ECLI:NL:RBZWB:2025:7873

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
C/02/435177 / FA RK 25-2372
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
  • De Beer
  • Van der Pols
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 810
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming verhuizing minderjarige kinderen en verwijzing naar hulpverleningstraject

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot vervangende toestemming voor de verhuizing van twee minderjarige kinderen naar een nieuwe woonplaats en de inschrijving op een nieuwe basisschool. De ouders zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag. De moeder verzocht om toestemming voor verhuizing en schoolwijziging, terwijl de vader alleen bezwaar maakte tegen de schoolwijziging en de inschrijving in de BRP, niet tegen de verhuizing.

Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat de ouders conflicteren over de zorgregeling en communicatieproblemen hebben. De kinderen gaven aan minder contact met de vader te willen vanwege eerdere incidenten. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een hulpverleningstraject en de inzet van een kindbehartiger om de communicatie en omgang te verbeteren.

De rechtbank verleende de moeder vervangende toestemming voor verhuizing en inschrijving in de BRP, maar hield de beslissing over de schoolwijziging, hoofdverblijfplaats en zorgregeling aan tot na een hulpverleningstraject. Ouders en kinderen worden verwezen naar het Uniform Hulpaanbod voor begeleiding en ondersteuning. De procedure wordt terugverwezen naar de enkelvoudige kamer voor verdere behandeling.

Uitkomst: Vervangende toestemming voor verhuizing en inschrijving in de BRP verleend, beslissing over schoolwijziging en zorgregeling aangehouden voor hulpverleningstraject.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/435177 / FA RK 25-2372
datum uitspraak: 21 oktober 2025
beschikking van de meervoudige kamer betreffende vervangende toestemming verhuizing, inschrijving school en inschrijving BRP
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. F. Ergec in Bergen op Zoom,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. J.L.P. Heuts in Breda.
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015, hierna: [minderjarige 1] .
-
[minderjarige 2] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de meervoudige kamer van de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 8 mei 2025 ontvangen verzoek, met bijlagen;
- het op 21 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;
- de brief van mr. Ergec van 17 september 2025, met bijlagen;
- het op 17 september 2025 ontvangen verweerschrift op het zelfstandig verzoek, met bijlagen;
- de door mr. Ergec tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitaantekeningen.
1.2.
De verzoeken zijn door de meervoudige kamer van de rechtbank mondeling behandeld op 22 september 2025. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
1.3.
Voor deze mondelinge behandeling heeft de voorzitter van de meervoudige kamer met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken over de verzoeken. Ook hebben zij de rechtbank een brief gestuurd. Aan het begin van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter van de meervoudige kamer samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben hierop mogen reageren.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 maart 2022 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 6 april 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2.
Tijdens het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.
2.4.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

3.De verzoeken en de standpunten

3.1.
De vrouw verzoekt, na wijziging, om bij beschikking te bepalen dat de vrouw vervangende toestemming wordt verleend:
- om samen met de kinderen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats] , met ingang van 1 augustus 2025 dan wel een door de rechtbank te bepalen datum te verhuizen naar [plaats 2] , gemeente Woensdrecht alsmede hun in te schrijven in het BRP van de woning gelegen aan de [adres 1] gemeente Woensdrecht;
- om de kinderen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats] , met ingang van datum van deze beschikking in te schrijven bij de [basisschool 1] gelegen aan de [adres 2] .
3.2.
De man voert geen verweer tegen het verzoek van de vrouw betreffende de verhuizing, maar hij is het niet eens met het de verzoeken van de vrouw omtrent de inschrijving van de minderjarigen op het adres in de BRP en de inschrijving van hen op de basisschool. De man verzoekt de rechtbank het verzoek betreffende de verhuizing toe te wijzen en het verzoek omtrent de inschrijving op een andere basisschool af te wijzen.
De man verzoekt zelfstandig:
- te bepalen dat de kinderen met ingang van de datum van de beschikking bij de man
zullen verblijven in de ene week van maandagmiddag na school tot woensdagochtend
naar school en vervolgens van vrijdagmiddag na school tot woensdagochtend naar
school in de andere week, alsmede gedurende de helft van de vakanties, dan wel een
andere verdeling van zorg- en opvoedingstaken vast te stellen die uw rechtbank in het
belang van de kinderen acht.
- te bepalen dat de kinderen voortaan, vanaf datum beschikking, hun hoofdverblijfplaats bij hun vader zullen hebben.
3.3.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

De standpunten
4.1.
Door en namens de vrouw wordt in het verzoekschrift en tijdens de mondelinge behandeling het volgende aangevoerd. Partijen hebben bij hun uiteengaan met elkaar een ouderschapsplan gesloten waarin is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben. Ook is in het ouderschapsplan een zorgregeling vastgelegd op basis waarvan de kinderen één weekend in de veertien dagen bij de man verblijven. De vrouw heeft al langere tijd een nieuwe relatie en wil gaan verhuizen met de kinderen naar de woning van haar nieuwe partner. In het ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat het ieder van de ouders vrijstaat om binnen een straal van 25 kilometer te verhuizen zonder dat de andere ouder daar toestemming voor hoeft te geven. De door de vrouw beoogde verhuizing valt binnen de afgesproken straal van 25 kilometer. De man is het niet eens met de verhuizing. Hij wil graag een zorgregeling op basis van co-ouderschap maar daar kan de vrouw niet mee instemmen. De man wil al jarenlang middels druk en dwang zijn wil opleggen aan de vrouw. De man heeft problemen met zijn agressie-regulatie en erkent zijn problemen onvoldoende. Er is een melding gedaan bij Veilig Thuis naar aanleiding van uitlatingen door [minderjarige 1] van fysiek geweld van de man richting haar en [minderjarige 2] . De kinderen geven al langere tijd aan dat ze minder contact met de man willen maar de man wil daar niet naar luisteren en zijn eigen zin doordraven. De vrouw heeft tijdens het huwelijk maar ook in de jaren daarna psychisch geweld van de man richting haar moeten ondergaan en volgt daar nu behandeling voor.
De man vraagt nu uitbreiding van de zorgregeling terwijl de communicatie tussen partijen slecht is en de kinderen juist aangeven minder naar de man toe te willen. De vrouw vindt uitbreiding van de zorgregeling dan ook niet in het belang van de kinderen. Daarnaast is een verhuizing van woonplaats zonder wijziging van een nieuwe school voor de kinderen in de nieuwe woonplaats niet uitvoerbaar voor de vrouw. De nieuwe school sluit aan bij de situatie van de kinderen als zij in [plaats 2] wonen en vooral voor [minderjarige 1] is dit van belang nu zij achterloopt op school en nauwelijks vriendjes en vriendinnetjes in [plaats 1] heeft.
4.2.
Door en namens de man wordt in de stukken het navolgende aangevoerd. De man wil een grotere rol spelen in het leven van zijn kinderen. Hij erkent dat hij de afgelopen jaren te weinig betrokken is geweest in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Vanwege zijn gezondheidssituatie heeft de man zijn eerdere fulltime baan opgezegd. De man is op 11 februari 2025 geopereerd en herstelt sindsdien goed. De man wil graag dat de zorgregeling wordt uitgebreid. De man heeft dit bij al ruim voordat de vrouw haar wens om te verhuizen uitsprak, bij de vrouw aangegeven. De stelling van de vrouw dat de man de wens om de zorgregeling uit te breiden als wisselgeld gebruikt voor zijn toestemming voor de verhuizing klopt dan ook niet. De vrouw wil echter niet met de man in gesprek over uitbreiding van de zorgregeling. De man is niet tegen de voorgenomen verhuizing door de vrouw maar wil wel afspraken maken met de vrouw over de invulling van de zorg en welke invloed de verhuizing heeft op de hobby’s van de kinderen, het halen en brengen van de kinderen naar de BSO en naar school, etcetera. De vrouw wil echter niet met de man overleggen. De man heeft ook nog nooit kennis gemaakt met de nieuwe partner van de vrouw. Hij wil eerst met hem kennismaken voordat de kinderen bij hem gaan wonen. In april 2025 heeft de man voorgesteld om een traject van systeemtherapie bij JOIN te gaan volgen. De vrouw is daar niet mee akkoord gegaan. Partijen hebben wel al een gesprek bij het CJG gehad maar het CJG heeft aangegeven dat eerst de uitslag van de procedure moet worden afgewacht voordat er verder hulpverlening kan worden ingezet. De man is het niet eens met de door de inschrijving van de kinderen op [basisschool 2] . De man vindt een nieuwe basisschool niet in het belang van de kinderen. De kinderen gaan al vanaf hun vierde levensjaar naar de huidige basisschool. [minderjarige 1] zit in groep 7 en [minderjarige 2] in groep 5. Zeker voor [minderjarige 1] is een wisseling van basisschool niet in haar belang. Bovendien kunnen de kinderen prima op hun huidige basisschool blijven als zij in [plaats 2] wonen omdat de afstand tussen de basisschool en het toekomstige adres van de vrouw goed te overbruggen is, namelijk 20 minuten met de auto. De vrouw werkt in [plaats 3] en kan de kinderen dus naar school brengen en ze daar ook weer ophalen. De man wil graag dat de kinderen de ene week van maandagmiddag na school tot woensdagochtend naar school en vervolgens van vrijdagmiddag na school tot woensdagochtend naar school in de andere week, alsmede gedurende de helft van de vakanties bij hem verblijven. Ook wil de man dat het hoofdverblijf van de kinderen bij hem wordt bepaald, nu hij recht heeft op het kindgebonden budget en de vrouw na haar verhuizing niet meer. De man wil hier verder met de vrouw over in gesprek. De man vindt het nodig dat de ouders een hulpverleningstraject aangaan om te werken aan hun verstandhouding en communicatie. De kinderen zitten klem tussen de ouders. De man realiseert zich dat hij in de afgelopen periode niet altijd goed heeft gehandeld en gereageerd en dat er incidenten zijn voorgevallen die niet hadden mogen gebeuren. De ouders hebben hulp nodig om ervoor te zorgen dat het vanaf nu beter gaat. De man denkt dat de inzet van een kindbehartiger voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook helpend is. Vanuit de gesprekken met de kindbehartiger kan worden gekeken of de zorgregeling kan en moet worden aangepast. De man denkt dat er meer nodig is dan inzet van hulpverlening vanuit het CJG omdat dat traject in zijn ogen niet voldoende transparant is en de vrouw niet instemt met hulpverlening vanuit JOIN. De man doet de suggestie om partijen te verwijzen naar een hulpverleningstraject binnen het Uniform Hulpaanbod. In dat traject zit immers de waarborg dat de Raad een onderzoek kan doen op het moment dat het traject niet is geslaagd. De man verzoekt de beslissing op de wijziging van de school en de zorgregeling aan te houden in afwachting van het hulpverleningstraject. Een beslissing op het verzoek omtrent de verhuizing kan al wel worden genomen nu de man tegen dat verzoek geen verweer voert.
4.3.
De Raad verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van belang is dat de ouders een hulpverleningstraject gaan volgen. De ouders staan nu lijnrecht tegenover elkaar en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen geen onbelast contact hebben met beide ouders. Dat is niet in hun belang. De Raad adviseert ook de inzet van een kindbehartiger. Het is voor de kinderen goed om gesprekken te hebben met een neutrale derde. De Raad kan nog geen advies geven over de voorliggende verzoeken omtrent de school, het hoofdverblijf en de zorgregeling. Eerst is het van belang dat de ouders gaan werken aan hun onderlinge communicatie. De Raad is van mening dat de door de vrouw beoogde verhuizing wel kan worden doorgezet gelet op het feit dat de man daar geen bezwaar tegen heeft en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook vanuit hun nieuwe woonplaats naar hun huidige school kunnen blijven gaan.
Vervangende toestemming verhuizing
4.4.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van de ouders brengt mee dat de ene ouder voor het wijzigen van de woonplaats van een kind toestemming van de oudere ouder nodig heeft. Als de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen. Bij die beslissing dient de rechter – conform vaste rechtspraak – alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen.
Bij een dergelijke beslissing dient de rechter – conform vaste rechtspraak – alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen. Hoewel het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij deze belangenafweging, kunnen andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind (zie ook HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901). In de jurisprudentie zijn criteria ontwikkeld aan de hand waarvan een voorgenomen verhuizing moet worden beoordeeld. Dat zijn onder meer:
  • de noodzaak om te verhuizen;
  • de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
  • de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
  • de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
  • de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
  • de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
  • de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing.
  • de leeftijd van het kind, zijn mening en de mate waarin het kind geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
  • de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
4.5.
De rechtbank oordeelt als volgt. De man heeft zowel in de stukken als tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij geen verweer voert tegen het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor de verhuizing van de minderjarigen en de inschrijving van hen in de basisregistratie personen op het adres van de woning gelegen aan de [adres 1] , [plaats 4] . De rechtbank zal, mede gelet op het positieve advies van de Raad daaromtrent, de verzoeken van de vrouw toewijzen en aan haar vervangende toestemming verlenen voor de verhuizing van de minderjarigen naar [plaats 2] , gemeente Woensdrecht en voor de inschrijving van de minderjarigen in de gemeentelijke basisregistratie op het adres [adres 1] , gemeente Woensdrecht. Nu het verzoek zich naar zijn aard naar het oordeel van de rechtbank niet leent voor toewijzing met terugwerkende kracht, zoals primair door de vrouw is verzocht, zal de rechtbank deze toestemming verlenen met ingang van heden, dat wil zeggen met ingang van de datum van deze beschikking.
Verwijzing Uniform Hulpaanbod
4.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Het lukt ouders samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing zal gelijktijdig met het verzenden van deze beschikking aan partijen plaatsvinden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.7.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.8.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het (de) volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: zware systeemgerichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);
- de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
4.9.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.10.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het (de) kind(eren).
4.11.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de raad. De raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.12.
Wanneer de raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.13.
Wanneer de raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Past een wijziging van school bij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
- Past een wijziging van de hoofdverblijfplaats bij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
- Past een wijziging van de zorgregeling bij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en zo ja, hoe moet die regeling eruit gaan zien?
4.14.
Deze beschikking is een verzoek aan de raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.15.
Na een onderzoek of interventie van de raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.16.
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de persoonsgegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Verzoeken omtrent vervangende toestemming inschrijving school, wijziging hoofdverblijf en zorgregeling
4.17.
Omdat ouders en hun kinderen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het de verzoeken met betrekking tot het verlenen van vervangende toestemming inschrijving school, wijziging hoofdverblijf en zorgregeling, maar houdt zij de beslissing daarover aan tot
19 mei 2026 pro forma. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Verwijzing naar enkelvoudige kamer
4.18.
Voor de verdere behandeling van de procedure zal de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak terugverwijzen naar de enkelvoudige kamer, zodat de zaak vanaf nu door één rechter zal worden behandeld.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verleent aan de vrouw toestemming om met de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats] , met ingang van heden te verhuizen naar [plaats 2] , gemeente Woensdrecht alsmede hen in te schrijven in het BRP van de woning gelegen aan de [adres 1] gemeente Woensdrecht;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
verwijst ouders en hun minderjarige kind(eren) voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en kind(eren) vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige(n) verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.4.
verzoekt het loket om uiterlijk op
19 mei 2026 pro forma,of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.5.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de raad;
5.6.
verzoekt de raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.7.
verzoekt de raad, regio West- en Midden-Brabant, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.13 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.8.
verzoekt de raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.9.
houdt iedere overige beslissing aan;
5.10.
verwijst de procedure in de stand waarin zich deze bevindt naar de enkelvoudige kamer van de rechtbank.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. De Beer en mr. Van der Pols, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.