De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 21 oktober 2025 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om het ouderlijk gezag over een minderjarige geboren in 2008 te beëindigen. De minderjarige heeft een complexe geschiedenis met meerdere ondertoezichtstellingen en gesloten plaatsingen vanwege gedragsproblemen en onveilige thuissituaties.
De vader en moeder zijn lange tijd afwezig of onbereikbaar, waarbij de vader het gezag niet actief uitoefent en de moeder onbekend verblijft. De Raad en de gecertificeerde instelling (GI) constateren dat het gezag niet adequaat wordt uitgeoefend en dat dit de ontwikkeling van de minderjarige ernstig schaadt.
De rechtbank stelt vast dat het gezag niet duidelijk is geregeld, mede door het ontbreken van bewijsstukken en internationale aspecten. Uit voorzorg gaat de rechtbank uit van gezamenlijk gezag en beoordeelt het verzoek op die grondslag. Gelet op het belang van het kind en de ernst van de situatie, wordt het gezag van beide ouders beëindigd en wordt de GI benoemd tot voogd.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit en stabiliteit voor de minderjarige te waarborgen. Tevens wordt verzocht het gewijzigde gezag te registreren in het centrale gezagsregister. De ouders worden veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de GI over het gevoerde bewind.