Op 17 februari 2024 vonden twee woninginbraken plaats aan verschillende adressen. Verdachte werd ervan verdacht deze inbraken samen met een ander te hebben gepleegd. Tijdens de terechtzitting op 6 november 2025 presenteerde de officier van justitie het bewijs, waaronder camerabeelden van een van de inbraken, en stelde dat verdachte schuldig was.
De verdediging betoogde dat de beelden onvoldoende duidelijk waren om verdachte onomstotelijk te identificeren en dat er geen aanvullend bewijs was. De rechtbank oordeelde dat de herkenning door een verbalisant onvoldoende betrouwbaar was vanwege het gedeeltelijk bedekte gezicht van de verdachte op de beelden. Daarnaast ontbrak voor de tweede inbraak elk bewijs, waaronder camerabeelden.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide woninginbraken. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij afgewezen wegens het ontbreken van een bewezenverklaring van het delict waaruit de schade zou zijn voortgekomen. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter voortzetten.