ECLI:NL:RBZWB:2025:8142

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
11866624 VV EXPL 25-40 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Bosters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:438 lid 2 BWArt. 7:228 lid 1 BWArt. 7:271 lid 1 BWArt. 7:271 lid 2 BWArtikel 1.1.1 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontruimingsvordering wegens niet-tijdige opzegging tijdelijke huurovereenkomst

Beveland Wonen vorderde in kort geding de ontruiming van een woning die tijdelijk werd verhuurd aan een rechthebbende onder bewind. De huurovereenkomst was gesloten voor één jaar en niet ondertekend door de bewindvoerder, die later wel machtiging gaf voor huurbetaling. De verhuurder stelde dat de tijdelijke huurovereenkomst rechtsgeldig was en tijdig was beëindigd.

De bewindvoerder voerde verweer dat de huurovereenkomst niet tijdig was opgezegd en dat de overeenkomst gezien de omstandigheden als onbepaalde tijd moest worden beschouwd. De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst geldig was en dat de bewindvoerder achteraf instemde met de tijdelijkheid. Er kon echter niet worden vastgesteld dat de huurovereenkomst onder de uitzondering van artikel 7:271 lid 2 BW Pro viel, waardoor opzegging vereist was.

Omdat de verhuurder de opzegging niet binnen de vereiste termijn van drie maanden heeft gedaan, was de opzegging niet rechtsgeldig. Hierdoor kon niet worden aangenomen dat de huurder zonder recht of titel in de woning verbleef. De vordering tot ontruiming werd daarom afgewezen en de verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De ontruimingsvordering wordt afgewezen wegens niet-tijdige opzegging van de tijdelijke huurovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11866624 \ VV EXPL 25-40
Vonnis in kort geding van 5 november 2025
in de zaak van
STICHTING BEVELAND WONEN,
te Goes,
eisende partij,
hierna te noemen: Beveland Wonen,
gemachtigde: AGIN Timmermans gerechtsdeurwaarders Juristen Incassospecialisten,
tegen
[bewindvoerder] , H.O.D.N. [bewindvoerderskantoor] , IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN VAN [rechthebbende],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
gemachtigde: mr. J. van Boekel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 september 2025, met producties,
- de brief van 21 oktober 2025 met producties van de bewindvoerder,
- de mondelinge behandeling van 22 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, met daaraan gehecht de pleitnota van de bewindvoerder.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 5 juli 2022 is een bewind ingesteld over alle goederen die aan [rechthebbende] toebehoren, met benoeming van [bewindvoerder] als bewindvoerder.
2.2.
Op 3 september 2024 hebben Beveland Wonen en [rechthebbende] een tijdelijke huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning te [adres] (hierna: de woning). De huurovereenkomst werd aangegaan voor de duur van één jaar, derhalve tot en met 2 september 2025. De huurovereenkomst is niet ondertekend door de bewindvoerder.
2.3.
Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden van Beveland Wonen van toepassing. In de algemene voorwaarden is onder meer de volgende bepaling opgenomen:
“11.3 Opzegging van de huurovereenkomst door verhuurder geschiedt met inachtneming van een termijn van tenminste drie maanden. (…)”
2.4.
Per brief van 10 juni 2025 heeft Beveland Wonen het einde van de huurovereenkomst aangezegd.
2.5.
De bewindvoerder heeft niet ingestemd met het einde van de huurovereenkomst.

3.Het geschil

3.1.
Beveland Wonen vordert samengevat - ontruiming van de woning aan [adres] .
3.2.
Beveland Wonen legt aan haar vordering ten grondslag dat sprake is van een tijdelijke huurovereenkomst, waarvan Beveland Wonen het einde tijdig heeft aangezegd. [rechthebbende] blijft de woning zonder recht of titel in gebruik houden, zodat Beveland Wonen de ontruiming daarvan vordert.
3.3.
De bewindvoerder voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Beveland Wonen, met veroordeling van Beveland Wonen in de kosten van deze procedure.
3.4.
De bewindvoerder voert het volgende aan. Hoewel de goederen van [rechthebbende] onder bewind zijn gesteld, is Beveland Wonen overgegaan tot het sluiten van een huurovereenkomst met [rechthebbende] zelf. De bewindvoerder heeft geen goedkeuring gegeven voor het sluiten van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd. Omdat er geen bepaald tijdsbeding is overeengekomen, is sprake van een reguliere huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daarnaast is de huurovereenkomst door Beveland Wonen gezien de gehanteerde algemene voorwaarden niet tijdig opgezegd.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een
diepgaand onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
4.2.
Het spoedeisend belang van Beveland Wonen bij haar vordering ligt in de aard van de vordering zoals deze is omschreven in de dagvaarding.
4.3.
Vaststaat dat de door Beveland Wonen met [rechthebbende] gesloten tijdelijke huurovereenkomst is aangegaan, terwijl de goederen van [rechthebbende] reeds onder bewind waren gesteld. Dit is in strijd met artikel 1:438 lid 2 BW Pro, waarin is bepaald dat de rechthebbende slechts met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig is, met machtiging van de kantonrechter over de onder het bewind staande goederen kan beschikken. Anders dan de bewindvoerder stelt, leidt deze omstandigheid niet tot de conclusie dat sprake is van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat zij destijds een kopie van de huurovereenkomst heeft ontvangen en dat zij vervolgens een machtiging heeft afgegeven voor het afschrijven van de maandelijkse huurpenningen. De bekendheid met de huurovereenkomst en de vervolgens verleende machtiging voor betaling van de huurpenningen maken voldoende aannemelijk dat de bewindvoerder (achteraf) heeft ingestemd met de huurovereenkomst en de tijdelijkheid daarvan, zodat deze wordt verondersteld geldig te zijn.
4.4.
Vervolgens komt aan de orde of de tussen Beveland Wonen en [rechthebbende] gesloten huurovereenkomst is beëindigd en of dit dan op de juiste wijze is gedaan. Daarbij is in de eerste plaats van belang of er een opzegging is vereist om tot een einde van de huurovereenkomst te komen. Het uitgangspunt voor huurovereenkomsten voor bepaalde tijd is dat deze eindigen, zonder dat daartoe een opzegging vereist is, wanneer die tijd is verstreken (art. 7:228 lid 1 BW Pro). Een voor bepaalde tijd aangegane huur van woonruimte eindigt, in afwijking van artikel 7:228 lid 1 BW Pro, niet door het enkele verloop van de huurtijd; zij kan door elk van beide partijen worden opgezegd tegen een voor de betaling van de huurprijs overeengekomen dag, niet vallend voor het verstrijken van de bepaalde tijd (art. 7:271 lid 1 BW Pro). Deze bepaling is echter niet van toepassing op een voor bepaalde tijd voor de duur van twee jaar of korter aangegane huur in geval van een woonruimte die wordt verhuurd aan personen die deel uitmaken van bij algemene maatregel van bestuur [1] genoemde categorieën van personen. Op die huurovereenkomsten is art. 7:228 lid 1 BW Pro onverkort van toepassing, mits de verhuurder niet eerder dan drie maanden maar uiterlijk een maand voordat die bepaalde tijd is verstreken, de huurder over de dag waarop die huur verstrijkt schriftelijk informeert (art. 7:271 lid 2 BW Pro).
4.5.
Dat sprake is van een tijdelijke huurovereenkomst die niet hoeft te worden opgezegd, wordt volgens Beveland Wonen ingegeven door de omstandigheid dat [rechthebbende] afkomstig is uit de maatschappelijke opvang, als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke opvang (Wmo) 2015 [2] . De bewindvoerder betwist dat dit het geval is. [rechthebbende] heeft weliswaar een tijd in de opvang gezeten, maar voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst huurde hij een kamer bij Stichting Zorg in de Vrijheid, welke stichting volgens haar niet kan worden aangemerkt als opvang in de zin van de Wmo.
4.6.
Hoewel Beveland Wonen erkent dat [rechthebbende] niet rechtstreeks uit de opvang afkomstig was, is zij van mening dat de Stichting Zorg in de Vrijheid en de daardoor verstrekte woonruimte ook moet worden gezien als opvang in de zin van de Wmo. Zij heeft echter nagelaten dit nader te onderbouwen zodat niet kan worden vastgesteld dat de tijdelijke huurovereenkomst valt onder de hiervoor beschreven uitzondering van artikel 7:271 lid 2 BW Pro. Dit heeft tot gevolg dat er binnen dit kort geding van uit moet worden gegaan dat de tijdelijke huurovereenkomst alleen kon worden beëindigd door middel van een opzegging.
4.7.
Ten aanzien van die opzegging geldt dat blijkens artikel 11.3 van de door Beveland Wonen overgelegde algemene huurvoorwaarden, waarvan de toepasselijkheid niet is weersproken en de inhoud evenmin is bestreden, een opzegtermijn wordt gehanteerd van drie maanden. Dit betekent dat Beveland Wonen de huurovereenkomst uiterlijk op 2 juni 2025 had moeten opzeggen. De opzeggingsbrief, gedateerd op 10 juni 2025, is daarmee te laat.
4.8.
Het voorgaande brengt met zich dat binnen dit kort geding niet met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [rechthebbende] zonder recht of titel in de woning verblijft. De gevorderde ontruiming zal daarom worden afgewezen.
4.9.
Beveland Wonen is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de bewindvoerder worden begroot op:
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
949,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Beveland Wonen af,
5.2.
veroordeelt Beveland Wonen in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Beveland Wonen niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bosters en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.

Voetnoten

1.Dit betreft het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst.
2.Categorie van personen c van het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst.