ECLI:NL:RBZWB:2025:8087

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
C/02/440090 / JE RK 25-1712 en C/02/441069 / JE RK 25-1888
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 1:265i BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming en verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde twee nauw samenhangende zaken betreffende een minderjarige die sinds augustus 2024 in een netwerkpleeggezin verblijft. De Stichting Jeugdbescherming Brabant (GI) verzocht om toestemming voor wijziging van verblijf en machtiging tot uithuisplaatsing in een crisisgroep, alsmede verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing.

De kinderrechter stelde vast dat de pleegouders de zorg niet langer konden dragen vanwege gedragsproblemen van de minderjarige, die inmiddels was overgeplaatst naar een crisisgroep. De rechtbank wees een eerder spoedverzoek af omdat een tijdelijke geschikte verblijfplaats reeds was gevonden. Na het horen van alle belanghebbenden, waaronder de minderjarige zelf, werd alsnog toestemming verleend voor de wijziging van verblijf en een brede machtiging tot uithuisplaatsing, gericht op een gezinsgerichte voorziening.

De ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing werden verlengd tot 20 mei 2026, met een tussentijds toetsmoment na zes maanden om de voortgang te evalueren. De kinderrechter benadrukte de noodzaak van intensieve begeleiding en passende hulpverlening gezien de complexe problematiek en het belang van de minderjarige.

Uitkomst: Toestemming verleend voor wijziging verblijf en machtiging uithuisplaatsing, ondertoezichtstelling en machtiging verlengd met tussentijds toetsmoment.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/02/441069 / JE RK 25-1888
(spoed) toestemming wijziging verblijfplaats
en machtiging uithuisplaatsing
C/02/440090 / JE RK 25-1712
verlenging ondertoezichtstelling en
verlenging machtiging uithuisplaatsing
Datum uitspraak: 11 november 2025
(Nadere) beschikking verlenging ondertoezichtstelling en (verlenging) machtiging uithuisplaatsing en toestemming wijziging verblijfplaats (met spoed)
in de zaken van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
In beide zaken:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. M.A. Breewel-Witteveen te Goes,
[de stiefvader],
hierna te noemen de stiefvader,
wonende te [plaats 1] ,
Inzake C/02/441069 / JE RK 25-1888:
[pleegouder 1] en [pleegouder 2] ,
hierna te noemen de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt in beide zaken als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • de in de zaak met kenmerk C/02/441069 / JE RK 25-1888 gegeven beschikking van 22 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 23 september 2025, ingekomen bij de griffie op 24 september 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • mr. M.A. Breewel-Witteveen namens de moeder;
  • de stiefvader;
  • de pleegouders;
  • de vader.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft een e-mail naar de kinderrechter gestuurd met daarin haar mening over de verzoeken. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Deze zaken hangen nauw samen met elkaar. Daarom behandelt de kinderrechter beide zaken tegelijk.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds 22 augustus 2024 in het netwerkpleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 november 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 november 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 november 2024 een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, zijnde het netwerkpleeggezin, tot 20 november 2025.
2.5.
Bij beschikking van 22 oktober 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de verzoeken van de GI om met spoed – zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden – toestemming te verlenen tot wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige] en tot afgifte van een spoedmachtiging uithuisplaatsing in de [crisisgroep] , locatie [plaats 2] , [groep] , afgewezen (hierna te noemen: [crisisgroep] ).

3.De (rest)verzoeken

C/02/441069 / JE RK 25-1888
3.1.
De GI verzoekt toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt daarnaast een machtiging te verlenen om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in de [crisisgroep] .
Ter zitting heeft de GI (desgevraagd) aangegeven dat bedoeld is een brede machtiging te verzoeken, die naast plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (te weten de crisisgroep) tevens ziet op (een aansluitende) plaatsing (bij voorkeur) in een gezinsgerichte voorziening. De GI verzoekt dit voor de duur van de lopende ondertoezichtstelling, te weten tot 20 november 2025.
Door en namens belanghebbenden is ingestemd met de wijziging van het verzoek en de behandeling hiervan door de kinderrechter.
C/02/440090 / JE RK 25-1712
3.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van een jaar te verlengen in die zin dat een ‘brede machtiging’ tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt verleend. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter zitting heeft de GI (desgevraagd) aangegeven dat onder ‘brede machtiging’ moet worden verstaan: plaatsing in een gezinsgerichte voorziening dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

4.De standpunten

De mening van [minderjarige]
4.1.
heeft aan de kinderrechter geschreven dat zij niet naar het kindgesprek wil komen, omdat zij liever naar school gaat. [minderjarige] heeft geschreven dat zij graag weer omgang zou willen hebben met haar vader. Ook met haar pleegouders wil [minderjarige] graag contact houden. [minderjarige] vindt het jammer wat er door haar gebeurd is bij de pleegouders en snapt dat zij nu vinden dat ze ergens anders beter kan worden geholpen. Ze is niet boos op hen. Het liefst is ze in de weekenden en vakanties bij hen. Met haar moeder en stiefvader wil [minderjarige] nog geen contact.
Het standpunt van de GI
4.2.
De GI legt aan haar verzoeken ten grondslag dat [minderjarige] een zeer belaste opvoedgeschiedenis kent, waarbij zij vanuit haar ouders veel spanningen, zorgen en problematiek heeft meegekregen en waarin voor haar traumatiserende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. [minderjarige] is zichzelf daardoor gaan wegcijferen, heeft zich onzichtbaar gemaakt en heeft de hardnekkige gewoonte aangenomen om anderen naar de mond te praten. [minderjarige] kan en durft niet aan te geven wat zij zelf nodig heeft. Haar hechting, identiteitsvorming en autonome ontwikkeling hebben dringend aandacht nodig. De GI heeft hier passende ambulante therapie voor ingezet. Het valt de GI verder op dat [minderjarige] vanuit haar loyaliteit naar haar ouders toe telkens wisselende berichten en signalen geeft over het contact dat zij wel of niet wenst. Dat maakt het lastig om contact tussen [minderjarige] en de ouders vast te stellen.
De GI heeft zich de afgelopen periode vooral ingezet om het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin, gelet op haar problematiek, zo goed als mogelijk te kunnen laten verlopen. Echter, bleek de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders op enig moment niet langer haalbaar en is zij op 20 oktober 2025 daar weggehaald en geplaatst in de [crisisgroep] . Pleegouders gaven per direct aan niet meer voor [minderjarige] te willen en kunnen zorgen. Zij hebben erg hun best gedaan, maar gaven een overbelast beeld en zijn niet meer in staat tot hun opvoedtaak. De GI vindt het in het belang van [minderjarige] dat zij intensief wordt begeleid op een deskundige woonplek, zoals een gezinshuis, om aan haar gestagneerde ontwikkelingstaken toe te kunnen komen. De GI verklaart hierover advies ingewonnen te hebben bij twee onafhankelijk gedragswetenschappers.
Ter zitting heeft de GI aanvullend toegelicht dat [minderjarige] op dit moment nog steeds op de crisisplek verblijft, maar dat het de bedoeling is om haar zo snel mogelijk door te plaatsen naar een gezinshuis. Inmiddels heeft een intake plaatsgevonden bij een (kleinschalig) gezinshuis in [plaats 3] . Zaterdag 15 november 2025 gaat [minderjarige] in dit gezinshuis een hele dag ter kennismaking meelopen. Als dat goed verloopt kan [minderjarige] daar de week erna gaan wonen. Het is de bedoeling dat de psychotherapie van [minderjarige] doorloopt. De gedragen visie van de diverse intern en extern betrokken gedragswetenschappers is dat [minderjarige] onveilig is gehecht en dat dit (deels) haar gedrag verklaart. Er zijn nu geen contra-indicaties voor het tegendeel. Naar verwachting zal met de therapie nog zo’n negen maanden zijn gemoeid. Mocht de plaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis niet mogelijk blijken, dan kan zij worden geplaatst op een open behandelgroep van [hulpverlening] . De plaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verdient duidelijk de eerste voorkeur. De GI hoort de pleegouders en de ouders ter zitting hun zorgen hebben dat [minderjarige] daar niet op de zondagen kan verblijven en zij elke zaterdag van ca. 16.00-17.00 uur (tot de maandag na school) elders ondergebracht moet worden. De GI vindt dat evenmin ideaal, maar ziet zich geconfronteerd met de beperkingen die het gezinshuis voor zichzelf mag organiseren om op zo goed mogelijke manier hulp te bieden aan de bij hun inwonende kinderen. De GI is voornemens te onderzoeken of [minderjarige] dan bij haar oudere zus zal kunnen verblijven, maar heeft voor die zondag ook een zoekvraag neergelegd bij pleegzorg.
Het standpunt van de pleegouders
4.3.
Door de pleegouders is naar voren gebracht dat [minderjarige] bij hen in huis steeds meer goederen ging ontvreemden. Toen [minderjarige] onlangs ook agressief werd naar de pleegmoeder toe, was – na een periode vol zorgen over het gedrag van [minderjarige] – de maat vol. De pleegouders vonden toen dat [minderjarige] niet langer bij hen kon verblijven. Zij zijn erg geschrokken van de omslag in het gedrag van [minderjarige] . Zij staan open voor contact maar kunnen niet langer voor [minderjarige] zorgen. Naar de mening van pleegouders dient onderzocht te worden waar het gedrag van [minderjarige] vandaan komt. De pleegouders stemmen in met de overplaatsing van [minderjarige] .
Het standpunt van de moeder
4.4.
De advocaat van de moeder geeft aan dat de moeder inziet dat [minderjarige] op dit moment nog niet bij haar thuis kan terugkeren en dat zij daarom achter de verzoeken kan staan. De moeder en de stiefvader hebben meerdere kinderen in huis. Zij achten het gelet op de problematiek van [minderjarige] niet haalbaar om haar op dit moment ook weer bij hen thuis te laten wonen. Namens de moeder wordt verder opgemerkt dat zij het betreurt dat zo’n jaar geleden haar verzoek om [minderjarige] neutraal te plaatsen niet is opgevolgd, terwijl dat nu alsnog nodig blijkt. De moeder heeft niets tegen de pleegouders, maar ook nu is gebleken dat [minderjarige] zich op enig moment tegen (pleeg)ouders keert. De moeder betreurt dat daarmee weer een jaar verloren is gegaan en de situatie momenteel zelfs slechter is dan voorheen. Ook betreurt de moeder dat zij onvoldoende over [minderjarige] wordt geïnformeerd. De moeder ziet in dat de binnen de ondertoezichtstelling gestelde hulpverleningsdoelen nog niet zijn behaald en heeft er gelet op de gebeurtenissen in de afgelopen periode sterke vraagtekens bij of deze in de komende periode wel behaald zullen gaan worden. Om die reden is namens de moeder verzocht om een tussentijds toetsingsmoment na zes maanden, zodat kan worden bezien of [minderjarige] op de juiste plek terecht gaat komen en zij de juiste hulp gaat krijgen. Namens de moeder is verder opgemerkt dat alle schade die aan [minderjarige] is toegebracht ouders wordt verweten. Naar de mening van de moeder valt echter niet uit te sluiten dat er ook met [minderjarige] zelf wat aan de hand is. De moeder wil dat dat nader wordt onderzocht en dat voor [minderjarige] waar nodig gedegen (psychische) hulp wordt ingezet.
4.5.
De stiefvader onderschrijft de visie en het standpunt van de moeder.
De informatie van de vader
4.6.
De vader geeft aan dat [minderjarige] destijds na een valse aangifte onterecht bij hem is weggehaald, maar dat hij blijft strijden om [minderjarige] weer terug te krijgen. Volgens de vader heeft hij – anders dan de GI doet voorkomen – nog steeds geregeld contact met [minderjarige] .
De vader hoort de GI zeggen dat zodra [minderjarige] in het gezinshuis gaat verblijven zij mogelijk de zondagen bij haar meerderjarige zus gaat verblijven. De vader merkt in dit verband op dat deze zus het merendeel van de tijd bij haar vriend verblijft, maar dat zij formeel bij hem woonachtig is. Ook via die weg zal de vader [minderjarige] dan geregeld gaan zien. In verdere bemoeienis vanuit de GI ziet de vader geen meerwaarde.

5.De (nadere) beoordeling

C/02/441069 / JE RK 25-1888
Toestemming wijziging verblijf en machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Op grond van artikel 1:265i BW behoeft de GI de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige, indien deze ten minste een jaar door een ander als ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien dit naar het oordeel van de kinderrechter noodzakelijk is in het belang van de minderjarige.
5.2.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] sinds 22 augustus 2024 in het netwerkpleeggezin verblijft en zij daarmee gedurende ten minste één jaar door de pleegouders wordt opgevoed en verzorgd.
5.3.
De GI heeft [minderjarige] op 20 oktober 2025 overgeplaatst naar een crisisplek, omdat de pleegouders aangaven per direct niet meer voor [minderjarige] te kunnen zorgen. De pleegouders gaven een overbelast beeld en waren niet meer in staat tot hun opvoedtaak. [minderjarige] is toen onmiddellijk door de GI ondergebracht bij de [crisisgroep] . De GI heeft zich vervolgens op 22 oktober 2025 schriftelijk met een spoedverzoek tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] tot de kinderrechter gewend en heeft daarnaast gevraagd om haar met spoed voor dat crisisverblijf een machtiging te verlenen. De kinderrechter heeft dit verzoek om de GI met spoed –
dus zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden– toestemming te verlenen tot wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige] en tot afgifte van een spoedmachtiging uithuisplaatsing in de [crisisgroep] , afgewezen. Naar het oordeel van de kinderrechter was er geen sprake van een situatie waarin de behandeling van het verzoek niet zou kunnen worden afgewacht, zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige, omdat [minderjarige] op 20 oktober al was overgeplaatst en voor haar een tijdelijke geschikte verblijfplaats was gevonden.
5.4.
Inmiddels zijn de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om hun standpunt over de wijziging van de verblijfsplaats van [minderjarige] naar voren te brengen. Gebleken is dat [minderjarige] nog steeds op de crisisgroep bij de [crisisgroep] verblijft in afwachting van een vervolgplaatsing. Door de pleegouders is bevestigd dat zij zelf om de overplaatsing van [minderjarige] hebben verzocht. De pleegouders achten zichzelf niet langer in staat om de volledige zorg op zich te kunnen nemen.
5.5.
De kinderrechter stelt vast dat een terugkeer van [minderjarige] naar de moeder en stiefvader, zoals zij zelf ook inzien, niet mogelijk is. De veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] kunnen in de thuissituatie bij de moeder en de stiefvader niet gewaarborgd worden. De veiligheid van [minderjarige] kan gelet op de complexiteit van de problematiek ook niet door de (voormalige) pleegouders worden gewaarborgd. Dat het niet is gelukt om een voor [minderjarige] duurzame oplossing te bieden is geenszins te wijten aan de inzet van de pleegouders en ook niet aan [minderjarige] .
5.6.
De kinderrechter zal gelet op het voorgaande alsnog toestemming verlenen voor de overplaatsing van [minderjarige] . Omdat de huidige machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg niet langer toereikend is, zal de kinderrechter een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing verlenen gericht op het verblijf van [minderjarige] op de crisisplek, dan wel – aansluitend – in een gezinsgerichte voorziening. De kinderrechter zal de machtiging ‘breed’ verlenen zoals verzocht, te weten in een gezinsgerichte voorziening dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (indien het – nog – niet mogelijk is om [minderjarige] gezinsgericht te plaatsten) met ingang van 11 november en tot 20 november 2025. Dit maakt het mogelijk om [minderjarige] voor een korte resterende periode op te vangen op een voor haar geschikte plek.
C/02/440090 / JE RK 25-1712
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing
5.7.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.8.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.9.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.10.
De kinderrechter stelt vast dat de binnen de ondertoezichtstelling gestelde hulpverleningsdoelen nog niet zijn behaald. Zo hebben de hechting, identiteitsvorming en autonome ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds dringend aandacht nodig. Daar komt bij dat [minderjarige] nog altijd geen veilig en stabiel contact met haar moeder en stiefvader heeft, alsook niet met haar vader. Ook heeft [minderjarige] nog geen contact met andere voor haar belangrijke familieleden, zoals haar halfzusjes en halfbroertjes. Het is voor [minderjarige] bovendien nog onduidelijk waar zij verder zal opgroeien. Het is hierin gelegen dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. De betrokkenheid van de GI is langer noodzakelijk om de belangen van [minderjarige] en het verloop van de hulpverlening voor [minderjarige] en, indien passend, de hulpverlening aan de ouders te monitoren.
5.11
Naar het oordeel van de kinderrechter zijn de gronden voor de ondertoezichtstelling van [minderjarige] nog steeds aanwezig. De kinderrechter acht het daarnaast in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat zij in een gezinsgerichte voorziening of, ultimum remedium in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, kan verblijven. [minderjarige] heeft in het pleeggezin verontrustend gedrag laten zien waardoor zij niet langer in het pleeggezin kon blijven wonen. De kinderrechter is met de GI van oordeel dat een gezinshuis een passende vervolgplek is voor [minderjarige] . In het gezinshuis kan [minderjarige] de nodige structuur, begrenzing, aandacht en nabijheid worden geboden. Het is van belang dat vanuit daar wordt gekeken naar wat [minderjarige] specifiek nodig heeft. In het verlengde daarvan zal moeten worden onderzocht wat dit betekent voor het contact met de (pleeg)ouders en het toekomstperspectief van [minderjarige] . Het verzoek zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat er aanleiding wordt gezien om de maatregelen in duur te beperken tot zes maanden en het verzoek voor het overige aan te houden. De kinderrechter acht het noodzakelijk om, gelet op de complexiteit van de situatie en de afgelopen ontwikkelingen een vinger aan de pols te houden en een tussentijds toetsmoment te bepalen. Na verloop van deze periode is de verwachting dat er meer duidelijkheid zal zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] in de nieuwe situatie en het vervolgplan.
5.12.
De kinderrechter verwacht van de GI dat zij uiterlijk op de na te melden pro forma datum schriftelijk verslag zal uitbrengen over het verloop van de maatregelen en de hulpverlening. De kinderrechter verwacht dat aanvullend een actueel plan van aanpak wordt overgelegd en – apart daarvan – een behandelvisie van de betrokken hulpverlening. De GI dient daarnaast haar standpunt te geven ten aanzien van het resterend deel van het verzoek. Na binnenkomst van dit verslag zal de zaak opnieuw ingepland worden voor een nadere mondelinge behandeling van het verzoek.
5.13.
[minderjarige] zal opnieuw worden uitgenodigd voor een kindgesprek (of anders, per brief) om haar mening over het verzoek te delen. Daar mag [minderjarige] gebruik van maken, maar dit hoeft niet. Dit zal haar in een brief worden uitgelegd.
Aantekening gezagsregister
5.13.
De beslissing over de ondertoezichtstelling wordt op grond van artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.14.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
C/02/441069 / JE RK 25-1888
6.1.
verleent toestemming aan de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, zijnde in [crisisgroep] ( [crisisgroep] ), locatie [plaats 2] , [groep] en vervolgens in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 11 november 2025 tot 20 november 2025;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, zijnde in [crisisgroep] ( [crisisgroep] ), locatie [plaats 2] , [groep] en vervolgens in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 11 november en tot 20 november 2025;
C/02/440090 / JE RK 25-1712
6.3.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 20 november 2025 tot 20 mei 2026;
6.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 20 november 2025 tot 20 mei 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
houdt de behandeling van de verzoeken (met het
zaaknummer C/02/440090 / JE RK 25-1712) voor het overige aan tot
donderdag 23 april 2026 PRO FORMA, in afwachting van het verslag van de GI zoals weergegeven in de beoordeling en het standpunt van de GI over het resterend verzoek;
6.6.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 19 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.