Uitspraak
1.De procedure
- de brief van 21 oktober 2025 met producties van de bewindvoerder,
- de mondelinge behandeling van 22 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, met daaraan gehecht de pleitnota van de bewindvoerder.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Beveland Wonen vorderde in kort geding de ontruiming van een woning die tijdelijk werd verhuurd aan een rechthebbende onder bewind. De huurovereenkomst was gesloten voor één jaar en niet ondertekend door de bewindvoerder, die later wel machtiging gaf voor huurbetaling. De verhuurder stelde dat de tijdelijke huurovereenkomst rechtsgeldig was en tijdig was beëindigd.
De bewindvoerder voerde verweer dat de huurovereenkomst niet tijdig was opgezegd en dat de overeenkomst gezien de omstandigheden als onbepaalde tijd moest worden beschouwd. De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst geldig was en dat de bewindvoerder achteraf instemde met de tijdelijkheid. Er kon echter niet worden vastgesteld dat de huurovereenkomst onder de uitzondering van artikel 7:271 lid 2 BW Pro viel, waardoor opzegging vereist was.
Omdat de verhuurder de opzegging niet binnen de vereiste termijn van drie maanden heeft gedaan, was de opzegging niet rechtsgeldig. Hierdoor kon niet worden aangenomen dat de huurder zonder recht of titel in de woning verbleef. De vordering tot ontruiming werd daarom afgewezen en de verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De ontruimingsvordering wordt afgewezen wegens niet-tijdige opzegging van de tijdelijke huurovereenkomst.