ECLI:NL:RBZWB:2025:7890
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herleving Wajong-uitkering na detentie en toepasselijkheid aanvraagdatum
Eiser, die sinds 2011 een Wajong-uitkering ontvangt, werd gedetineerd vanaf 15 maart 2023, waarna zijn uitkering werd beëindigd. Na zijn vrijlating op 15 november 2024 verzocht hij het UWV om herleving van de uitkering. Het UWV stelde de herleving in op 7 december 2024, de datum waarop zij het verzoek ontvingen. Eiser betwistte deze datum en stelde dat de herleving per 15 november 2024 of in ieder geval per 20 november 2024 (datum verzending brief) had moeten plaatsvinden.
De rechtbank overwoog dat op grond van het wettelijke regime van Hoofdstuk 2 van de Wajong 2015 een aanvraag vereist is voor herleving en dat de datum van ontvangst van deze aanvraag bepalend is voor de ingangsdatum van de herleving. Terugwerkende kracht is niet mogelijk, noch voorziet de wet hierin. De stelling van eiser dat de brief eerder was verzonden, maar later werd ontvangen, leidt niet tot een eerdere ingangsdatum, omdat het risico van vertraging bij verzending voor rekening van eiser komt.
Eiser voerde ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan, verwijzend naar een andere zaak waarin een uitkering per datum van vrijlating werd hervat. De rechtbank stelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een feitelijk en juridisch gelijk geval en verwierp dit beroep. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, waardoor de herleving van de uitkering per 7 december 2024 gehandhaafd blijft.
Uitkomst: De herleving van de Wajong-uitkering vindt plaats op de datum van ontvangst van de aanvraag door het UWV, 7 december 2024.