ECLI:NL:RBZWB:2025:8043

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
25/5153 OPIUMW
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 4:84 AwbArt. 5:1 AwbArt. 5:21 AwbArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugshandel

De burgemeester van Tilburg heeft op 24 september 2025 een woning gesloten voor twee maanden op grond van de Opiumwet, nadat bij een politieonderzoek op 29 maart 2025 grote hoeveelheden harddrugs en attributen voor drugshandel werden aangetroffen. Verzoekers, eigenaren van de woning, maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben, omdat zij zelf niet in de woning wonen en het belang van hun oudste zoon niet samenvalt met hun eigen belang. Het financiële belang bij verkoop van de woning is onvoldoende om spoedeisendheid aan te nemen. Daarnaast is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, gezien de omvang van de drugshandel, recidive en het gemeentelijk beleid.

Verzoekers stelden dat het besluit in strijd is met het eigendomsrecht en Unierecht, en dat de burgemeester niet bevoegd zou zijn, maar deze argumenten worden verworpen. De burgemeester heeft gemotiveerd dat sluiting noodzakelijk is voor herstel van de rechtsorde en openbare orde. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek moet worden afgewezen en dat er geen voorlopige voorziening wordt getroffen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en het niet evident onrechtmatig zijn van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5153 OPIUMW

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker, en
[verzoekster], verzoekster, uit [plaats 1] , tezamen verzoekers,
(gemachtigde: [gemachtigde 1] )
en

de burgemeester van de gemeente Tilburg, (de burgemeester), verweerder,

(gemachtigde: mr. B. van den Broek en [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

1.1
Met het bestreden besluit van 24 september 2025 heeft de burgemeester de woning
aan [adres] in [plaats 2] voor twee maanden gesloten op grond van de Opiumwet.
Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2
De burgemeester heeft toegezegd de effectuering van het bestreden besluit op te schorten tot drie dagen na bekendmaking van de uitspraak van de voorzieningenrechter.
1.3
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van het besluit
2.1
Verzoekers zijn eigenaar van de woning aan [adres] in [plaats 2] . Zij wonen elders.
2.2
Uit de Bestuurlijke rapportage van 24 juni 2025 blijkt dat de politie op 29 maart 2025, na een melding over de aanwezigheid van drugs, een onderzoek heeft ingesteld in deze woning. In de woning werden de volgende middelen in beslag genomen:
- 19.198,96 gram aan XTC-pillen
- 50,55 gram cocaïne
- 775,85 gram ketamine
- 4.029,52 gram amfetamine
- 997,30 gram MDMA
- 34,95 gram methamfetamine
- 50 stuks LSD
Daarnaast werden een groot aantal dozen, een machine om conservenblikken te sluiten, verzendlabels, printers en een laptop aangetroffen. Op het dak van de woning werd een man aangehouden. Hij stond niet ingeschreven op het adres, maar bleek na fouillering wel de sleutels van de woning te hebben.
2.3
Met de brief van 14 juli 2025 heeft de burgemeester aan verzoekers meegedeeld dat hij voornemens is de woning aan [adres] in [plaats 2] voor vier maanden te sluiten. Dit voornemen heeft de burgemeester ook aan [naam] , de oudste zoon van verzoekers, gezonden.
Verzoekers hebben tegen het voornemen een zienswijze ingediend.
Bestreden besluit
2.4.1
Met het bestreden besluit van 24 september 2025 heeft de burgemeester verzoekers woning gesloten voor de duur van twee maanden.
2.4.2
De burgemeester stelt bevoegd te zijn om tot sluiting van de woning over te gaan, gelet op de zeer grote handelshoeveelheid harddrugs (24 kilo) die is aangetroffen. Daarnaast wijzen de volgende omstandigheden volgens de burgemeester op handel: de melding die aanleiding gaf de woning te onderzoeken, de attributen die wijzen op drugshandel per post en de antecedenten van de jongste zoon van verzoekers en de man op het dak op het gebied van de Opiumwet.
2.4.3
De politie wijst ook op het feit dat in de afgelopen vijf jaar 52 uiteenlopende incidenten zijn vastgelegd met betrekking tot de woning: een hennepkwekerij, heling, gestolen goederen, hondenbijtincidenten en overlastmeldingen.
2.4.4
Eerder, op 2 april 2021, is in de woning een hennepkwekerij met 92 planten aangetroffen. Destijds hebben verzoekers toegelicht dat zij de woning hebben aangekocht voor hun jongste zoon
,zij na ontdekking van de kwekerij direct de politie hebben ingeschakeld en aangifte hebben gedaan. Verder gaven verzoekers aan dat hun zoon de woning zou moeten verlaten en dat zij de woning zo snel mogelijk zouden herstellen en verkopen, omdat zij niet opgewassen bleken tegen de situatie. Gelet daarop heeft de burgemeester verzoekers op 7 juli 2021 schriftelijk laten weten af te zien van een voorgenomen sluiting van drie maanden. Nu, vier jaar later, blijkt dat verzoekers de woning niet hebben verkocht en hun jongste zoon tot 16 april 2025 op het adres ingeschreven heeft gestaan. Vanaf 16 april 2025 staat de oudste zoon van verzoekers daar ingeschreven.
2.4.5
Gelet op het feit dat sprake is van de tweede constatering binnen vijf jaar en van een zeer ernstig geval, omdat meer dan één kilo harddrugs is aangetroffen, volgt op grond van het beleid in beginsel een sluiting van vier maanden. De burgemeester stelt in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik te hebben kunnen maken.
2.4.6
Volgens de burgemeester is sluiting, ondanks het tijdsverloop, nog steeds noodzakelijk om de rechtsorde te herstellen. Er is sprake van een grote handelshoeveelheid harddrugs, recidive en een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk. Er zijn in de omgeving de afgelopen jaren verschillende Opiumwetovertredingen geconstateerd en verschillende panden zijn om die reden gesloten. Een zichtbare sluiting heeft tot doel drugshandel tegen te gaan, verdere overtreding te voorkomen, risico’s voor omwonenden weg te nemen en een signaal af te geven aan drugscriminelen en buurtbewoners dat wordt opgetreden tegen drugscriminaliteit. Daardoor word de rust rond de woning hersteld.
2.4.7
De burgemeester stelt dat verzoekers weliswaar niet de feitelijke overtreders zijn, maar er valt hen wel degelijk een verwijt te maken. Vorige keer hebben verzoekers het voordeel van de twijfel gekregen en heeft de burgemeester afgeweken van het beleid. Er blijkt echter dat verzoekers niet hebben gedaan wat is toegezegd. Verzoekers zouden de woning opknappen en verkopen, maar hebben de woning nog steeds in eigendom. Het aantal incidenten in de afgelopen vijf jaar geeft een beeld van gebrek aan toezicht door verzoekers op het gebruik van de woning.
2.4.8
In de zienswijze hebben verzoekers aangegeven dat zij hun jongste zoon op
10 december 2024 de beëindiging van de huurovereenkomst hebben aangezegd toen zij erachter kwamen dat een onbekende vrouw met kind bij hem inwoonde. Verzoekers vertrouwden het niet, maar hun zoon hield de boot af voor controles. Daarom hebben zij een termijn van een half jaar gegeven en aangekondigd dat hij uiterlijk 30 juni 2025 de woning moest verlaten. Als verzoekers zich echter aan hun eigen toezeggingen gehouden hadden en de huurovereenkomst zo spoedig mogelijk beëindigd hadden en niet pas 3,5 jaar later en de woning direct verkocht, dan hadden zij nu niet in deze situatie gezeten. Verzoekers hebben dit volledig aan zichzelf te wijten.
2.4.9
Omdat verzoekers voornemens zijn de woning te verkopen zal hun oudste zoon de woning moeten verlaten. In die zin zijn de gevolgen van de sluiting beperkt en alleen van financiële aard. In het ergste geval kunnen bezichtigingen pas een paar maanden later plaatsvinden en lopen verzoekers huurinkomsten mis. Verzoekers hebben aangegeven dat die inkomsten € 800,- per maand betreffen, maar dat niet met stukken onderbouwd.
2.4.10
Volgens de burgemeester dienen de belangen bij het tegengaan van de handel in drugs, handhaving van de openbare orde en de rechtsorde en de zichtbaarheid van de sluiting en het wegnemen van risico’s voor de omwonenden, zwaarder te wegen dan het belang van verzoekers. Desondanks wil de burgemeester het tijdsverloop en de eigen melding van verzoekers bij de politie niet volledig uitvlakken. De burgemeester verkort daarom de sluitingsduur van vier maanden naar twee maanden. Daarmee komt de burgemeester tegemoet aan zowel de belangen van de omgeving als deels aan die van verzoekers.
Verzoek
3.1
Verzoekers hebben verwezen naar een zeer uitgebreid bezwaarschrift met vele verwijzingen naar Unierechtelijke rechtspraak, waaronder – zo begrijpt de rechtbank – het Simmenthal II-arrest [1] . Er is onder meer aangevoerd dat de voorwaarde van spoedeisendheid die in deze procedure geldt, gelet op het Unierecht, niet mag worden gesteld. Er moet te allen tijde toegang zijn tot de rechter.
Verzoekers hebben overigens een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. Door sluiting kan de woning niet worden bezichtigd en wordt verkoop bemoeilijkt.
3.2
Verzoekers stellen verder dat de bepalingen over handhaving niet zijn vastgelegd in een rechtsgeldige nationale wet. Sluiting van een woning is in strijd met het eigendomsrecht op grond van het Unierecht en treft verzoekers rechtstreeks in hun belangen als EU-burger. Alleen de woning van verzoekers wordt gesloten, terwijl er een probleem is in de gehele wijk. Dit is discriminatie en in strijd met Europese wetgeving, verdragen en rechtspraak.
3.3
De burgemeester is niet bevoegd tot sluiting van de woning. Verzoekers zijn niet de overtreders en waren niet bij machte de overtreding te verhinderen. Bovendien hebben zij de overtreding, net als in 2021, zelf bij de politie gemeld en woont verzoekers jongste zoon niet meer in de woning. Sluiting was dan ook niet meer noodzakelijk. De overtreding is al geruime tijd geleden, zodat sluiting ook niet bijdraagt aan herstel van de situatie. Die is namelijk al hersteld. Van een herstelmaatregel is dan ook geen sprake.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
5.1
Voordat aan inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening kan worden toegekomen, moet eerst, zoals artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, worden beoordeeld of sprake is van onverwijlde spoed. Een financieel belang is in de regel op zichzelf onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Eventuele schade kan immers worden verhaald indien achteraf blijkt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Een spoedeisend belang kan echter wel worden aangenomen als aannemelijk is dat verzoekers in een financiële noodsituatie zullen komen te verkeren [2] .
5.2
De voorzieningenrechter acht het niet juist dat met het stellen van de voorwaarde van spoedeisendheid de toegang tot de rechter wordt belemmerd. Verzoekers hebben in beginsel toegang tot de voorzieningenrechter en de voorlopige voorzieningenprocedure. Dit is echter een spoedprocedure waarbij logischerwijs spoed moet bestaan om tot het treffen van een voorlopige voorziening te komen. Met welke Unierechtelijke bepaling het stellen van voormelde voorwaarde strijdig zou zijn hebben verzoekers ook niet nader geëxpliciteerd. Bovendien staan voor verzoekers bodemprocedures open waarin zij het bestreden besluit kunnen laten toetsen - zoals bezwaar, beroep en hoger beroep, waarbij de voorwaarde van spoedeisendheid niet gesteld wordt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden verzoekers dan ook niet in hun processuele belangen geschaad.
5.3
In het door verzoekers gestelde ziet de voorzieningenrechter geen reden om een spoedeisend belang aan te nemen. Alhoewel sluiting van de woning een inbreuk op het eigendomsrecht van verzoekers betekent, wonen zij daar zelf niet. Verzoekers hebben aangevoerd dat hun oudste zoon ingeschreven staat op het betreffende adres. Dit eventuele belang van de zoon van verzoekers valt echter niet samen met een belang van verzoekers zelf. De zoon is geen partij in deze procedure. Bovendien is in deze procedure niet komen vast te staan dat de zoon feitelijk in de woning woont. Verzoekers hebben foto’s van de woning overgelegd, waarop lege ruimtes te zien zijn en die de indruk geven dat de woning onbewoond is. Verzoekster heeft op zitting verklaard dat er alleen een matras ligt en een televisie staat en dat haar zoon er af en toe slaapt en hij een vriendin heeft bij wie hij verblijft.
Het belang dat verzoekers raakt is louter een financieel belang en is gelegen in de verkoop van de woning. Niet is gesteld of gebleken dat verzoekers door de sluiting in een financiële noodsituatie komen te verkeren. Zij hebben hun financiële situatie ook niet onderbouwd met stukken. Daarbij heeft verzoekster op zitting erkend dat, alhoewel een makelaar is aangezocht, de woning feitelijk nog niet te koop staat.
5.4
Omdat geen sprake is van spoedeisend belang, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
Evident onrechtmatig
5.5
Met een evident onrechtmatig besluit wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de burgemeester ingenomen standpunt juist is en het besluit tot sluiting in de bezwaarprocedure in stand zal blijven.
5.6
De voorzieningenrechter overweegt allereerst, met betrekking tot de stelling van verzoekers dat sluiting ingrijpt op hun eigendomsrecht en in strijd is met het Unierecht, dat het eigendomsrecht niet een absoluut recht is, ook niet onder het Unierecht. Tijdelijke inperking van het eigendomsrecht door sluiting van een woning is door de formele wetgever mogelijk gemaakt in de Opiumwet. Dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen is niet gebleken en ook niet nader onderbouwd. De burgemeester heeft juist gemotiveerd dat sprake is van een kwetsbare wijk, waarin meerdere panden zijn gesloten. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om het bestreden besluit om deze redenen evident onrechtmatig te achten.
De stelling van verzoekers dat prejudiciële vragen gesteld zouden moeten worden wordt door de voorzieningenrechter gepasseerd. Behalve dat deze (spoed)procedure zich daarvoor niet leent, hebben verzoekers ook niet duidelijk gemaakt welke vragen gesteld zouden moeten worden.
5.7
De voorzieningenrechter ziet ook anderszins geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat er sprake is van een zeer grote hoeveelheid harddrugs die in de woning is aangetroffen en dat sprake is van recidive. Er zijn attributen in beslag genomen die wijzen op handel vanuit de woning. De burgemeester heeft hierop gewezen en verder uitgebreid en inzichtelijk gemotiveerd dat hij op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is tot sluiting van de woning en waarom volgens hem de sluiting, ondanks het tijdsverloop noodzakelijk en evenwichtig is. Hoewel sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat niet gezegd kan worden dat sluiting geen doel meer dient en dat daardoor het besluit evident onrechtmatig is.
Verzoekers hebben gesteld dat hen geen verwijt te maken valt. Anders dan zij naar voren hebben gebracht speelt in dit soort zaken de vraag of iemand als functioneel dader kan worden gezien geen rol. Verwijtbaarheid speelt wel een rol bij de toetsing van de evenwichtigheid van de maatregel. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester heeft kunnen vinden, zoals nader op zitting toegelicht, dat van verzoekers gelet op de voorgeschiedenis meer controle had mogen worden verwacht. Op de zitting heeft verzoekster gesteld dat zij de woning niet kon controleren, omdat de sloten vervangen waren en zij dus de woning niet in kon. Vanaf oktober 2024 tot en met maart 2025 zijn pogingen ondernomen, maar de jongste zoon ‘hield de boot af’. De stelling van verzoekers dat hen geen enkel verwijt kan worden gemaakt, kan niet worden gevolgd.
5.8
De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is. Hetgeen verzoekers verder hebben aangevoerd, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Hij ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Als gevolg hiervan hebben verzoekers geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 18 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Artikel 5:21
Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Opiumwet
Artikel 2
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
D. te vervaardigen.
Artikel 13b
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
Cocaïne, amfetamine, MDMA en metamfetamine staan vermeld op lijst I.
Beleidsregels artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid)
Indien in woningen of op bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs), met een handelshoeveelheid van > 0,5 gram, en/of (een) voorwerp(en) en/of stof(fen) als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, van de Opiumwet voorhanden is/zijn, is sprake van een ernstig geval en volgt bij een 1ste constatering een sluiting van 1 maand. Bij een 2de overtreding van de Opiumwet in een woning of bij woningen behorende erven binnen vijf jaar na de eerste constatering, vindt er een sluiting plaats van 2 maanden. Bij een 3de constatering van overtreding van de Opiumwet binnen vijf jaar na de tweede constatering, vindt er een sluiting van
4 maanden plaats.
Indien in woningen of op bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) met een hoeveelheid van > 1000 gram en/of > 2000 pillen is er sprake van een zeer ernstig geval waarbij de sanctie wordt opgelegd die hoort bij de 2de of volgende constatering.
Indien in woningen of op bij woningen behorende erven drugshandel en of drugsproductie wordt voorbereid ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs), waarbij blijkt dat de aanwezige voorwerp(en) en/of stof( fen ) gebruikt kan/kunnen worden voor de vervaardiging of handel van > 1000 gram en/of > 2000 pillen is er sprake van een zeer ernstig geval waarbij de sanctie wordt opgelegd die hoort bij de 2de of volgende constatering.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:1978:49