ECLI:NL:RBZWB:2025:8133

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
C/02/429238 / FA RK 24-5578
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
  • Van der Velde
  • Van de Lockant-Geschiere
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Brussel II-terArt. 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:266 lid 1 BWArt. 247 lid 2 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag over minderjarige wegens ernstige bedreiging ontwikkeling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 21 oktober 2025 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om het ouderlijk gezag over een minderjarige geboren in 2008 te beëindigen. De minderjarige heeft een complexe geschiedenis met meerdere ondertoezichtstellingen en gesloten plaatsingen vanwege gedragsproblemen en onveilige thuissituaties.

De vader en moeder zijn lange tijd afwezig of onbereikbaar, waarbij de vader het gezag niet actief uitoefent en de moeder onbekend verblijft. De Raad en de gecertificeerde instelling (GI) constateren dat het gezag niet adequaat wordt uitgeoefend en dat dit de ontwikkeling van de minderjarige ernstig schaadt.

De rechtbank stelt vast dat het gezag niet duidelijk is geregeld, mede door het ontbreken van bewijsstukken en internationale aspecten. Uit voorzorg gaat de rechtbank uit van gezamenlijk gezag en beoordeelt het verzoek op die grondslag. Gelet op het belang van het kind en de ernst van de situatie, wordt het gezag van beide ouders beëindigd en wordt de GI benoemd tot voogd.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit en stabiliteit voor de minderjarige te waarborgen. Tevens wordt verzocht het gewijzigde gezag te registreren in het centrale gezagsregister. De ouders worden veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de GI over het gevoerde bewind.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van beide ouders wordt beëindigd en de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/429238 / FA RK 24-5578
datum uitspraak: 21 oktober 2025
beschikking betreffende gezagsbeëindiging
op het verzoek van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT, hierna te noemen de Raad,
locatie Middelburg,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 2008, hierna te noemen [minderjarige] .
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
zonder vaste woon- en/of verblijfplaats,
advocaat: mr. E. Sijnesael te Middelburg,
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats.
Als informant is in de procedure betrokken:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd te Amsterdam.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 27 november 2024 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 6 december 2024 ontvangen bericht van de Raad met als bijlage een brief van de gemeente Den Haag d.d. 29 november 2024;
- het bericht van mr. Sijnesael d.d. 29 november 2024;
- de op 7 mei 2025 ingekomen brief van de Raad d.d. 7 mei 2025;
- de oproep van de moeder in de Staatscourant d.d. 22 augustus 2025;
- het e-mailbericht van de GI d.d. 19 september 2025.
1.2
Het verzoek is door de meervoudige kamer van deze rechtbank mondeling behandeld op 21 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen een vertegenwoordiger van de Raad, namens de vader mr. Sijnesael en een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder is niet in de procedure verschenen. De rechtbank stelt vast dat zij op juiste wijze is opgeroepen.
1.3
De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Bij e-mailbericht d.d. 19 september 2025 heeft de GI namens [minderjarige] aangegeven dat hij hier geen gebruik van wil maken.

2.De feiten

2.1
[minderjarige] is op 6 maart 2008 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ) geboren uit de affectieve relatie van de ouders. Zij zijn niet en nooit getrouwd geweest.
2.2
Bij beschikking van 26 februari 2020 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld
van de GI met ingang van 26 februari 2020 en tot 11 maart 2020. Tevens is bij deze
beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de (stief)moeder
(netwerkpleeggezin) verleend met ingang van 26 februari 2020 en tot 11 maart 2020.
2.3
Bij beschikking van 5 maart 2020 is de voorlopige ondertoezichtstelling van
[minderjarige] verlengd met ingang van 11 maart 2020 en tot 26 mei 2020. Tevens is bij deze
beslissing de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de (stief)moeder verlengd
(netwerkpleeggezin) met ingang van 11 maart 2020 en tot 26 mei 2020.
2.4
Bij beschikking van 19 mei 2020 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van
26 mei 2020 en tot 26 mei 2021. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin verleend met ingang van 26 mei
2020 en tot 26 mei 2021. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is vervolgens telkens
verlengd, voor het laatst bij beschikking van 15 april 2025, tot 6 maart 2026. Ook de
machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is vervolgens telkens verlengd, voor het laatst
bij beschikking van 17 april 2024, tot 1 mei 2025.
2.5
Bij beschikking van 10 augustus 2022 is er een machtiging verleend om [minderjarige]
te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met
ingang van 10 augustus 2022 tot 10 november 2022, onder aanhouding van het resterende
deel van het verzoek. Bij beschikking van 28 oktober 2022 is deze machtiging met ingang
van 2 november 2022 beëindigd en is het resterende deel van het verzoek afgewezen.
2.6
Bij beschikking van 6 april 2023 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te
doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met
ingang van 6 april 2023 tot 20 april 2023, onder aanhouding van het restant van het
(spoed)verzoek. Deze maatregel is vervolgens telkens verlengd, laatstelijk tot 26 mei 2024.
2.7
[minderjarige] is op 22 november 2024 aangehouden door de politie. Bij beschikking van 17 december 2024 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van [minderjarige] geschorst en is bij beschikking van de kinderrechter van 17 december 2024 een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de ondertoezichtstelling, met ingang van 18 december 2024 en tot 1 mei 2025.
2.8
Bij beschikking van 25 april 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, met ingang van 25 april 2025 en tot 25 juni 2025.
2.9
Bij beschikking van 24 juni 2025 is het verzoek ten aanzien van de gesloten plaatsing van [minderjarige] bij [accommodatie] afgewezen. Er is een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 24 juni 2025 en tot 9 juli 2025 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Dit deel is bij beschikking van 8 juli 2025 toegewezen tot 6 maart 2026, het moment dat [minderjarige] meerderjarig wordt. Op grond van deze machtiging verblijft [minderjarige] op een woongroep te [plaats] .
2.1
De vader en [minderjarige] hebben de Portugese nationaliteit. De nationaliteit van de moeder is voor de rechtbank onbekend.

3.Het verzoek

3.1
De Raad verzoekt primair het ouderlijk gezag van de vader over [minderjarige] te beëindigen. Voor het geval de moeder niet van rechtswege is geschorst in haar gezag verzoekt de Raad subsidiair om ook het gezag van de moeder te beëindigen. Daarbij wordt tevens verzocht de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad zijn verzoek aangevuld, nu dit per abuis niet juist is opgenomen in het verzoekschrift. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de moeder ook belast is met het gezag, verzoekt de Raad subsidiair voor recht te verklaren dat de moeder in haar gezag is geschorst en meer subsidiair haar gezag ook te beëindigen.

4.De standpunten

4.1
De Raad gaat er in zijn verzoek vanuit dat de vader belast is met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . De vader heeft aan de Raad aangegeven dat hij denkt alleen het gezag over [minderjarige] te hebben, omdat de rechter in [geboorteland] heeft besloten om [minderjarige] aan hem toe te wijzen, nadat [minderjarige] bij de moeder had gewoond. Zeker weten doet hij dit niet. De Raad heeft nadere informatie hierover opgevraagd bij de Centrale Autoriteiten en de IND, maar dit heeft niets opgeleverd. Daarnaast is door de kinderrechter in meerdere beschikkingen opgenomen dat de vader belast is met het gezag en dit kan door het ontbreken van bewijsstukken niet anders geduid worden. De Raad vindt het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat het gezag van de vader wordt beëindigd. [minderjarige] heeft al veel in zijn leven meegemaakt en hij moet duidelijkheid krijgen. [minderjarige] is bijna 18 jaar. Terug wonen bij zijn vader is geen optie meer. [minderjarige] moet zich kunnen richten op zijn toekomst vanuit de setting waar hij nu verblijft en het gezag bij de vader laten is daarbij niet langer passend, gezien de positie die de vader inmiddels inneemt. Gedurende het onderzoek is het de Raad niet gelukt om in contact te komen met de vader. In het moeizame en sporadische contact met de GI heeft de vader aangegeven dat de GI voortaan maar de noodzakelijke beslissingen over [minderjarige] moet nemen, omdat [minderjarige] het contact met vader afhield. De vader legt daarmee zijn verantwoordelijkheid als ouder met gezag bij de betrokken jeugdbeschermer en sindsdien verschijnt hij ook niet meer bij overleggen en zittingen. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de moeder ook het gezag heeft, dan is zij volgens de Raad van rechtswege hierin geschorst vanwege haar onbekende woon- en verblijfplaats. Hoewel benoemd, maar per abuis niet als zodanig expliciet verzocht, verzoekt de Raad de schorsing van het gezag voor recht te verklaren. Mocht de rechtbank de visie ten aanzien van de schorsing niet delen, dan verzoekt de Raad ook het gezag van de moeder te beëindigen. De moeder is al jaren uit beeld en geeft dus inmiddels langdurig geen invulling meer aan haar gezag.
4.2
Mr. Sijnesael benoemt dat zij vader in een eerdere procedure heeft bijgestaan. Op basis van zijn toestemming die hij destijds heeft gegeven voor haar bijstand in het kader van de pilot kosteloze rechtsbijstand heeft zij ook de onderhavige procedure aangenomen. Het is mr. Sijnesael echter niet gelukt om in contact te komen met de vader. Het laatste contact met de vader dateert van twee jaar geleden. Mr. Sijnesael is niet op de hoogte van de huidige situatie van de vader en zijn visie omtrent het voorliggende verzoek en kan zich dan ook niet uitlaten over het verzoek om zijn gezag te beëindigen.
4.3
De GI ziet dat [minderjarige] sinds zijn verblijf in het gesloten kader positieve stappen zet. [minderjarige] heeft een lange weg afgelegd en zijn situatie is op dit moment stabiel. Er zijn grote zorgen geweest omtrent [minderjarige] , zowel civielrechtelijk als strafrechtelijk. In juni jl. is [minderjarige] doorgestroomd naar een setting met 24-uur zorg en dit gaat goed. [minderjarige] moet kunnen werken aan zijn toekomst en richting zelfstandigheid. Hij heeft maatwerk nodig om ervoor te zorgen dat zaken goed geregeld zijn voor het moment dat hij 18 jaar wordt. [minderjarige] wordt een plek gegund waar hij langer kan blijven wonen. De GI moet helaas vaststellen dat de vader al lange tijd zijn gezag over [minderjarige] niet uitoefent. De vader verblijft op een onbekend adres en sluit niet meer aan bij besprekingen over [minderjarige] . Het is voor de GI niet mogelijk om in contact te treden met de vader, omdat hij al langere tijd de jeugdbeschermer heeft geblokkeerd. De GI merkt in de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat dit een terugkerend patroon is en dat dit zorgt voor onveilige situaties voor [minderjarige] . Zo heeft [minderjarige] vorig jaar zijn been gebroken en bleek hij niet verzekerd te zijn. Daarnaast is [minderjarige] op vakantie geweest met de stiefmoeder zonder dat hiervoor de noodzakelijke toestemming van de vader is verkregen. Ook het openen van een eigen bankrekening voor [minderjarige] bleek zonder de toestemming van de vader erg lastig te zijn. De onbereikbaarheid van de vader kan eveneens voor problemen zorgen als straks extra hulpverlening of een andere woonplek voor [minderjarige] nodig blijkt te zijn. De GI staat achter het verzoek van de Raad, zowel ten aanzien van de vader als de moeder. De GI is er binnen de ondertoezichtstelling altijd vanuit gegaan dat de vader het eenhoofdig gezag over [minderjarige] heeft. De moeder is namelijk al jaren niet in beeld. Dat het gezag mogelijk anders geregeld kan zijn, is de GI niet bekend. De GI heeft wel van [minderjarige] begrepen dat er in het verleden een rechterlijke uitspraak is geweest waarbij het gezag of de zorg ten aanzien van [minderjarige] is overgedragen aan de vader. Hier zijn echter geen bewijsstukken van.

5.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht

5.1
De rechtbank stelt vast dat de vader en [minderjarige] de Portugese nationaliteit hebben. Deze zaak draagt als gevolg daarvan een internationaal karakter, zodat eerst de vraag beantwoord dient te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en zo ja, welk recht op het verzoek van toepassing is.
5.2
Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
5.3
De rechtbank stelt vast dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is gelegen, zodat de Nederlandse rechter bevoegd is het verzoek te beoordelen. Op grond van artikel 15 lid 1 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 dient de Nederlandse rechter vervolgens, bij de beoordeling van dat verzoek, het Nederlands recht toe te passen.
Inhoudelijke beoordeling ten aanzien van het gezag
5.4
De Raad verzoekt primair het gezag van de vader over [minderjarige] te beëindigen. Subsidiair verzoekt de Raad - als de rechtbank vindt dat de moeder belast is met het gezag - voor recht te verklaren dat haar gezag is geschorst dan wel om haar gezag ook te beëindigen. De rechtbank kan op grond van artikel 1: 266, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) het gezag van een ouder beëindigen indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247 lid 2 BW Pro, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
5.5
Om het verzoek van de Raad te kunnen beoordelen, moet eerst vastgesteld worden wie het ouderlijk gezag over [minderjarige] heeft. [minderjarige] is op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteland] geboren. Ten aanzien van kinderen die vóór 1 mei 2011 geboren zijn, dient het ontstaan van de gezagsverhouding aan de hand van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1961 (HKV61) te worden beoordeeld. Op grond van artikel 3 van Pro het HKV61 wordt deze vraag beheerst door de nationaliteit van het minderjarige kind. Omdat [minderjarige] de Portugese nationaliteit heeft, betekent dit dat op de gezagsverhouding ten aanzien van [minderjarige] Portugees recht van toepassing is. Het uitgangspunt van het Portugese personen- en familierecht is dat er sprake is van gezamenlijk gezag indien een kind wordt geboren uit een huwelijk of uit een relatie van ouders die feitelijk samenwonen. De rechtbank begrijpt dat het de Raad niet is gelukt om de geboorteakte van [minderjarige] en eventuele aanvullende bewijsstukken bij zijn verzoek te overleggen. Uit de brief van de gemeente Den Haag d.d. 29 november 2024 volgt dat er geen akten omtrent [minderjarige] zijn ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand. Omdat er geen geboorteakte kan worden overgelegd, dan wel een eventuele rechterlijke beslissing, is het voor de rechtbank niet mogelijk om vast te stellen of de vader [minderjarige] destijds heeft erkend en daarmee de juridische vader van [minderjarige] is, alsmede of de ouders ten tijde van de geboorte van [minderjarige] hebben samengewoond. Naar de rechtbank begrijpt zijn de ouders nooit gehuwd (geweest) en hebben zij vermoedelijk nooit samengewoond. Uit de verkregen informatie volgt namelijk dat [minderjarige] op tweejarige leeftijd is verlaten door zijn moeder en dat hij (mogelijk middels een rechterlijke beslissing) bij de vader is geplaatst, die destijds woonachtig was in Nederland. Naar Portugees recht lijkt het dan aannemelijk, nu er geen sprake lijkt te zijn van een huwelijk dan wel samenwoning, dat de moeder ten tijde van de geboorte van rechtswege is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . Zowel door de vader als door [minderjarige] is eerder in gesprekken met de Raad en de GI aangegeven dat er mogelijk een rechterlijke uitspraak zou zijn, waarbij de zorgtaken over [minderjarige] dan wel de verantwoordelijkheid over hem is overgedragen aan de vader. Het is voor de rechtbank niet mogelijk om deze gewijzigde gezagsverhouding vast te stellen, nu enig bewijsstuk om dit te staven ontbreekt. Omdat naar het oordeel van de rechtbank [minderjarige] gebaat is bij duidelijkheid omtrent het gezag, zal de rechtbank voor de zekerheid uitgaan van gezamenlijk gezag en op basis hiervan het verzoek van de Raad beoordelen.
5.6
Het beëindigen van het ouderlijk gezag is een maatregel die ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder van wie het gezag wordt beëindigd als de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Daarbij is van belang dat artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) onder meer eist dat de belangen van het kind en die van de ouder tegen elkaar worden afgewogen. Ten aanzien van het belang van het kind volgt uit het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dat de belangen van het kind voorop staan bij het nemen van een beslissing tot het beëindigen van ouderlijk gezag. Op grond van artikel 8 EVRM Pro geldt ten slotte dat, indien het doel van een gezagsbeëindiging met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van deze maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (subsidiariteit en proportionaliteit).
5.7
Niet is gebleken dat de vader en de moeder het gezag over [minderjarige] misbruiken. Wel vindt de rechtbank dat er sprake is van de eerste grond voor de beëindiging van het gezag van beide ouders. Ook is voldaan aan de vereisten die artikel 8 EVRM Pro stelt aan een gezagsbeëindiging. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige] namelijk geschaad als beide ouders het gezag behouden.
5.8
De rechtbank zal uitleggen waarom zij tot dit oordeel komt. [minderjarige] is geboren in [geboorteland] . Hoewel niet duidelijk is of de moeder zelf de keuze heeft gemaakt om [minderjarige] te verlaten of dat dit op basis van een rechterlijke beslissing heeft plaatsgevonden, is [minderjarige] als tweejarige jongen geplaatst bij zijn vader in Nederland. [minderjarige] heeft veel wisselende verblijfplaatsen gekend sinds hij in Nederland woont. [minderjarige] heeft in eerste instantie bij de vader en diens partner gewoond. In die tijd is [minderjarige] onder toezicht gesteld vanwege zorgen over de thuissituatie. Met een rechterlijke machtiging is hij vervolgens bij zijn stiefmoeder geplaatst en daarna heeft hij ook nog een tijd bij zijn peettante gewoond. In november 2022 tot maart 2023 is [minderjarige] terug bij vader gaan wonen, dit is echter opnieuw misgelopen, onder meer door het drugsgebruik van de vader. In de afgelopen jaren zijn er toenemende zorgen over [minderjarige] ontstaan. [minderjarige] heeft veel gedragsproblemen laten zien, waarbij hij zelfbepalend was, drugs gebruikte, niet naar school ging en waardoor hij meermaals met politie en justitie in aanraking is geweest. Dit heeft vanaf 2022 meerdere keren geleid tot een plaatsing binnen het gesloten kader. Naast de zorgen over het gedrag van [minderjarige] zijn er veel zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] vanwege de vele verlieservaringen in zijn leven en het wantrouwen naar anderen dat hierdoor is ontstaan. [minderjarige] heeft zijn moeder inmiddels al acht jaar niet meer gesproken of gezien. Het is onbekend waar zij thans verblijft. Haar contactgegevens zijn inmiddels achterhaald of niet meer in gebruik. De moeder is dus onbereikbaar voor [minderjarige] , maar ook voor de betrokken hulpverlening. De vader heeft in de afgelopen jaren steeds meer afstand genomen van [minderjarige] . Hij is inmiddels langdurig niet meer betrokken bij de opvoeding van [minderjarige] . Ook is de vader voor de GI niet te bereiken, nu hij de jeugdbeschermer al enige tijd heeft geblokkeerd. De GI concludeert dat de vader steeds verder verwijderd raakt van [minderjarige] en dat hij niet de verantwoordelijkheid neemt voor zijn zoon. Zo had [minderjarige] geen zorgverzekering en is het zeer lastig gebleken om de toestemming van de vader als gezaghebbende ouder te verkrijgen voor zaken die in het belang van [minderjarige] noodzakelijk waren. [minderjarige] heeft veel meegemaakt in zijn leven en laat signalen van een onveilige hechting zien. [minderjarige] heeft, mede door zijn kindeigen problematiek, veel behoefte aan structuur en voorspelbaarheid en gezien wordt dat hij veel last ondervindt van het feit dat het gezag over hem niet wordt uitgeoefend en dat hij in dit kader niet kan rekenen op zijn ouders. [minderjarige] zet inmiddels binnen de setting waar hij thans verblijft positieve stappen, maar de situatie rondom zijn ouders brengt veel onrust, teleurstelling en onzekerheid voor [minderjarige] . De rechtbank kan niet anders concluderen dan dat deze omstandigheden zijn ontwikkeling ernstig schaden.
5.9
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank met de Raad onvoldoende mogelijkheden bij zowel de vader als de moeder om de opvoeding van [minderjarige] in voldoende mate vorm te geven. Er is voldaan aan de gronden voor een gezagsbeëindiging. Gezien de onvoorspelbare en onbereikbare houding van beide ouders ziet de rechtbank geen mogelijkheid om de situatie vanuit een vrijwillig kader voort te zetten. Hoewel geconcludeerd kan worden dat het gezag van de moeder ingevolge de artikelen 1:253q lid 3 BW en 1:253r lid 1 BW is geschorst vanwege haar onbekende verblijfplaats, leidt het voorgaande bij de rechtbank tot het oordeel dat het gezag van beide ouders in het belang van [minderjarige] beëindigd moet worden. Een voor recht verklaring van de schorsing in het gezag, zoals door de Raad is verzocht, acht de rechtbank ontoereikend en niet in het belang van [minderjarige] . Op het moment dat de omstandigheden van de moeder wijzigen en haar onbevoegdheid om het gezag uit te oefenen komt te vervallen, kan zij een verzoek indienen tot herkrijging van haar gezag. De rechtbank acht dit niet in het belang van [minderjarige] , nu hij erbij gebaat is als hij de resterende tijd tot aan zijn meerderjarigheid duidelijkheid en rust krijgt om zich te richten op zijn ontwikkeling en zelfstandigheid, alsmede zekerheid krijgt over het inzetten van de stappen die hiervoor nodig zijn, zonder daarbij afhankelijk te zijn van het al dan niet verkrijgen van de toestemming van (één van) de ouders. De rechtbank zal daarom het onweersproken verzoek van de Raad ten aanzien van beide ouders toewijzen.
5.1
Omdat de beëindiging van het gezag van beide ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275 lid 1 BW Pro een voogd over hem te benoemen. De Raad adviseert de GI, die thans belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de reclasseringsmaatregel, met de voogdij over [minderjarige] te belasten. De rechtbank kan zich hierin vinden, want de GI is al jaren betrokken bij [minderjarige] en heeft goed zicht op wat hij nodig heeft. De GI is daarmee goed in staat om de belangen van [minderjarige] te behartigen en om beslissingen te nemen die noodzakelijk zijn om [minderjarige] over enkele maanden op een passende plek te krijgen waar hij kan werken aan zijn zelfstandigheid. Nu de GI zich hiertoe bereid heeft verklaard, zal de rechtbank overeenkomstig het advies van de Raad de GI met ingang van heden benoemen tot voogdes over [minderjarige] . Voor zover zij hier uitvoering aan hebben gegeven zal de rechtbank ingevolge artikel 1:276 lid 1 BW Pro beide ouders veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de GI over het gevoerde bewind ten aanzien van [minderjarige] .
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
5.11
Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing, welke de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Gezagsregister
5.12
Het is volgens de wet nodig dat iedereen kan zien hoe het gezag over [minderjarige] is geregeld. Daarom zal de rechtbank in verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters, de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het centrale gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader] , geboren te
[geboorteplaats 2] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 2] 1988, en [de moeder] , zonder bekende geboortegegevens, woon- of verblijfplaats, over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 2008;
6.2
benoemt de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam tot voogdes over [minderjarige] ;
6.3
veroordeelt de vader en de moeder tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de voogdes over het gevoerde bewind ten aanzien van [minderjarige] ;
6.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025 door mr. De Beer, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Van der Velde en mr. Van de Lockant-Geschiere, (kinder)rechters, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier en op schrift gesteld op 18 november 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.