ECLI:NL:RBZWB:2025:8099

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
BRE 25/1853
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing aanvraag leerlingenvervoer wegens afstandscriterium en hardheidsclausule

Op 13 november 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over de afwijzing van een aanvraag voor leerlingenvervoer door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg. Eiseres had op 23 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor leerlingenvervoer voor haar dochter, maar deze werd afgewezen omdat de afstand tussen haar woning en de school korter was dan het vastgestelde afstandscriterium van zes kilometer. Eiseres maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar het college verklaarde het bezwaar ongegrond in de beslissing op bezwaar van 20 februari 2025. De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 13 november 2025 behandeld. Eiseres voerde aan dat haar situatie zich in belangrijke mate onderscheidde van andere ouders, omdat haar dochters naar verschillende scholen gingen en zij geen sociaal netwerk had om op terug te vallen. De rechtbank oordeelde echter dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden, ook in combinatie, niet voldoende waren om toepassing van de hardheidsclausule te rechtvaardigen. De rechtbank concludeerde dat het college in redelijkheid het bestreden besluit had kunnen nemen en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak werd openbaar gemaakt en partijen werden gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1853
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank van 13 november 2025 op het beroep in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, college.

Inleiding

1. Eiseres heeft op 23 oktober 2024 bij het college voor het schooljaar 2024/2025 leerlingenvervoer voor haar [dochter 1] aangevraagd. Bij besluit van 30 oktober 2024 heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat de afstand tussen de woning van eiseres en de school van [dochter 1] korter is dan het afstandscriterium van zes kilometer en omdat [dochter 1] niet is ingeschreven bij de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.1.
In de beslissing op bezwaar van 20 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard. Daarbij is de afwijzingsgrond over de dichtstbijzijnde toegankelijke school komen te vervallen. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Eiseres is naar de zitting gekomen, samen met haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Rombouts.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van eiseres ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De regels over leerlingenvervoer zijn opgenomen in de Verordening leerlingenvervoer gemeente Tilburg 2020 (Verordening). Deze regels bevatten onder meer het in overweging 1 aangehaalde afstandscriterium. Partijen zijn het erover eens dat de aanvraag van eiseres niet voldoet aan dat afstandscriterium. Het geschil is beperkt tot de vraag of het college toepassing had moeten geven aan de zogenaamde hardheidsclausule van artikel 23 van de Verordening. Dat artikel bepaalt dat het college de bevoegdheid heeft om in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders af te wijken van de in de Verordening opgenomen regels.
4. Omdat toepassing van de hardheidsclausule een bevoegdheid van het college is – en dus geen verplichting – heeft het college veel ruimte om te beoordelen of, en zo ja hoe, het de hardheidsclausule toepast. Door de aard van de bevoegdheid toetst de rechtbank het toepassen of afwijzen van de hardheidsclausule terughoudend.
5. Zowel de Verordening als de relevante rechtspraak hanteren als uitgangspunt dat ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer en de begeleiding naar en van de school. Van die hoofdregel wordt niet snel afgeweken. Eiseres voert in beroep aan dat haar situatie zich in betekende mate onderscheidt van de situatie van andere ouders. Haar dochters [dochter 1] en [dochter 2] zijn beiden even oud, maar zij gaan allebei naar een andere school en de lessen op beide scholen starten ongeveer op hetzelfde moment. De kinderen kunnen niet voor elkaar zorgen en eiseres heeft geen sociaal netwerk waarop zij kan terugvallen. Omdat eiseres een bijstandsuitkering ontvangt, komt zij niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag voor de buitenschoolse opvang en zonder die toeslag kan zij de buitenschoolse opvang niet betalen. De vader – met wie eiseres niet samenwoont – kan door zijn werk niet altijd voldoende bijdragen.
De door eiseres aangevoerde omstandigheden zijn, ook in combinatie met elkaar, al in meerdere uitspraken – waaronder die van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste rechter op dit gebied – onvoldoende bevonden om een geslaagd beroep op de hardheidsclausule te kunnen doen. Dat wat eiseres aanvoert, is dan ook niet voldoende om de hardheidsclausule toe te passen. Het college heeft dus in redelijkheid het bestreden besluit kunnen nemen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het leerlingenvervoer voor [dochter 1] tijdens het schooljaar 2024/2025 in stand blijft. Eiseres moet zelf een oplossing voor dit probleem vinden.
7. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres ook geen proceskostenvergoeding en zij ontvangt het betaalde griffierecht niet terug.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.