ECLI:NL:RBZWB:2025:7879

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
C/02/440190 / JE RK 25-1725
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en gebrekkige communicatie ouders

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 23 oktober 2025 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2012 en 2016, wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling. De kinderen wonen bij hun vader, terwijl de ouders in een echtscheidingsprocedure zijn verwikkeld en gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling vanwege zorgen over het ontbreken van inzet voor hulpverlening, onveiligheid in het gezin en stagnatie in ouderschapsbemiddeling.

De Raad stelde dat de kinderen blootgesteld zijn aan conflicten tussen de ouders, waarbij de moeder meerdere suïcidepogingen heeft gedaan en onvoorspelbaar gedrag vertoont, terwijl de vader kampt met trauma’s en niet tot handelen komt. De communicatie tussen ouders is gebrekkig, wat de situatie voor de kinderen bemoeilijkt. De kinderen ervaren stress en angst, met name de oudste die geen contact wenst met de moeder. De moeder erkent fouten uit het verleden en steunt het verzoek tot ondertoezichtstelling. De vader onderschrijft eveneens het verzoek en benadrukt het belang van luisteren naar de kinderen.

De kinderrechter concludeerde dat de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen niet kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening en dat een onafhankelijke professionele partij noodzakelijk is om sturing en coördinatie te bieden. De ondertoezichtstelling wordt daarom voor de duur van een jaar ingesteld en direct uitvoerbaar verklaard. De beschikking wordt geregistreerd in het gezagsregister en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank stelt de twee minderjarige kinderen voor de duur van een jaar onder toezicht vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en gebrekkige communicatie tussen de ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/440190 / JE RK 25-1725
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 september 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft geen mening gegeven. [minderjarige 1] heeft een gesprek gehad met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd, maar zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vader.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. De hulpverlening vanuit [jeugdhulp] die in het kader van casusregie bij het gezin is betrokken maakt zich zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. Er zijn zorgen over het ontbreken van inzet aan hulpverlening binnen het gezin en over het feit dat er geen zicht is op de thuissituatie van de ouders. De gesprekken tussen de hulpverlening en moeder over ouderschapsbemiddeling stagneren. Er is al langere tijd sprake van onveiligheid binnen het gezin. Moeder heeft meerdere suïcidepogingen gedaan. Er is een hersentumor bij haar verwijderd en het is nog niet duidelijk welke gevolgen dit heeft gehad. De hulpverlening benoemt het onvoorspelbaar gedrag van moeder. Vader kampt met trauma’s en komt daardoor niet tot handelen. Hij blokkeert in het contact met moeder. De Raad heeft zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Zij worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn in een eerdere procedure voorlopig aan de vader toevertrouwd. [minderjarige 1] woont na een ruzie (tijdelijk) bij vader en heeft geen contact met moeder. [minderjarige 2] woonde tot eind juni 2025 bij moeder. De omgangsregeling tussen [minderjarige 2] en vader was door moeder gestopt omdat zij zorgen had over [minderjarige 2] . Deze zorgen werden door de hulpverlening niet bevestigd. Eind juni 2025 heeft vader [minderjarige 2] bij de dagbesteding opgehaald en mee naar huis genomen. Sinds die periode verblijven [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de vader. De moeder heeft sinds augustus 2025 1 omgangsmoment met [minderjarige 2] . [minderjarige 1] heeft veel meegekregen van de ruzies tussen de ouders en van de zelfmoordpogingen van hun moeder. De moeder heeft spullen in de kamer van [minderjarige 1] kapotgemaakt terwijl hij daarbij was en de moeder heeft ook een keer bij school gestaan. [minderjarige 1] heeft dit als een angstig moment ervaren. Hij lijkt dicht te klappen als hij in de nabijheid van de moeder komt en lijkt zich onveilig te voelen in het contact met zijn moeder. Er is sprake van een groot visieverschil tussen de ouders. De vader en zijn netwerk leggen de schuld van de ontstane zorgen bij moeder, en moeder en haar netwerk leggen de schuld op hun beurt weer bij de vader. Ondanks dat de ouders aangeven dat zij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] niet belasten met hun wensen over waar zij gaan wonen krijgen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] de spanningen wel mee. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn blootgesteld geweest aan volwassen zaken. Door de strijd tussen de ouders lukt het hen niet meer om gezamenlijk de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorop te stellen waardoor zij niet meer toekomen aan hun eigen ontwikkelingstaken. Zij weten niet waar ze blijven wonen en hoe het contact met ouders eruit gaat zien. De Raad maakt zich ook zorgen over het gebrek aan communicatie tussen de ouders. De moeder wil in gesprek met de vader over de kinderen maar de vader heeft aangegeven dat hij hier geen ruimte voor heeft door alle gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden. Dit heeft een belemmerend effect. De ouders zijn op dit moment onvoldoende bereid en/of in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren, doordat ze niet constructief met elkaar kunnen communiceren. Het is noodzakelijk om een onafhankelijke professionele partij in te zetten die in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] optreedt en met de ouders duidelijke afspraken maakt, sturing biedt waar nodig en een coördinerende rol op zich neemt. De komende periode moet aan de volgende doelen worden gewerkt:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een veilige, rustige en voorspelbare opvoedingsomgeving;
  • Er is zicht op de problematiek van de kinderen en passende hulpverlening wordt hierop ingezet of verder doorgezet;
  • De opvoedingsomgeving bij beide ouders is in fysiek en emotioneel opzicht veilig; ouders hebben hierbij oog voor hun eigen problemen en hebben hier passende hulpverlening voor ingezet;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen van beide ouders de emotionele toestemming om een onbelast contact met de andere ouder te hebben;
  • De ouders maken afspraken over de communicatie met elkaar en hoe ze dit gaan vormgeven in het belang van de kinderen. Ze betrekken [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet in hun strijd. De kinderen worden niet belast met volwassen zaken;
  • De ouders hebben voldoende vertrouwen in elkaar als opvoeder.
De Raad vindt het positief dat beide ouders mee willen werken aan de ondertoezichtstelling.
4.2.
In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 1] aangegeven dat hij het fijn vindt om samen met [minderjarige 2] bij zijn vader te wonen. Hij voelt zich daar prettig. Het is rustig bij vader thuis. Er hangt daar een goede sfeer. Ook vindt hij het leuk om met [minderjarige 2] te spelen. [minderjarige 1] voelt zich verantwoordelijk voor haar. [minderjarige 1] geeft zijn leven een 8,5. Dit zou een 10 kunnen zijn als de rechtszaken er niet waren. Zijn hobby’s zijn vissen en FIFA en Formule 1 spelen. Dit doet hij graag met zijn vader. Het gaat goed op school. Tekenen, gym en Engels vindt hij leuk. Hij heeft vrienden. Ook kan hij goed praten met [persoon] van [praktijk] . Op dit moment wil hij geen contact met zijn moeder. Op zijn verjaardag heeft hij een appberichtje van zijn moeder ontvangen. Dat kwam voor hem heel onverwachts. Hij was niet op zijn gemak. Ook heeft hij zijn moeder in de winter nog een keer gezien. [minderjarige 1] was bang en voelde stress. Dit kwam volgens hem ook door de geur die nare herinneringen opriep. [minderjarige 1] heeft veel last gehad van de woonsituatie bij zijn moeder. De zelfmoordpogingen van zijn moeder hebben veel indruk op hem gemaakt. De laatste dag dat hij in [plaats 2] was, heeft zijn moeder spullen uit zijn kamer kapot heeft gemaakt. De hele kamer lag overhoop. [minderjarige 1] vertelde dat hij erg bang was en dat zijn moeder die dag naar hem heeft geschreeuwd dat de volgende zelfmoordpoging zijn schuld zou zijn. Hij was daar heel verdrietig over.
4.3.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting aangevoerd dat zij het eens is met het verzoek van de Raad. Ze heeft zelf aangegeven dat ze een ondertoezichtstelling nodig vindt. De moeder vindt het belangrijk dat er hulpverlening binnen het gedwongen kader wordt ingezet. Zij heeft de indruk dat de hulpverlening in het vrijwillig kader zich nog teveel focust op het verleden en zij wil dit graag anders zien. De moeder heeft momenteel geen contact met [minderjarige 1] . [minderjarige 2] heeft ze de afgelopen maanden iedere week een uur gezien. Sinds gisteren is het contact met haar uitgebreid naar twee uur. De moeder vindt het heel erg dat ze de kinderen zo weinig mag zien en dat [minderjarige 1] haar nu niet wil zien. De moeder heeft het idee dat [minderjarige 1] zich in een loyaliteitsconflict bevindt. De moeder vindt het niet fijn dat ze geen informatie krijgt van vader over hoe het met de kinderen gaat en is het ook niet eens met de wijze waarop hij de kinderen bij zich heeft gehouden. Toch wil ze de rust bewaren. De situatie bij de moeder is verbeterd. De relatie tussen partijen kenmerkte zich door veel onrust. Sinds de relatie uit is ervaart de moeder meer rust. Het klopt dat de moeder dingen in de kamer van [minderjarige 1] kapot heeft gemaakt. Zij heeft hier haar excuses voor aangeboden. De moeder heeft al meerdere keren aangegeven dat ze erkent dat ze fouten heeft gemaakt in het verleden en daar heeft ze spijt van. Ze wil vooruit kijken. Ze beseft ook dat het tijd kost om vertrouwen terug te winnen. Toch hoopt ze dat er ruimte is om te laten zien welke positieve stappen ze heeft gezet. De moeder hoopt dat er met behulp van hulpverlening gewerkt kan worden aan verbetering van de communicatie tussen de ouders en dat de vader daarvoor open staat.
4.4.
De vader verklaart tijdens de zitting dat hij het eens is met het verzoek van de Raad. De vader vindt het goed dat de ondertoezichtstelling er komt. [minderjarige 1] is bang voor contact met zijn moeder. Hij is nog erg bezig met het incident van het kapot maken van zijn spullen door zijn moeder. Hij ervaart daar nog steeds last van. De vader vindt het belangrijk dat er goed naar [minderjarige 1] wordt geluisterd. In het begin vond de vader dat de hulpverlening onvoldoende naar [minderjarige 1] luisterde. Dat is nu verbeterd. [minderjarige 2] , die een beperking heeft, is net begonnen op haar nieuwe school. Ze heeft het daar naar haar zin. Het klopt dat de vader het moeilijk vindt om te werken aan de communicatie met de moeder.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. Er is veel gebeurd tussen de ouders en ook in de situatie van de moeder hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veel meegemaakt. De moeder had ernstige gezondheidsproblemen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn direct en indirect getuige geweest van de suïcidepogingen van hun moeder. Ook hebben zij veel meegekregen van de ruzies tussen hun ouders. Zij ervaren daar nog steeds last van. Ook is er geen sprake van onbelast contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun moeder. Met name [minderjarige 1] heeft veel nare herinneringen die maken dat het voor hem lastig is om nu contact met zijn moeder te hebben. [minderjarige 2] heeft te kampen met haar eigen problematiek. Er zou sprake zijn van een verstandelijke beperking en een stoornis in het ASS spectrum. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het de ouders binnen het vrijwillig kader niet is gelukt de zorgen rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. De ouders communiceren niet met elkaar en de kinderrechter is van oordeel dat die communicatie moet verbeteren. Het is van belang dat de GI hulpverlening gaat inzetten die gaat beoordelen of er tussen de ouders rechtstreeks weer sprake kan zijn van communicatie of dat deze communicatie beter op een andere manier kan worden vormgegeven. Ook vindt de kinderrechter het van belang dat de GI door middel van hulpverlening zicht krijgt op de leefsituatie van beide kinderen en gaat kijken of en zo ja op welke manier er weer contact kan zijn tussen de moeder en [minderjarige 1] . De kinderrechter geeft de ouders mee om er oog voor te hebben dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijd nodig hebben om te werken aan het herstel van vertrouwen als gevolg van alle gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt. Het is in hun belang dat de ouders een manier gaan vinden waarop zij samen de ouderrol in kunnen vullen.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 23 oktober 2025 tot 23 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga als griffier, en op schrift gesteld op 10 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.