ECLI:NL:RBZWB:2025:8154

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/02/439645 / JE RK 25-1637
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige bij grootouders

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij zijn grootouders, tevens pleegouders. De minderjarige verblijft sinds oktober 2024 bij de grootouders en de GI heeft eerder al een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar kampt met onbehandelde trauma's en is onvoldoende weerbaar om de zorg voor de minderjarige op zich te nemen.

De GI stelt dat voortzetting van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de stabiele opvoedsituatie en het monitoren van de hulpverlening aan zowel de minderjarige als de grootouders. De moeder werkt mee aan hulpverlening, maar verzet zich tegen een intern 24-uurs behandeltraject en wenst ambulante behandeling. Zij vraagt tevens om uitbreiding van de contactmomenten met de minderjarige, wat door de GI en kinderrechter wordt afgewezen vanwege serieuze zorgen over de zorgsituatie bij de moeder.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is voldaan. De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een jaar, de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden, met aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Er wordt een toekomstige zitting gepland om de voortgang te toetsen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor één jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden, terwijl het verzoek tot uitbreiding van contactmomenten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439645 / JE RK 25-1637
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING,gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. M. Hofland uit Breda,
DE HEER EN MEVROUW [de pleegouders] ,
hierna te noemen de pleegouders,
wonende in [plaats 1] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 september 2025;
  • de op 1 oktober 2025 en op 9 oktober 2025 ingekomen brieven van de advocaat van de moeder;
  • de op 14 oktober 2025 ontvangen brief van de GI.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de grootouders tevens pleegouders.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds 1 oktober 2024 pleegouders tevens grootouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 november 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en
Jeugdreclassering met ingang van 4 november 2024 tot 4 november 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 juli 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel (opvolgend) een netwerkpleeggezin, zijnde de grootouders,
met ingang van 22 juli 2025 tot 4 november 2025.

3.Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend samengevat aangevoerd dat na het negatief screeningsadvies van Vigere in combinatie met de onthullingen die de moeder had gedaan, door de GI een aanvraag voor een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is gedaan. [minderjarige] is op dat moment geplaatst op de [groep] van Sterk Huis. Hoewel het daar in eerste instantie goed leek te gaan met [minderjarige] werd na verloop van tijd duidelijk dat hij de situatie bij opa en oma erg miste. [minderjarige] heeft gedurende de gehele periode bij Sterk Huis geen enkel signaal afgegeven dat het bij opa en oma onveilig zou zijn. Ook werd er tijdens de contactmomenten die opa en oma hadden met [minderjarige] ten tijde van de plaatsing bij Sterk Huis geen zorgen gezien. Deze situatie zorgde ervoor dat de GI in een spagaat verkeerde met betrekking tot het toekomst perspectief van [minderjarige] .
4.2.
Tijdens de zitting van 17 juli 2025 heeft de moeder de wens uitgesproken dat
[minderjarige] terug bij opa en oma kan gaan wonen. Daarop is door de kinderrechter bepaald dat [minderjarige] zo snel mogelijk terug bij opa en oma mocht gaan wonen. [minderjarige] is die zelfde week teruggeplaatst bij opa en oma, waarbij Sterk Huis een rol heeft gespeeld in de overdracht. Wel gaven de grootouders aan ondersteuning bij opvoedingsvraagstukken wenselijk te vinden. Vervolgens is op 29 augustus 2025 een aanmelding gedaan bij [instantie] , welke instantie eerder betrokken is geweest. Er is recent hulp en ondersteuning actief in het pleeggezin.
4.3.
Op dit moment gaat het naar omstandigheden goed met [minderjarige] . Hij heeft het naar zijn zin bij opa en oma en de contactmomenten met zijn moeder verlopen naar behoren. [minderjarige] vraagt veel naar zijn broertje en zusje; samen met de hulpverlening die voor hen is ingezet worden er contactmomenten georganiseerd. Wel wordt gezien dat [minderjarige] in zijn jonge leventje al veel heeft meegemaakt en dat dit zijn uitwerking heeft op het gedrag dat hij soms laat zien.
4.4.
Uit het door [hulpverlening] (Sterk Huis) gegeven perspectief advies over [minderjarige] blijkt dat de moeder een zeer kwetsbare vrouw is, waarbij sprake is van onbehandelde trauma's. Deze staan momenteel op de voorgrond, waardoor er weinig tot geen ruimte is om aan de slag te gaan met de gegeven adviezen vanuit de begeleiding. Ook is de moeder op dit moment onvoldoende leerbaar en zal zij eerst met zichzelf aan de slag moeten gaan, alvorens er mogelijk weer ruimte ontstaat om de zorg en opvoeding van haar kinderen te kunnen dragen. De moeder dient eerst behandeling te ondergaan voor haar trauma`s voordat zij haar rol als opvoeder weer op kan pakken. Zij laat echter momenteel een afwachtende houding zien. Door de bij haar voorliggende problematiek is zij zelf niet in staat om pro actief aan de slag te gaan en zaken zelfstandig op te pakken. Dit ondanks de geboden onder-steuning, stimulering en uitgezette lijntjes naar de moeder door de hulpverlening. Ook speelt een belangrijke rol dat de moeder niet voldoende weerbaar is gebleken om, wanneer dit van haar wordt gevraagd, ervoor te zorgen dat haar nieuwe partner, over wie er op dit moment zorgen zijn, niet aanwezig is. Dit bij elkaar maakt dat, zo lang de moeder geen traumabehandeling aangaat, contactmomenten tussen haar en [minderjarige] bij haar thuis voor de GI niet bespreekbaar zijn.
4.5.
Nu gebleken is dat de plaatsing van [minderjarige] bij de grootouders positief verloopt zet de GI - ondanks de complicatie dat deze plaatsing door Vigere Zorg niet wordt ondersteund - in op voortzetting van de plaatsing van [minderjarige] bij zijn grootouders. Daarom handhaaft de GI haar verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootouders, voor de duur van één jaar. Daarbij speelt ook met name een rol dat de hulpverlening in het gezin pas recent actief is. De ondertoezichtstelling dient om het verdere verloop daarvan te blijven monitoren en om de grootouders waar nodig te begeleiden en te ondersteunen bij eventuele verdere hulpvragen.

5.Het standpunt van de advocaat van de moeder

5.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder van meet af aan meewerkt met de hulpverlening en met de GI. Zij ziet in dat die hulpverlening nog steeds noodzakelijk is. De moeder begrijpt ook dat zij traumabehandeling nodig heeft. Die behandeling kan echter in ambulante vorm geschieden, er is in haar opvatting geen noodzaak om die door middel van een intern 24-uurs traject te laten plaats vinden. De moeder heeft inmiddels gedurende ruim een jaar, te weten sinds juni 2024, een stabiele relatie met haar huidige partner. Nadat zij tijdelijk bij de ouders van haar partner heeft gewoond hebben zij en haar partner inmiddels een woning gevonden en wonen zij feitelijk samen vanaf juli 2025. Ook heeft de moeder betaald werk en staat zij op de wachtlijst voor hulpverlening.
5.2.
[minderjarige] is op verzoek van moeder tijdelijk geplaatst in een accommodatie jeugdhulpaanbieder (Sterk Huis), echter verblijft hij sinds de beschikking van 17 juli 2025 weer bij zijn opa en oma moederszijde in [plaats 2] . De terugplaatsing van [minderjarige] bij zijn opa en oma is goed verlopen en de moeder staat nog steeds achter deze plaatsing. De huidige contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] betreft op dit moment éénmaal in de veertien dagen gedurende drie uur bij opa en oma thuis. [minderjarige] mag van de GI niet met moeder mee naar huis. De jeugdbeschermer heeft in dat verband benoemd dat er zorgen zijn over de huidige partner van de moeder. Echter wordt er niets aan gedaan om die zorgen goed in kaart te brengen en te onderzoeken. Ook zijn de zorgen onvoldoende concreet gemaakt. Daardoor is de moeder niet in staat om deze zorgen weg te nemen. De moeder en haar partner zijn bereid om mee te werken aan gezinsobservatie. Ook is de partner van de moeder bereid om mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek. [minderjarige] heeft bovendien grote behoefte aan definitieve duidelijkheid over waar hij verder zal opgroeien.
5.3.
Wat het contact tussen de moeder en [minderjarige] betreft geldt dat de GI weliswaar een vooraankondiging heeft gedaan, die ziet op een wijziging/aanpassing van de contact-regeling, maar zij heeft daarover nog geen definitief besluit genomen. Daarom wordt namens de moeder aan de rechtbank verzocht een beslissing te nemen over de contact-momenten tussen haar en [minderjarige] . De moeder acht in dat verband tevens van belang dat [minderjarige] zijn broertje en met name zijn zusje erg mist. De moeder begrijpt niet dat haar contactregeling met [minderjarige] nog steeds zo beperkt is. Daarbij speelt mede een rol dat zij bemerkt aan [minderjarige] dat hij steeds meer moeite krijgt met het afscheid en dat hij niet begrijpt waarom hij niet vaker bij zijn moeder (en zijn zusje) kan zijn. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij eenmaal in de veertien dagen in het weekend samen met zijn zusje bij de moeder kan verblijven vanaf vrijdagavond tot zondagavond. De moeder is van mening dat de regeling overeenkomstig dient te worden uitgebreid en dat er eventueel veiligheidsafspraken kunnen worden gemaakt, zoals die ook met de grootouders moederszijde zijn gemaakt. In het belang van [minderjarige] dient de GI de wens van de moeder voor ogen te houden en de mogelijkheden tot uitbreiding van de contactregeling bij haar verdere beleid te betrekken. Op de jeugdzorg-werker rust in dat verband de taak om alles in het werk te stellen om de band tussen haar en [minderjarige] te versterken en de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouders en de minderjarige te bevorderen. De moeder begrijpt dat een thuisplaatsing van [minderjarige] binnen de huidige ondertoezichtstelling niet mogelijk en wenselijk is. Wel hoopt zij dat er in de toekomst een regeling kan zijn waarbij [minderjarige] door de week bij haar ouders verblijft en éénmaal in de veertien dagen het weekeinde bij haar en haar huidige partner. Daarom verzoekt de moeder de rechtbank om een beslissing te nemen over de contactmomenten tussen haar en [minderjarige] en deze uit te breiden naar één weekend in de veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond bij haar thuis. Indien nodig kan daarbij worden bepaald dat er monitoring is via camera’s/video.
5.4.
Onder verwijzing naar het voorgaande luidt het standpunt van de moeder dat zij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing kan staan. Wel wordt namens de moeder verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te beperken tot een periode van zes maanden en de beslissing op het resterende deel van het verzoek aan te houden. Daarmee wordt haar de kans geboden om te laten zien dat zij meewerkt aan trauma behandeling voor zichzelf en dat er tussen haar en [minderjarige] op veilige en verantwoorde wijze contact kan plaats vinden. Bovendien kan het verdere verloop en resultaat van de hulpverlening dan door de rechtbank tussentijds worden getoetst.

6.Het standpunt van de grootouders

De grootouders hebben - samengevat - opgemerkt dat, ondanks dat [minderjarige] nog steeds met problemen kampt, zij in hem geleidelijk aan de vrolijke jongen van vroeger terug herkennen. Ook zien zij dat hij meer rust en ruimte ervaart in zijn hoofd, waardoor hij weer aan leren toekomt. Wel zien zij zich als grootouders regelmatig in een lastige positie geplaatst, omdat [minderjarige] vaak met vragen komt waarom hij niet bij zijn moeder kan wonen. Ook kent hij met regelmaat momenten waarop hij opstandig is en hij laat blijken last te hebben van verlatingsangst. Daarbij kunnen zij zeker hulp en ondersteuning gebruiken. [minderjarige] heeft geen contact met zijn biologische vader, het laatste contact dateert van toen [minderjarige] 3 weken oud was. Ten slotte is door de grootouders aangegeven dat zij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing kunnen staan, als verzocht.

7.De beoordeling

Inhoudelijke beoordeling
7.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is
voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag
uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
7.2.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
7.3.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
7.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
7.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van zijn geestelijke toestand en onderzoek van zijn lichamelijke toestand. [2]
De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
7.6.
In de afgelopen periode is door de GI met alle betrokkenen gewerkt aan de doelstellingen van de ondertoezichtstelling, te weten het opgroeien van [minderjarige] in een stabiele en leefbare opvoedsituatie, waarbinnen de (basale) zorg en veiligheid gewaarborgd is/blijft,
hij zich op gezonde wijze kan ontwikkelen en hij opvoeders heeft die voor hem emotioneel beschikbaar zijn. De inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting strekt tot de overtuiging dat (aanvullende) hulpverlening voor [minderjarige] nog nodig is om aan de hiervóór beschreven doelstellingen te kunnen blijven werken. Daarnaast heeft de GI een pad uitgestippeld, bedoeld om de moeder in staat te stellen te gaan werken aan haar onbehandelde trauma's, welk traject de GI noodzakelijk acht om ervoor te zorgen dat er bij haar ruimte ontstaat om de zorg en opvoeding weer te kunnen dragen. Gebleken is dat, hoewel de moeder daarvoor open staat, er bij haar geen draagvlak is voor een intern 24-uurs traject, zoals de GI voor ogen heeft. Van belang is dat de GI het verloop en resultaat daarvan kan blijven monitoren, evenals de plaatsing van [minderjarige] bij de groot- tevens pleegouders, mede in het licht van de bij de grootouders gebleken behoefte aan hulp en ondersteuning in hun beider rol van verzorger/opvoeder. Alle hiervóór beschreven omstandigheden en niet in de minste plaats de onduidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] maken bij elkaar dat aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling en (machtiging tot) uithuisplaatsing nog steeds wordt voldaan.
7.7.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezicht-stelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal de kinderrechter verlengen voor de duur van zes maanden, waarbij de beslissing op het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot een nog nader te bepalen zittingsdatum en -tijdstip. Dit omdat de GI voor de moeder een hulp en (observatie)onderzoekstraject voor ogen heeft, daarvan eerst het verdere verloop en resultaat afgewacht dient te worden en dit het wenselijk maakt dat de stand van zaken daaromtrent tussentijds kan worden getoetst. De GI wordt verzocht vóór afloop van die periode daarover schriftelijk aan de rechtbank tevens in afschrift aan de advocaat van de moeder en de pleegouders verslag uit te brengen.
7.8.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. (artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.)
7.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.10.
De kinderrechter ziet ten slotte uit oogpunt van de belangen van [minderjarige] op dit moment geen mogelijkheden om een beslissing te geven, die ertoe strekt dat de contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder worden gewijzigd/uitgebreid. De situatie in zijn geheel is daarvoor te complex gebleken, temeer nu gebleken is van serieuze zorgen over de zorg- en opvoedsituatie bij de moeder, wat maakt dat voorzichtigheid geboden is. Dit houdt ook in dat de GI voor de huidige en toekomstige rol/positie van de partner van de moeder oog dient te blijven houden en zij ook op dat vlak de voortgang blijft monitoren.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 4 november 2025 tot 4 november 2026;
8.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 november 2025 tot 4 mei 2026;
8.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
8.4.
wijst af het verzoek van de advocaat van de moeder om te bepalen dat de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] worden gewijzigd/uitgebreid;
8.5.
houdt de behandeling van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor wat het resterende deel betreft aan tot
een nog nader te bepalen zittingsdatum- en tijdstip bij mr. Van Gessel in de [weken];
8.6.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025 door mr Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 13 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.