ECLI:NL:RBZWB:2025:8145

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
02-219932-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot overval op tankstation met bedreiging

Op 20 november 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 24 juli 2025 heeft geprobeerd een tankstation te overvallen. De verdachte, geboren in 2003, was ten tijde van de zitting preventief gedetineerd. Tijdens de zitting op 6 november 2025 heeft de officier van justitie, mr. T. de Haze, de aanklacht gepresenteerd, terwijl de verdediging zijn standpunten naar voren bracht. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en dat de officier van justitie ontvankelijk was in de vervolging. De verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd, wat de rechtbank leidde tot de conclusie dat het feit wettig en overtuigend bewezen was. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan poging tot diefstal met bedreiging, waarbij hij een mes heeft getoond en de medewerkster van het tankstation heeft bedreigd met de woorden "ik wil de geldla". De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en heeft tevens een schadevergoeding van € 1.549,13 aan de benadeelde partij toegewezen. De rechtbank heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf toegewezen, omdat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan een nieuw strafbaar feit tijdens de proeftijd.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-219932-25
Parketnummer TUL: 20-001703-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 20 november 2025
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
raadsman mr. R.W. Koevoets, advocaat te Hoek.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 november 2025, waarbij de officier van justitie, mr. T. de Haze, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer en de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] .

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 24 juli 2025 te [plaats] tankstation Esso heeft gepoogd te overvallen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich hierbij op de bewijsmiddelen in het dossier.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Door verdachte is een bekennende verklaring afgelegd en het feit kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de aangifte van [slachtoffer] van 24 juli 2025;
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 6 november 2025.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 24 juli 2025 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld dat geheel aan tankstation Esso, toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan
ente doen vergezellen van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, die [slachtoffer] een mes heeft getoond en de woorden toegevoegd "ik wil de geldla" en "moet ik er overheen klimmen", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht nadrukkelijk rekening te houden met de relatieve ernst van het feit en het amateuristische karakter daarvan, alsmede met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is jong en gemotiveerd om te werken aan zijn toekomst. Dit is ook besproken met de reclassering. Een voorwaardelijk straf, als stok achter de deur, met daarbij de mogelijkheid om de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals geadviseerd door de reclassering, zou een groot deel van de straf moeten vormen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft geprobeerd een tankstation te overvallen. Hij is op 24 juli 2025 het tankstation binnengelopen en heeft een mes op de toonbank gelegd en van de medewerkster van het tankstation, zijnde het slachtoffer, geëist de kassalade open te doen. Het slachtoffer weigerde dit te doen. Toen er een andere klant bij het tankstation verscheen is verdachte met het mes vertrokken. De wijze waarop verdachte het tankstation heeft gepoogd te overvallen komt bij de rechtbank enigszins onbeholpen en amateuristisch over. Dit laat echter onverlet dat een dergelijk feit doorgaans traumatisch is voor een slachtoffer en gevoelens van angst en onveiligheid kan veroorzaken. Dat het bewezen verklaarde feit grote impact had en heeft op het slachtoffer volgt uit de toelichting op de, hierna te bespreken, vordering tot schadevergoeding. Het slachtoffer heeft nog steeds nachtmerries en is tot op heden nog niet aan het werk. Verdachte heeft met de gevolgen van zijn handelen geen rekening gehouden en had slechts oog voor zijn eigen financiële gewin.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 19 september 2025 blijkt dat verdachte in het verleden vaker met politie en justitie in aanraking is gekomen, ook voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 28 oktober 2025. De reclassering ziet risicoverhogende factoren op de leefgebieden 'middelengebruik' en 'sociaal netwerk' van verdachte. Verdachte blowt sinds zijn twaalfde en is hiervan afhankelijk. Daarnaast houden verdachte en zijn vrienden zich bezig met drugscriminaliteit. De reclassering ziet echter ook dat verdachte andere stappen wil nemen in zijn leven. Hij is voornemens clean te blijven en zijn oude leven achter zich te laten. Hij wil opnieuw aan het werk en wil zijn toekomst op een positieve(re) manier opbouwen. Verdachte staat open voor bijzondere voorwaarden en toezicht vanuit de reclassering om hem te ondersteunen, te begeleiden en te voorkomen dat hij in zijn oude patronen terugvalt. Toezicht vanuit de reclassering zou helpend zijn om verdachte te monitoren en te werken aan de andere leefgebieden zoals ‘dagbesteding’ en ‘huisvesting’. De reclassering heeft geadviseerd om het volwassenstrafrecht toe te passen en een (deels) voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een inspanningsverplichting voor dagbesteding en een verplichting mee te werken aan middelencontrole. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bereid te zijn zich aan deze voorwaarden te houden.
Volwassenstrafrecht
De rechtbank volgt het advies van de reclassering en zal het volwassenstrafrecht toepassen, nu geen aanknopingspunten worden gezien voor toepassing van het jeugdstrafrecht.
Strafmaat
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend is.
Volgens de landelijke oriëntatiepunten van de rechtspraak voor straftoemeting is het uitgangspunt bij een overval op een tankstation twee jaar gevangenisstraf. Verdachte wordt echter een poging verweten, wat een strafmatiging van een derde met zich brengt. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt voor een op te leggen straf een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.
De rechtbank weegt als strafverlagende factor mee dat verdachte een jongvolwassen man is. Ten tijde van het delict was hij 21 jaar oud. Tevens weegt de rechtbank ten gunste van verdachte mee dat hij spijt heeft betuigd richting het slachtoffer, niet alleen ter zitting maar ook op voorhand door haar een brief te sturen. Deze spijt komt de rechtbank oprecht over.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend. De rechtbank ziet in de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Gelet op de relatief jonge leeftijd van verdachte en zijn motivatie om (begeleid) aan zijn toekomst te werken, acht de rechtbank het van belang dat verdachte na zijn detentie de ondersteuning krijgt die hij volgens de reclassering nodig heeft. Om dat te bewerkstelligen, zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden aan het voorwaardelijke strafdeel. De duur van dat strafdeel bepaalt de rechtbank op zes maanden, zodat verdachte een stevige stok achter de deur heeft, met een proeftijd van twee jaar.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert voor het gepleegde feit een schadevergoeding van € 2.049,13.
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft een vergoeding voor de reiskosten gevorderd ten bedrage van € 49,13. Deze reiskosten zijn gemaakt vanwege bezoeken aan de bedrijfsarts en psycholoog.
Reiskosten gemaakt voor het bevorderen van het herstel van de door verdachte toegebrachte schade (bijv. voor medische behandelingen) zijn op grond van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) toewijsbaar als materiële schade mits in redelijkheid gemaakt en redelijk van hoogte.
Nu deze schade onvoldoende gemotiveerd is betwist, zal de rechtbank de vordering in zoverre toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft een immateriële schadevergoeding van € 2.000,- gevorderd.
Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel betreft dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Van ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is nodig dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van informatie afkomstig van een psychiater of psycholoog.
Voor het vaststellen van de omvang van de gestelde schade moet onder meer worden gekeken naar de aard en ernst van het feit, de aard en ernst van het letsel en de gevolgen voor de benadeelde partij. Uit de vordering blijkt dat bij de benadeelde een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld en dat zij hiervoor EMDR-therapie ontvangt. Zij heeft inmiddels twee behandelingen ondergaan, maar de uitkomsten van deze behandeling zijn nog onzeker. Daarnaast is de benadeelde niet in staat om te werken en is zij volledig arbeidsongeschikt.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de hiervoor genoemde en niet bestreden gevolgen hiervan voor de benadeelde partij en de vergoedingen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 1.500,- billijk. Voor het overige deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 24 juli 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand die aan verdachte is opgelegd bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 februari 2024 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen 3 dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, Unit Middelburg op het adres Vrijlandstraat 33, 4237 EA Middelburg. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* dat verdachte zich laat behandelen door FZZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na intake en positieve indicatie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
* dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- stelt vast dat
van rechtswege de volgende voorwaardengelden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.549,13, waarvan € 49,13 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 1.549,13 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 24 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij arrest van 26 februari 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 20-001703-23
ten uitvoer zal worden gelegd, te weten
1 (één) maand gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr.
L.W. Louwerse, voorzitter,
en mrs.
J. Bergenen
J.B. Polak, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 20 november 2025.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 24 juli 2025 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
geld in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan tankstation Esso, in elk
geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te
doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld
tegen [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of
gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de
vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
die [slachtoffer] een mes heeft getoond en/of de woorden toegevoegd "ik wil de geldla"
en/of "moet ik er overheen klimmen",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1
Wetboek van Strafrecht )