ECLI:NL:RBZWB:2025:7890

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
24/4716
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herleving van Wajong-uitkering na detentie en de bepalende datum van aanvraag

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 17 november 2025, in de zaak tussen eiser, vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder, en het UWV, staat de herleving van de Wajong-uitkering centraal. Eiser ontving sinds 3 juni 2011 een Wajong-uitkering, die door het UWV werd beëindigd op 15 april 2023 vanwege zijn detentie. Na zijn vrijlating op 15 november 2024 verzocht eiser het UWV om zijn uitkering te laten herleven, maar het UWV stelde dat de herleving pas inging op de datum van ontvangst van zijn aanvraag, 7 december 2024. Eiser was het hier niet mee eens en voerde aan dat zijn uitkering per datum van vrijlating of ten minste per datum van zijn aanvraag op 20 november 2024 had moeten herleven.

De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht had besloten dat de uitkering op 7 december 2024 herleefde. De rechtbank benadrukte dat de wetgeving omtrent de Wajong-uitkering bepaalt dat de herleving van de uitkering afhankelijk is van de datum van aanvraag en niet van de datum van vrijlating. Eiser had niet aangetoond dat zijn situatie gelijk was aan die van andere cliënten die eerder een herleving hadden gekregen. De rechtbank concludeerde dat het beroep van eiser ongegrond was, wat betekende dat er voor hem niets veranderde en dat hij geen proceskostenvergoeding ontving.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/4716 Wajong

uitspraak van 17 november 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[de bewindvoeder] , in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van

[eiser], uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herleving van de uitkering van eiser op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) na beëindiging wegens detentie. Eiser is het niet eens met de datum waarop zijn uitkering is herleefd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de uitkering terecht per 7 december 2024 heeft laten herleven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft besloten dat de uitkering op 7 december 2024 is herleefd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2
Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn. Onder 3 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 en 5 staan het wettelijk kader en de grondslag van het bestreden besluit. Onder 6 en 7 volgt een weergave van het medisch en arbeidskundig onderzoek. Onder 8 en 9 staan de standpunten van eiser en het UWV. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 10. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: heeft eiser arbeidsvermogen en zo niet, is het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser ontvangt sinds 3 juni 2011 een Wajong-uitkering.
Het UWV heeft de uitkering beëindigd met ingang van 15 april 2023, omdat eiser sinds 15 maart 2023 gedetineerd is.
Eiser is op 15 november 2024 uit detentie gekomen. Hij heeft bij brief van 20 november 2024 het UWV verzocht de uitkering te laten herleven.
Het UWV heeft dit verzoek ontvangen en daar een datumstempel op geplaatst van
7 december 2024.
2.1.
Met het besluit van 18 maart 2024 (primair besluit) heeft het UWV de Wajong-uitkering van eiser met ingang van 7 december 2024 laten herleven, omdat het verzoek om herleving op die datum is ontvangen. Eiser heeft hier tegen bezwaargemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 14 mei 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit tot herleving van de uitkering per 7 december 2024 gehandhaafd. Hieraan zijn de artikelen 2:15 en 2:17 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten ten grondslag gelegd.

Procesverloop

3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.1
Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en mr. M.B.A. van Grinsven namens het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt eiser
5. Eiser voert aan dat zijn recht op Wajong-uitkering herleeft op de dag dat zijn detentie is geëindigd. Volgens eiser volgt dit uit artikel 1a:16, eerste lid, aanhef en onder a, juncto artikel 1a:17, eerste lid, aanhef en onder b, juncto artikel 1a:20, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Deze bepalingen geven volgens eiser recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering wanneer de uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 1a:16, eerste lid, aanhef en onder a, niet meer voortduurt. Omdat zijn detentie per 15 november 2023 is geëindigd, dient de Wajong-uitkering volgens eiser per die datum te worden hervat.
5.1.
Eiser voert verder aan dat dit standpunt strookt met een besluit van het UWV van 13 maart 2024. Daarin is in een vergelijkbare zaak van een andere cliënt van zijn bewindvoerder de uitkering per datum van vrijlating voortgezet. Eiser ziet daarom niet in waarom in zijn geval pas vanaf een later moment recht zou bestaan op hervatting van de uitkering. Volgens eiser volgt hieruit dat de uitkering met ingang van 15 november 2023 moet worden hervat.
5.2.
Subsidiair voert eiser aan dat het recht op uitkering in ieder geval op 20 november 2023 dient te herleven. Dat is de datum waarop eiser zijn verzoek tot hervatting van de uitkering bij brief aan het UWV heeft gedaan. Volgens eiser is de brief op 20 november 2023 daadwerkelijk op de post gedaan en moet worden aangenomen dat deze diezelfde dag is verzonden.
5.3.
Eiser voert aan dat het UWV ten onrechte stelt dat de brief pas op 7 december 2023 is ontvangen. Volgens eiser blijkt nergens uit dat dit juist is. De brief bevat enkel een stempel van het UWV die uitsluitend ziet op de datum van digitalisering en zegt niets over de datum van ontvangst. Eiser stelt dat het UWV ook de envelop van de brief had moeten overleggen, omdat daarop mogelijk een stempel van PostNL staat met de daadwerkelijke datum van ontvangst. Volgens eiser is de brief geadresseerd aan het juiste adres van het UWV en op 20 november 2023 op de post gedaan. Daarbij is gebruikgemaakt van de dagelijkse routine van de bewindvoerder, waarbij stukken op de dag van verzending worden gepost..
5.4.
Eiser voert daarnaast aan dat, zelfs indien wordt aangenomen dat het UWV de brief daadwerkelijk pas op 7 december 2023 heeft ontvangen, dit niet aan hem kan worden tegengeworpen. Eiser stelt dat de enige manier om een einde van detentie door te geven aan het UWV is via de post. Volgens eiser is het niet mogelijk dit digitaal of telefonisch te doen. De datum waarop de brief het UWV bereikt, is daardoor afhankelijk van de bezorging door PostNL. Het UWV biedt volgens eiser geen alternatieve mogelijkheid om een dergelijke wijziging tijdig door te geven. Daarom dient de uitkering volgens eiser in ieder geval met ingang van 20 november 2023 te worden hervat.
Standpunt UWV in reactie op het beroep van eiser
6. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser onder het regime valt van Hoofdstuk 2 van de Wajong 2015. Uit de artikelen 2:11, 12:2 en 2:15 t/m 2:17 van de Wajong 2015 volgt dat het recht op Wajong-uitkering na detentie niet automatisch herleeft, maar pas op de dag van de aanvraag van betrokkene.
6.1.
Het UWV heeft aangevoerd dat het feit dat voor een andere persoon eerder een Wajong-uitkering is gaan herleven, niet betekent dat sprake is van gelijke gevallen. Voor die persoon geldt mogelijk een ander Wajong-regime en er is niet aangetoond dat sprake is van gelijke gevallen.
6.2.
De melding van eiser dat zijn detentie is geëindigd, is door het UWV op 7 december 2023 ontvangen bij de afdeling Documentaire Informatie Voorziening (DIV). Deze datum geldt volgens het UWV als de datum van ontvangst en niet als digitaliseringsdatum.
6.3.
Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat de brief is gedateerd op 20 november 2023 niet betekent dat deze ook op die datum door het UWV is ontvangen. Volgens vaste jurisprudentie komt het risico van verzending van poststukken voor rekening en risico van de verzender. Vertragingen in de postbezorging komen daarbij niet voor rekening van het UWV. Ook het gestelde dat de brief op de dag van het opstellen daarvan op de post is gedaan, dan wel dat dit de dagelijkse routine van de bewindvoerder is, maakt dit niet anders.
6.4.
Met betrekking tot het louter doorgeven per post verwijst het UWV naar artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daaruit volgt dat berichten die elektronisch worden verzonden worden geacht te zijn ontvangen voor zover het bestuursorgaan heeft aangegeven dat de elektronische weg is geopend. Het feit dat het UWV de elektronische weg niet heeft geopend, maakt echter niet dat om deze reden uitgegaan moet worden van een eerdere datum.
Overwegingen rechtbank
7. Vast staat dat eiser sinds 2011 een Wajong-uitkering ontvangt. Dat betekent dat op eiser het wettelijk regime van Hoofdstuk 2 van de Wajong 2015 van toepassing is, zoals het UWV ook heeft gedaan. Dat heeft eiser ter zitting ook erkend. Verder is niet in geschil dat uit de bepalingen van Hoofstuk 2 volgt dat voor de herleving van een Wajong-uitkering na detentie een aanvraag nodig is.
Datum herleving
7.1.
Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat uit Hoofdstuk 2 van de Wajong 2015 inderdaad voortvloeit dat voor herleving een aanvraag nodig is, maar dat dit niks zegt over de ingangsdatum van de herleving. Er is altijd sprake van tijdsverloop tussen het einde van de detentie en het (kunnen) doen van een aanvraag en het levert een onredelijk nadeel op ten laste van eiser als wordt uitgegaan van de aanvraagdatum.
Het UWV heeft aangevoerd dat uit de wet en de jurisprudentie voortvloeit dat de aanvraagdatum leidend is voor de herleving.
7.2.
De rechtbank overweegt dat het standpunt van eiser er op neerkomt dat aan de aanvraag terugwerkende kracht wordt toegekend. De rechtbank stelt voorop dat in dit geval het recht op arbeidsondersteuning niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend. De tekst van (het derde lid van) artikel 2:15 is volstrekt helder en ook in de overige bepalingen van hoofdstuk 2 is geen mogelijkheid voor terugwerkende kracht opgenomen. Hoofdstuk 2 van de Wajong voorziet niet in de mogelijkheid om hier een uitzondering op te maken.
7.3.
Deze door de wetgever gemaakte keuze wordt in de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Wet Wajong in verband met het bevorderen van arbeidsparticipatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning [1] (voor zover hier van belang) als volgt toegelicht:
“1. Aanvang inkomensondersteuning
In het conceptwetsvoorstel is geregeld dat het recht op arbeidsondersteuning niet eerder ontstaat dan zestien weken nadat daartoe een aanvraag is ingediend. Deze tijd heeft het UWV nodig om vast te stellen of aan alle voorwaarden voor dat recht is voldaan en om een participatieplan op te stellen. In die periode kan de jongere tevens een aanvraag om inkomensondersteuning indienen. In dat geval ontvangt hij, als aan alle voorwaarden voor het recht op arbeidsondersteuning is voldaan, inkomensondersteuning vanaf de eerste dag dat hij recht heeft op arbeidsondersteuning. Als de aanvraag voor inkomensondersteuning pas daarna wordt ingediend, wordt zij verstrekt vanaf de datum van aanvraag. Het met terugwerkende kracht verstrekken van inkomensondersteuning past niet bij het doel van het wetsvoorstel. Dit doel is om jongeren met arbeidsbeperkingen te ondersteunen bij het vinden en behouden van werk. Arbeidsondersteuning staat daarom centraal in het wetsvoorstel. Het spreekt vanzelf dat deze arbeidsondersteuning niet eerder kan ingaan dan nadat een jonggehandicapte daartoe een aanvraag heeft ingediend en het UWV de tijd heeft gehad om vast te stellen of aan de voorwaarden is voldaan en om een participatieplan op te stellen. Een onderdeel van die arbeidsondersteuning kan zijn dat de jonggehandicapte inkomensondersteuning wenst en nodig heeft. Met dit karakter van de inkomens-ondersteuning, te weten een onderdeel van het totale pakket aan arbeidsondersteuning, strookt het niet dat die inkomensondersteuning met terugwerkende kracht zou kunnen worden verstrekt. Dit zou immers betekenen dat een onderdeel van de arbeidsondersteuning wordt verstrekt over een periode voordat het recht op arbeidsondersteuning is ontstaan.
Het kabinet deelt niet de opvatting van het UWV dat het ontbreken van de mogelijkheid om de inkomensondersteuning met terugwerkende kracht te verstrekken, tot onbedoelde effecten kan leiden. Volgens het UWV kan dit tot een toename van het aantal aanvragen leiden omdat jongeren hun aanvraag zullen indienen ruim voor hun 18e verjaardag. Het kabinet vindt dit, anders dan het UWV, geen onbedoeld effect. (…) Het is juist wenselijk dat jongeren die ondersteuning nodig hebben zich tijdig melden, zodat zij meteen de benodigde ondersteuning kunnen krijgen, en niet eerst een periode laten voorbijgaan waarin zij arbeidsmogelijkheden hebben.
(…)
2.3.3
Herleven van het recht op arbeidsondersteuning
Een geëindigd recht kan soms herleven. Herleving houdt in dat het oude recht weer bestaat. Dat is het geval als de eindigingsgrond zich niet meer voordoet en de betrokkene een verzoek om herleving van zijn recht heeft ingediend. Onder de volgende omstandigheden kan het recht op arbeidsondersteuning herleven:
(…)
• Als de jonggehandicapte die rechtens zijn vrijheid is ontnomen, in vrijheid wordt gesteld en een verzoek om herleving doet. De herleving van het recht kan ingaan vanaf de dag dat hij in vrijheid is gesteld.”
7.4.
Dit betekent dat niet alleen de dag van invrijheidstelling bepalend is, maar ook de dag dat de aanvraag is ingediend. Dit is een bewuste keuze geweest van de wetgever en geldt voor iedereen die aanspraak maakt op een Wajong-uitkering op grond van hoofdstuk 2 van de Wajong [2] . Van een situatie waarin sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel is dus geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Datum aanvraag
7.5.
Eiser voert aan dat het UWV de uitkering had moeten laten herleven per 20 november 2023, omdat dat de datum is waarop zijn aanvraag is gedaan.
Het UWV stelt dat de ingangsdatum van herleving van de Wajong-uitkering gelijk is aan de ontvangstdatum van de aanvraag (het verzoek) om herleving, en dus op 7 december 2023.
7.6.
De datum dat de Wajong-uitkering herleeft, volgt uit artikel 2:15, derde lid, van de Wajong. Daarin is namelijk bepaald dat het recht op arbeidsondersteuning herleeft op de dag waarop de aanvraag om het recht op arbeidsondersteuning werd ingediend.
7.7.
Het UWV stelt dat elk ontvangen poststuk op dezelfde dag wordt gestempeld, in dit geval op 7 december 2023. De datum van 7 december 2023 betreft de ontvangstdatum door documentatie Informatie Voorziening, niet de digitaliseringsdatum. Eiser stelt daartegenover dat onderdeel van haar dagelijkse routine als bewindvoerder is, dat poststukken op de dag van opstellen op de post worden gegooid. Naar het oordeel van de rechtbank kan eisers enkele stelling echter, zonder onderbouwende stukken, niet worden gevolgd. Uitgegaan dient te worden van de stempeldatum als ontvangstdatum van eisers aanvraag. Dat de aanvraag alleen per post kan worden gedaan, is daarbij niet relevant. Het UWV heeft de elektronische weg niet opengesteld en is daartoe op grond van de wet of (ongeschreven) rechtsbeginselen ook niet verplicht. Dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden tot indiening van zijn aanvraag per aangetekende post dient voor zijn rekening en risico te blijven.
Beroep op het gelijkheidsbeginsel
7.8.
Eiser heeft zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Hij verwijst daarbij naar een besluit in een vergelijkbare zaak waarin de uitkering van een andere cliënt van zijn bewindvoerder de uitkering per datum van vrijlating is voortgezet.
7.9.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel sprake dient te zijn van een in feitelijke en juridische zin gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.
Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat het UWV gelijke gevallen ongelijk heeft behandeld. Hierin is eiser niet geslaagd. Eiser heeft niet met concrete gegevens onderbouwd dat sprake is van een geval dat feitelijk en juridisch overeenkomt met zijn situatie. De brief die als bewijsstuk is overgelegd, betreft een besluit waarin een Wajong-uitkering per datum van vrijlating is herleefd. Uit deze brief blijkt echter niet welk hoofdstuk van de Wajong van toepassing is, of op welke datum het verzoek tot herleving in dat geval is ingediend en of, gelet op het toepasselijke hoofdstuk, een aanvraagvereiste geldt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert.
8.1.
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Oulad El Hadj, griffier, op 17 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage wettelijk kader
Wajong 2015
Artikel 2:11, eerste lid, aanhef en onder a
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden: het rechtens zijn vrijheid zijn ontnomen.
Artikel 2:12
1. In afwijking van de artikelen 2:15 en 2:16 is artikel 2:11, eerste lid, onderdeel a, eerst van toepassing met ingang van de dag dat de persoon één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, tenzij op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht bestaat op arbeidsondersteuning op grond van artikel 2:11, eerste lid, onderdeel b.
2. (…)
3. Voor de toepassing van het eerste lid, worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Artikel 2:15
1. De jonggehandicapte heeft op aanvraag recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk, indien:
a. hij sinds de dag waarop hij jonggehandicapte werd niet in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen;
b. op hem geen uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 2:11 van toepassing is;
c. hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
d. hij de aanvraag, bedoeld in de aanhef, heeft ingediend op of na de datum van inwerkingtreding van de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning (Stb. 2009, 580).
2. Het recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk ontstaat op de dag dat aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan doch niet eerder dan zestien weken na de dag waarop de aanvraag om het recht op arbeidsondersteuning, bedoeld in dit artikel, werd ingediend.
3. In afwijking van het tweede lid ontstaat het recht op arbeidsondersteuning op de dag waarop de aanvraag om het recht op arbeidsondersteuning werd ingediend, indien:
a. de jonggehandicapte volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; of
b. het recht op arbeidsondersteuning op grond van artikel 2:17, eerste of tweede lid, herleeft.
4. Recht op arbeidsondersteuning ontstaat niet, indien dit zou ingaan op of na de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel B, van de Invoeringswet Participatiewet.
5. In afwijking van het vierde lid kan het recht op arbeidsondersteuning wel herleven op grond van artikel 2:17 of ontstaan op grond van artikel 8:10, vierde lid.
Artikel 2:16, eerste lid, aanhef en onder b
Het recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk eindigt op de dag dat er op hem een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 2:11 van toepassing is.
Artikel 2:17, tweede lid
Indien op grond van artikel 2:16, eerste lid, onderdeel b, geen recht op arbeidsondersteuning meer bestaat omdat op de persoon die recht had op arbeidsondersteuning één of meer uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, onderdeel a, b, c, d of f van toepassing waren, herleeft op aanvraag het recht op arbeidsondersteuning wanneer zich geen van deze uitsluitingsgronden meer voord

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2008/09, 31 780 nr. 3 blz. 27 e.v.
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8452.