ECLI:NL:RBZWB:2025:7886

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
RK 25-013714
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 552d lid 2 SvArt. 94a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid klaagschrift tot opheffing beslag wegens ontbrekende bevoegdheid

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 11 november 2025 een klaagschrift ex artikel 552a Sv, waarin werd verzocht het beslag op sieraden en een geldbedrag terug te geven aan de erven van de overledene. Klaagster stelde dat de sieraden en het geld toebehoorden aan de overledene en dat de erven rechthebbenden waren. Tijdens de raadkamerbehandeling werd vastgesteld dat de overledene in gemeenschap van goederen was getrouwd en geen testament had, waardoor de erfenis volgens het erfrecht toekomt aan de echtgenote.

Hoewel klaagster en medeklaagsters verklaarden dat het de bedoeling was dat de sieraden en het geld aan de echtgenote zouden terugkeren, was de echtgenote niet als klager genoemd in het klaagschrift en was geen machtiging overgelegd die het klaagschrift mede namens haar indiende. De rechtbank oordeelde dat binnen een beklagprocedure alleen de klager zelf teruggave kan verzoeken en dat de overgelegde machtiging onvoldoende was om dit gebrek te herstellen.

Daarom werd klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klaagschrift. De rechtbank zag geen aanleiding om inhoudelijk te beoordelen of de sieraden en het geld daadwerkelijk toebehoorden aan de overledene. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Klaagster is niet-ontvankelijk verklaard in het klaagschrift wegens het ontbreken van een geldige machtiging namens de rechthebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02-811160-13
rk.nummer: 25-013714
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a Sv van:
[klaagster 1]
geboren op [geboortedag] 1963
woonplaats kiezende op het kantoor van mr. R. Zilver, Maliesingel 2, 3581 BA Utrecht

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 20 mei 2025 ter griffie van deze rechtbank;
  • de kennisgevingen van inbeslagneming op grond van artikel 94a Sv, waaruit blijkt dat in de strafzaak tegen [belanghebbende] sieraden en een geldbedrag van in totaal € 77.490,00 in beslag zijn genomen;
  • de reactie van de officier van justitie en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 28 oktober 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de volgende personen gehoord:
- officier van justitie mr. S. Massier;
- klaagster;
- waarnemend (en gemachtigd) raadsman van klaagster en medeklaagsters mr. S. Schuurman;
- medeklaagster [medeklaagster 1] en
- belanghebbende [belanghebbende] .
Medeklaagster [medeklaagster 2] is niet bij de behandeling in raadkamer verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de de erven van [erflater] . Daartoe is aangevoerd dat de sieraden en het geldbedrag toebehoorden aan [erflater] . De sieraden betreffen investeringen en familie-erfstukken. Het geldbedrag is door [erflater] op legale wijze verdiend. Ter ondersteuning van dit standpunt zijn foto’s, verklaringen en facturen overgelegd. Over het beslag is eerder het klaagschrift met nummer 17-007078 ingediend en beoordeeld. Voornoemde stukken vormen naar de mening van de raadsman de nieuwe feiten en omstandigheden waardoor het klaagschrift inhoudelijk kan worden behandeld. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat door het tijdsverloop de toets van de proportionaliteit van het beslag anders is komen te liggen. [erflater] is na de behandeling van het eerdere klaagschrift overleden. Volgens klaagster was het zijn wens dat de sieraden aan de kleinkinderen werden gegeven. Desgevraagd hebben zij en [medeklaagster 1] in raadkamer verklaard dat er geen sprake is van een testament. Het is de bedoeling dat de sieraden en het geld teruggaan naar [echtgenote] (de weduwe van [erflater] ). Na haar overlijden zullen de sieraden en het resterende geld worden verdeeld. Bij de behandeling in raadkamer is een briefje overgelegd waaruit volgt dat [echtgenote] klaagster [klaagster 2] en [medeklaagster 1] machtigt om haar belangen te behartigen. De voorzitter heeft met behulp van de identiteitskaart van [echtgenote] vastgesteld dat het bericht door haarzelf is ondertekend.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in vergelijking met het klaagschrift met nummer 17-007078. Naar de mening van de officier van justitie geeft het tijdsverloop in deze zaak geen aanleiding voor een nieuwe beoordeling. Zij heeft verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in het klaagschrift. Zij merkt hierbij op dat zij geen nader onderzoek naar de facturen heeft kunnen laten verrichten, omdat die pas twee dagen voor de raadkamerbehandeling zijn toegezonden door de raadsman.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
Klaagster en medeklaagsters hebben namens de erven [erflater] (verder: [erflater] ) gesteld dat het geld en de sieraden toebehoorden aan [erflater] . Nu hij is overleden zijn naar hun mening de erven van [erflater] de redelijkerwijs rechthebbenden geworden. Bij de behandeling in raadkamer is door [klaagster 2] en [medeklaagster 1] verklaard dat wijlen [erflater] in gemeenschap van goederen was getrouwd met [echtgenote] en dat hij geen testament heeft opgemaakt. Indien de rechtbank uitgaat van deze gegevens, betekent dit volgens de regels van het erfrecht enerzijds dat als erfgenamen van [erflater] aangemerkt worden zijn echtgenote [echtgenote] en zijn drie kinderen, te weten [klaagster 2] , [belanghebbende] en [medeklaagster 1] , maar anderzijds dat de erfenis van [erflater] in de huwelijkse gemeenschap van goederen valt. Door de wettelijke verdeling komen alle goederen uit de nalatenschap van [erflater] toe aan zijn echtgenote [echtgenote] .
[klaagster 2] en [medeklaagster 1] hebben in raadkamer bevestigd dat het de bedoeling is dat het geld en de sieraden teruggaan naar [echtgenote] . De rechtbank stelt vast dat in het klaagschrift is vermeld dat teruggave wordt verzocht aan de erven [erflater] . [echtgenote] is in het klaagschrift niet bij naam genoemd. Bij het klaagschrift is ook geen machtiging gevoegd waaruit blijkt dat het klaagschrift mede namens haar is ingediend. De machtiging die bij de raadkamerbehandeling is overgelegd kan dit gebrek niet herstellen. Hierin is immers alleen vermeld dat [klaagster 2] en [medeklaagster 1] de belangen van [echtgenote] mogen behartigen. In dit stuk wordt geen enkele link gelegd met deze klaagschriftprocedure. Gelet hierop kan de rechtbank het klaagschrift niet zo ruim opvatten dat het ook is ingediend door [echtgenote] .
Het is binnen een beklagprocedure niet mogelijk om teruggave van een in beslag genomen goed te verzoeken aan iemand anders dan de klager zelf. Om die reden zal de rechtbank klaagster niet-ontvankelijk verklaren in haar beklag.
Gelet op voorgaande conclusie komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of de sieraden en het geld al dan niet toebehoorden aan [erflater] .

3.De beslissing

De rechtbank verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het klaagschrift.
Deze beslissing is op 11 november 2025 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. R.J.H. de Brouwer en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 11 november 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).