ECLI:NL:RBZWB:2025:8116

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/02/438781 / FA RK 25-4192
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over verzoeken tot wijziging gezag en contactregeling minderjarige

De minderjarige heeft via de informele rechtsingang verzocht om wijziging van de contactregeling met haar vader en beëindiging van zijn gezag. De rechtbank kan echter geen ambtshalve beslissing nemen over het beëindigen van het gezag, omdat dit alleen door ouders kan worden gevraagd.

De contactregeling is sinds de zomervakantie feitelijk stopgezet en de vader respecteert dit. Daarom is het niet nodig om nu een beslissing te nemen over het contact. De rechtbank acht het belangrijk dat de hulpverlening aan de minderjarige wordt voortgezet en dat de ouders werken aan betere communicatie en samenwerking.

De verzoeken van de ouders over hoofdverblijf en zorg- en opvoedingstaken zijn niet inhoudelijk behandeld vanwege een procedurefout en worden aangehouden tot een zitting op 12 februari 2026. De rechtbank verzoekt de advocaten om een schriftelijke update over de stand van zaken en behoudt zich verdere beslissingen voor.

Uitkomst: Geen ambtshalve beslissing over gezag of contact; verzoeken ouders aangehouden tot zitting na hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaakgegevens: C/02/438781 / FA RK 25-4192 en C/02/440359 / FA RK 25-5047
Datum uitspraak: 18 november 2025
Beschikking naar aanleiding van een vraag van een minderjarige en verzoeken over hoofdverblijf en wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken
in de zaken van
de [minderjarige] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012,
hierna te noemen [minderjarige] ,
wonende in [plaats 1] ,
in de zaak C/02/438781 / FA RK 25-4192,
en
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
verzoekster in de zaak C/02/440359 / FA RK 25-5047,
belanghebbende in de zaak C/02/438781 / FA RK 25-4192,
advocaat: mr. B. Krijnen te Waalwijk.
De kinderrechter merkt daarnaast in beide zaken als belanghebbende aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. J.J.M. van Asten te Den Bosch.
De Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, is op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in beide zaken om de rechtbank te adviseren.

1.Het verloop van de zaken

1.1.
Op 8 augustus 2025 heeft [minderjarige] een e-mail gestuurd naar de rechtbank Oost-Brabant in Den Bosch. Omdat [minderjarige] in [plaats 1] woont, heeft de rechtbank in Den Bosch zich in de beschikking van 12 augustus 2025 onbevoegd verklaard om van de zaak kennis te nemen en is de vraag van [minderjarige] doorgestuurd naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant in Breda.
1.2.
Op 9 september 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank met [minderjarige] gesproken over haar e-mail.
1.3.
Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter de moeder en de vader uitgenodigd voor een zitting. De zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2025. De vader en de moeder zijn hierbij verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast was er een vertegenwoordigster namens de Raad bij de zitting aanwezig.
1.4.
Het procesdossier in de zaak C/02/440359 / FA RK 25-5047 bevat de volgende stukken:
  • het op 1 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift van de moeder, met bijlagen;
  • de brief van 10 oktober 2025 van mr. Krijnen, met bijlagen;
  • het op 13 oktober 2025 ontvangen verweerschrift van de vader, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
[minderjarige] verblijft drie weekenden per maand en tijdens de helft van de vakanties bij haar vader.

3.De vraag van [minderjarige] en de verzoeken van de ouders

In de zaak C/02/438781 / FA RK 25-4192:
3.1.
[minderjarige] vraagt aan de kinderrechter om de contactregeling met haar vader te veranderen. Het liefste wil zij helemaal niet meer naar haar vader toe gaan. Als dat niet kan, dan wil zij zo min mogelijk naar hem toe gaan. Daarnaast wil [minderjarige] dat haar vader geen belangrijke (gezags)beslissingen meer over haar kan nemen, oftewel dat het gezag van de vader over [minderjarige] wordt beëindigd.
In de zaak C/02/440359 / FA RK 25-5047:
3.2.
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
  • wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , waarbij wordt bepaald dat de zorg- en contactregeling tussen de vader en [minderjarige] wordt geschorst;
  • wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] .
3.3.
De vader voert verweer tegen de verzoeken van de moeder en verzoekt om deze verzoeken af te wijzen.
3.4.
Daarnaast verzoekt de vader, bij wijze van zelfstandige verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
  • wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] ;
  • vaststelling van de informatie- en consultatieregeling over [minderjarige] .

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] heeft in haar e-mail en tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, het volgende aangegeven.
[minderjarige] wil niet meer naar haar vader toe gaan, omdat hij niet goed voor haar zorgt. Bij de vader thuis is het namelijk erg vies, [minderjarige] krijgt daar voornamelijk ongezond eten en de vader komt laat uit bed. In de avonden drinkt hij alleen maar bier. Ook doen zij bijna nooit iets leuks samen. [minderjarige] zit vaak op haar kamer en ziet haar vader eigenlijk alleen maar tijdens het avondeten. Omdat haar vader overgewicht heeft en onverzorgd is, schaamt [minderjarige] zich voor hem. Toen [minderjarige] jonger was, staarde haar vader naar haar wanneer zij naar het toilet ging. [minderjarige] vond dit niet fijn. Op school gaat het ook niet goed. [minderjarige] stelt dat zij een mentale inzinking heeft gehad, waarbij zij gedachtes had om een einde aan haar leven te maken. [minderjarige] vindt het moeilijk om hierover te praten met haar vader. Volgens [minderjarige] praten haar ouders niet met elkaar. Zij hebben wel af en toe contact met elkaar via de app.
Na de zomervakantie heeft de moeder tegen [minderjarige] gezegd dat zij niet meer naar haar vader hoeft te gaan. Als [minderjarige] wordt gedwongen om naar hem toe te gaan, dan zal [minderjarige] weglopen. Volgens [minderjarige] zijn de gemeente Altena, Veilig Thuis en de politie betrokken en zal zij medicatie en behandeling krijgen vanuit de ggz. Hiervoor staat zij nog op een wachtlijst. Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij over 40 dagen een intakegesprek zal hebben. Op school heeft zij de mogelijkheid om een time-out te nemen als zij daar behoefte aan heeft. Over de uitoefening van het gezag heeft [minderjarige] tot slot aangegeven dat haar vader soms moeilijk doet en hij bepaalde toestemmingsformulieren niet heeft willen tekenen.
4.2.
Namens en door de vader is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De vader maakt zich zorgen over de mentale gezondheid van [minderjarige] . De vader denkt dan ook dat veel dingen die [minderjarige] zegt daarmee te maken hebben. De vader en [minderjarige] hebben sinds de zomervakantie geen contact meer met elkaar gehad. De vader zal dit zelf ook niet opzoeken om te voorkomen dat [minderjarige] nog verder onder druk komt te staan. Volgens de vader wil [minderjarige] ook geen contact meer hebben met zijn familie. Het lijkt er dan ook op dat zij iedereen van zich afstoot. De vader vindt het vooral van belang dat [minderjarige] de nodige hulpverlening en behandeling krijgt. Met het oog op de mentale gezondheid van [minderjarige] acht de vader haar op dit moment niet in staat om kwesties echt te kunnen overzien en zich een heldere mening te kunnen vormen over het gezag. Het klopt wel dat de vader en [minderjarige] samen niet veel ondernemen. Maar dit komt volgens de vader doordat hij lijdt aan een vergevorderde vorm van COPD, waardoor hij weinig energie heeft om dingen te ondernemen.
De vader stelt daarnaast dat het contact tussen hem en de moeder zeer moeizaam verloopt. De ouders communiceren al dertien jaar niet met elkaar. Het ergste vindt de vader dat [minderjarige] bepaalde dingen niet mag zeggen van de moeder. Desgevraagd heeft de vader aangegeven het van groot belang te vinden dat de ouders zullen gaan werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking. De vader benadrukt tot slot dat hij de moeder een goede moeder vindt voor [minderjarige] .
4.3.
Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De moeder vindt het verschrikkelijk dat [minderjarige] zo veel spanningen ervaart. De moeder vindt het daarom belangrijk dat [minderjarige] professionele hulpverlening en behandeling krijgt, zodat zij weer rust en stabiliteit ervaart. De moeder vindt het gezien de huidige zorgen over [minderjarige] lastig om te zeggen of er op korte termijn moet worden ingezet op herstel van de contacten tussen de vader en [minderjarige] . De moeder betwist dat [minderjarige] bepaalde dingen niet mag zeggen. Wel is de moeder wantrouwend vanwege alles wat zij heeft meegemaakt, zoals tijdens de vechtscheiding tussen de ouders. Daarom houdt de moeder vanuit veiligheidsoverwegingen het contact met de vader af. De ouders communiceren enkel via de e-mail/app met elkaar over hoognodige zaken die [minderjarige] aangaan. Volgens de moeder zijn de ouders sinds 2014 niet meer samen in dezelfde ruimte geweest. De moeder vindt het dan ook belangrijk dat zij gaan werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking. De moeder denkt dat zij hiervoor het beste binnen het vrijwillig kader contact kunnen opnemen met de gemeente, omdat de ouders daar al bekend zijn en het inzetten van hulpverlening via het uniform hulpaanbod (UHA) naar verwachting zal leiden tot vertraging van het proces.
4.4.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De Raad vindt het zeer zorgelijk dat de ouders het zo ver hebben laten komen. De ouders blijven naar elkaar wijzen, waardoor de verantwoordelijkheid voor [minderjarige] bij [minderjarige] zelf komt te liggen. [minderjarige] zit enorm klem tussen de ouders en dit komt, naar de mening van de Raad, door de ouders. Als de ouders op dezelfde manier blijven doorgaan, dan zal de situatie van [minderjarige] met enkel het inzetten van behandeling en therapie voor [minderjarige] niet verbeteren. De Raad vindt het dan ook van groot belang dat de ouders hun ouderlijke verantwoordelijkheid nemen en dat zij samen gaan werken aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie en samenwerking. [minderjarige] moet weer voelen dat haar ouders er samen voor haar zijn en dat zij bij hen terecht kan. Nu de ouders al bekend zijn bij de gemeente en Veilig Thuis voor de inzet van zorg, adviseert de Raad aan de ouders om samen contact op te nemen met de gemeente voor het inzetten van (een vorm van) ouderschapsbemiddeling. Vervolgens zullen de ouders, samen met de hulpverlening, moeten bezien op welk moment en op welke manier het contact tussen de vader en [minderjarige] het beste kan worden hersteld.

5.De beoordeling

In de zaak C/02/438781 / FA RK 25-4192 over de vragen van [minderjarige] :
5.1.
[minderjarige] heeft de kinderrechter een aantal vragen gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind een eigen toegang tot de rechtbank. Op informele wijze, bijvoorbeeld met een e-mailbericht, een brief of een telefoontje, kan een kind een vraag aan de rechter stellen. De rechter kan, als zij dat wil, op bepaalde vragen van het kind, nadat de vraag is besproken met de ouders en zij in staat zijn gesteld om hun mening daarover te geven, ambtshalve een beslissing geven.
5.2.
Niet alle vragen van een kind kunnen door de rechter via de informele rechtsingang worden behandeld. In de wet is bepaald dat de rechter alleen ambtshalve een beslissing kan nemen over bepaalde vragen, zoals vragen over een omgangsregeling, over de informatieregeling, de benoeming van een bijzondere curator en in speciale gevallen het toekennen van eenhoofdig gezag.
5.3.
[minderjarige] heeft gevraagd om het gezag dat de vader over haar heeft, te beëindigen. In het verleden heeft de rechter zich echter al eens uitgelaten over (de uitvoering van) het gezag over [minderjarige] . Om die reden is het voor de rechter niet mogelijk om een ambtshalve beslissing over de vraag van [minderjarige] te nemen.
5.4.
[minderjarige] heeft daarnaast gevraagd om de contactregeling tussen haar en de vader te veranderen en te bepalen dat zij niet meer naar haar vader toe hoeft te gaan. Dit is wel een onderwerp waarover de rechter een beslissing kan nemen. Gebleken is dat [minderjarige] en de vader sinds de zomervakantie geen contact meer met elkaar hebben gehad. De vader heeft aangegeven dat hij weliswaar het liefste zou willen dat het contact met zijn dochter per direct wordt hersteld, maar dat hij begrijpt dat het niet in het belang van [minderjarige] is om haar daartoe te dwingen als zij dat zelf niet wil. De vader heeft daarom gezegd, hoe moeilijk hij dit ook vindt, dat hij de wens van [minderjarige] zal respecteren dat er voorlopig geen contact tussen hen zal zijn. Om die reden vindt de kinderrechter het niet nodig om op deze vraag van [minderjarige] nu een beslissing te nemen omdat er voorlopig geen sprake zal zijn van contact tussen de vader en [minderjarige] en dit contact als [minderjarige] er aan toe is met behulp van de hulpverlening die de ouders gaan zoeken weer opgebouwd zal worden.
5.5.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter naar aanleiding van de vragen van [minderjarige] niet overgaan tot een ambtshalve beslissing in deze zaak.
In de zaak C/02/440359 / FA RK 25-5047 over de verzoeken van de ouders:
5.6.
Nadat [minderjarige] een e-mail aan de kinderrechter heeft geschreven, heeft de moeder een aantal verzoeken bij de rechtbank ingediend over het hoofdverblijf van [minderjarige] en over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken tussen de ouders. De vader heeft vervolgens schriftelijk verweer gevoerd en een aantal tegenverzoeken ingediend. Vanuit de rechtbank is aan (de advocaten van) de ouders aangegeven dat deze zaak gelijktijdig met de vragen van [minderjarige] ter zitting zou worden behandeld. Door een fout van de rechtbank was dit echter niet bekend bij de behandeld rechter en griffier. Tijdens de mondelinge behandeling op 15 oktober 2025 bleek dat de rechter de overgelegde stukken en verzoeken daarom niet had gezien, gelezen en voorbereid. Om die reden heeft de rechter de verzoeken in deze zaak niet inhoudelijk behandeld.
5.7.
Het is de rechtbank, gezien de inhoud van de brief van [minderjarige] en wat er tijdens het gesprek met [minderjarige] en tijdens de zitting is besproken, wel gebleken dat er forse zorgen zijn over [minderjarige] en dat zij hoognodig hulp en behandeling nodig heeft. [minderjarige] staat momenteel op een wachtlijst voor behandeling en therapie vanuit de ggz. Maar zij heeft vooral ook hulp nodig van haar beide ouders. Van belang is dat de ouders weer met elkaar kunnen en zullen communiceren en samenwerken en dat [minderjarige] het gevoel heeft dat haar beide ouders er samen voor haar zijn. Beide ouders hebben tijdens de zitting aangegeven, overeenkomstig het advies van de Raad, om met elkaar in gesprek te gaan en te gaan werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking. De ouders zullen daarom op korte termijn contact opnemen met hun contactpersoon bij de gemeente Altena voor een verwijzing voor het doorlopen van een ouderschapsbemiddelingstraject of een ander, soortgelijk traject.
5.8.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de inhoudelijke behandeling van deze zaak aanhouden tot de hierna te noemen zitting. Deze datum en tijdstip is in overleg met de advocaten van de ouders bepaald. De rechtbank verzoekt de advocaten om
uiterlijk twee weken voorafgaand aan de volgende zitting, die op 12 februari 2026 plaats zal vinden, een (korte) schriftelijke update geven over de actuele stand van zaken met daarin hun standpunt over de in deze zaak voorliggende verzoeken. De rechtbank verzoekt de advocaten daarbij nadrukkelijk om, als zij beiden van mening zijn dat een zitting op dat moment niet opportuun wordt geacht, bijvoorbeeld omdat de hulpverlening loopt en de resultaten daarvan eerst moeten worden afgewacht alvorens de verzoeken inhoudelijk te besproken moeten worden, dit tijdig aan de rechtbank kenbaar te maken. In dat geval zal de rechtbank de inhoudelijke beoordeling en beslissing in deze zaak verder aanhouden in afwachting van nader bericht van de advocaten.
Brief aan [minderjarige]
5.9.
De rechter zal [minderjarige] een brief sturen om haar te informeren over de uitkomst in beide zaken, met de volgende inhoud:
Beste [minderjarige] ,
Onlangs heb je een brief gestuurd naar de rechtbank en hebben wij een gesprek met elkaar gevoerd. Je hebt aangegeven dat je liever geen contact meer wilt hebben met je vader. Daarnaast wil je dat je vader niet langer de belangrijke beslissingen over je kan nemen.
Inmiddels heb ik ook met je ouders gesproken. De advocaten van je ouders waren hierbij aanwezig. Daarnaast was een vertegenwoordigster namens de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig.
Ik heb goed naar iedereen geluisterd. Zo heeft je vader verteld dat hij het liefste zo snel als mogelijk weer contact met je wil hebben, maar ook dat hij jou niet onder druk wil zetten en dat het hem het beste lijkt dat er voorlopig geen contact tussen jullie is. Omdat iedereen het ermee eens is dat je niet gedwongen moet worden om contact met je vader te hebben, is een beslissing door de rechter dat je niet meer naar je vader toe hoeft te gaan, nu niet nodig.
Daarnaast hebben je beide ouders aangegeven dat zij het belangrijk vinden dat jij hulp en behandeling krijgt. Je ouders vinden het bovendien belangrijk dat zij met elkaar aan de slag gaan om te leren om beter met elkaar te communiceren en samen te werken, zodat zij er samen voor jou kunnen zijn en zij jou samen kunnen steunen. Je ouders zullen hiervoor contact opnemen met de gemeente. Over een aantal maanden zal ik opnieuw met je ouders spreken over hoe het gaat. De verzoeken die jouw moeder heeft ingediend zijn namelijk nog niet besproken door een fout van de rechtbank. Daarom zal er later nog over die verzoeken gepraat moeten worden. De datum die daarvoor gepland is, is 12 februari 2026. Het kan ook zijn dat de hulpverlening goed loopt en dat het daarom dan nog te vroeg is om weer met elkaar in gesprek te gaan. In dat geval zal ik op een later moment weer met je ouders spreken.
Voor mij is het niet mogelijk om naar aanleiding van je vraag of het gezag van jouw vader beëindigd kan worden, te bepalen dat je vader niet langer het gezag over jou heeft en dus de belangrijke beslissingen over je mag nemen. Dit kunnen kinderen namelijk niet vragen aan de rechter. Dat soort verzoeken aan de rechtbank moeten ouders zelf doen.
Ik hoop dat mijn beslissing en het vervolg voor jou duidelijk is. Als ik weer met je ouders ga praten zal ik jou ook weer uitnodigen voor een gesprek. Je bent niet verplicht om dan te komen, je mag ook weer een e-mail sturen als je wilt. Ik hoop dat je behandeling snel van de grond komt en dat je daar baat bij gaat hebben. Ik wens je het beste
Met vriendelijke groeten,
de griffier, namens mevrouw van Triest, kinderrechter.

6.De beslissing van de rechter

De rechter:
In de zaak C/02/438781 / FA RK 25-4192:
6.1.
neemt naar aanleiding van de vragen van [minderjarige] geen ambtshalve beslissing;
In de zaak C/02/440359 / FA RK 25-5047:
6.2.
houdt de inhoudelijke behandeling en beslissing op de verzoeken die de ouders over en weer hebben gedaan aan tot de zitting op
dinsdag 12 februari 2026 te 09.00 uur, bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW, bij mr. A.R. van Triest als rechter;
6.2.
verzoekt aan de advocaten van partijen om uiterlijk twee weken voorafgaand aan voormelde zitting, dus
uiterlijk 29 januari 2026om de rechtbank schriftelijk te informeren en haar te informeren over het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak en in het bijzonder of de geplande zitting moet doorgaan, een en ander met in achtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.7 en 5.8 is overwogen;
6.3.
behoudt zich iedere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Mededeling van de griffier:
Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:
a. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
b. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
c. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
d. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.