft genomen. De man heeft juist niet veel voor [minderjarige] gezorgd. Toen partijen hun relatie hadden verbroken heeft de vrouw aan de man aangegeven dat hij [minderjarige] voorlopig bij haar thuis kon bezoeken en dat zij met de man in gesprek wilde om goede afspraken te maken over de omgang tussen de man en [minderjarige] . Recent heeft [minderjarige] in het ziekenhuis gelegen en heeft de vrouw de man hierover geïnformeerd en hem uitgenodigd om [minderjarige] te bezoeken in het ziekenhuis maar de man heeft daar niet op gereageerd. Ook is de man niet langsgekomen in het ziekenhuis om [minderjarige] te bezoeken. De vrouw heeft een periode moeite gehad met de zorg voor [minderjarige] . Ook zijn er door de opvang meldingen gedaan bij Veilig Thuis over slechte hygiëne bij [minderjarige] maar deze meldingen zijn volgens de vrouw onterecht. Met [minderjarige] gaat het goed, maar met de vrouw zelf wat minder. Zij kampt al jaren met een depressie en PTSS en is nu teruggevallen in haar depressie. [jeugdhulp] is betrokken bij de vrouw. Vanmiddag staat een gesprek met [hulpverlening 1] gepland en ook [hulpverlening 2] is betrokken. De vrouw vindt het wel belangrijk dat er omgang is tussen [minderjarige] en de man. De vrouw vindt het echter nog te vroeg om een zorgregeling vast te stellen op basis waarvan [minderjarige] bij de man overnacht. Daar moet eerst naartoe gewerkt worden. Ook vindt de vrouw dat voordat [minderjarige] bij de man kan overnachten, de communicatie tussen partijen eerst moet zijn verbeterd. Daarbij hebben partijen hulp nodig van de hulpverlening.
4.3
De Raad verklaart tijdens de zitting dat het feit dat er een gesprek aan de Jeugdbeschermingstafel gaat plaatsvinden betekent dat er zorgen zijn over de situatie. De Raad vindt het lastig om te adviseren over de verzoeken die voorliggen, maar vindt wel dat het belangrijk is dat er contact plaatsvindt tussen de man en [minderjarige] . De Raad kan zich wel voorstellen dat dat contact in eerste instantie begeleid plaats gaat vinden. De Raad adviseert de ouders om in samenspraak met de gemeente de juiste hulpverlening in te zetten om afspraken over begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] op te starten, als ook ter verbetering van de onderlinge communicatie.
4.4
Tijdens de zitting heeft de rechtbank met partijen besproken dat de beslissing op de verzoeken van de man zullen worden aangehouden in afwachting van het verslag aan de Jeugdbeschermingstafel dat op 15 september 2025 gepland staat en de reacties van partijen en de Raad op dat verslag.
4.5
Bij brief van 25 september 2025 heeft mr. Stoffels het verslag van het gesprek aan de Jeugdbeschermingstafel van 15 september jl. overgelegd. Mr. Stoffels heeft de rechtbank namens de man bericht dat de man betwist dat hij niet geprobeerd heeft met de vrouw in overleg te gaan. Uit het verslag komen grote zorgen naar voren met betrekking tot de vraag of de vrouw in staat is om, met hulpverlening, de juiste zorg en opvoeding te geven aan [minderjarige] . De man betreurt het dat in het gesprek aan de Jeugdbeschermingstafel niet is gesproken over het contact(herstel) tussen de man en [minderjarige] . De man is van mening dat er geen contra-indicaties zijn op basis waarvan gaan omgang tussen hem en [minderjarige] zou kunnen plaatsvinden. De man is van ook van mening dat zijn verzoek omtrent vaststelling van de zorgregeling (eventueel begeleid) kan worden toegewezen.
4.6
Bij F9-formulier van 29 september 2025 heeft mr. Schuerman de rechtbank namens de vrouw bericht dat het gesprek aan de Jeugdbeschermingstafel was bedoeld als mogelijke ingang om (onder begeleiding van hulpverlening) te komen tot hervatting van het contact tussen de man en [minderjarige] . Het gesprek aan de Jeugdbeschermingstafel heeft helaas niet geleid tot een inhoudelijke bespreking van de omgang. Er is tijdens het overleg geen enkele concrete optie besproken om de omgang tussen de man en [minderjarige] op enig moment en onder voorwaarden te hervatten. Het vertrouwen van de vrouw in de bereidheid van de man om aan een dergelijk traject mee te doen is na de zitting en na het gesprek op 15 september jl. verder afgenomen. De man is tijdens het gesprek aan de Jeugdbeschermingstafel namelijk weggelopen zodat er niet meer met hem gesproken kon worden. Ook heeft de man na de zitting meerdere keren negatieve berichten over de vrouw op sociale media geplaatst. De vrouw acht het niet verantwoord om nu al over te gaan tot het hervatten van de omgang. Zij vindt het nodig dat eerst het onderzoek door de Raad wordt afgewacht.
4.7
Bij e-mailbericht van 29 september 2025 heeft de Raad de rechtbank bericht dat het gesprek aan de Jeugdbeschermingstafel onvoldoende duidelijkheid heeft geboden. De Raad adviseert de rechtbank een raadsonderzoek te gelasten.
De inhoudelijke beoordeling
Hoofdverblijf
4.8
De rechtbank oordeelt als volgt. De man heeft verzocht het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen. De vrouw voert geen verweer tegen dit verzoek van de man. De rechtbank zal het verzoek van de man, nu zij dit in het belang van [minderjarige] vindt, toewijzen en het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw bepalen.
Zorgregeling
4.9
De rechtbank heeft op dit moment te weinig informatie om een beslissing te kunnen geven op het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling tussen hem en [minderjarige] . Uit het gesprek aan de Jeugdbeschermingstafel op 15 september jl. zijn geen concrete adviezen vanuit de hulpverlening gekomen omtrent het contact(herstel) tussen de man en [minderjarige] en ook de Raad kan de rechtbank op dit moment niet van advies voorzien. De Raad zal daarom worden verzocht om een onderzoek te doen naar de volgende vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe moet die regeling eruit gaan zien (aard, duur en frequentie)?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang tussen de man en [minderjarige] en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Zijn er verder belangrijke zaken die uit het onderzoek door de Raad naar voren komen waarmee de rechtbank rekening moet houden bij de beoordeling van de voorliggende verzoeken?
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de zaak worden aangehouden tot
28 april 2026 PRO FORMA. Van de advocaten van partijen wordt verwacht dat zij na ontvangst van het rapport van de Raad de conclusies van de Raad met hun cliënten bespreken en vervolgens aan de rechtbank laten weten hoe deze procedure voortgezet dient te worden in hun ogen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.1
De rechtbank zal de beslissing omtrent het hoofdverblijf uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing per direct moet worden gevolgd en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst. De rechtbank vindt dit in het belang van [minderjarige] .

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
bepaalt dat [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven in r.o. 4.9 genoemde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
5.4
houdt iedere verdere beslissing aan tot
28 april 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.