De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 4 november 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van handel in cocaïne in de periode van 16 december 2023 tot en met 19 november 2024. De zaak kenmerkte zich door procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, waarin een passende strafafdoening werd voorgesteld en door verdachte werd aanvaard.
De rechtbank heeft de procesafspraken beoordeeld en vastgesteld dat verdachte vrijwillig en op basis van voldoende informatie heeft ingestemd met de afspraken, waaronder afstand van bepaalde verdedigingsrechten. De bewezenverklaring betreft het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne in handels- en gebruikershoeveelheden.
De rechtbank achtte de handel in cocaïne een ernstig feit dat de veiligheid en volksgezondheid schaadt. Toch werd een matiging van de straf gerechtvaardigd vanwege de efficiënte rechtspleging door de procesafspraken. De opgelegde straf bestaat uit een gevangenisstraf van 183 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 240 uur, met bijzondere voorwaarden en aftrek van voorlopige hechtenis.
De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer meldplicht bij de verslavingsreclassering, behandeling bij een zorgverlener, contactverbod met een bepaalde persoon, controle op middelengebruik, en een verbod om als taxichauffeuse te werken zolang het OM dit nodig acht. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van wat meer of anders is ten laste gelegd.
Deze uitspraak onderstreept het belang van procesafspraken in het strafproces en de afweging tussen strafrechtelijke ernst en procesefficiëntie.