ECLI:NL:RBZWB:2025:8157

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/02/439646 / JE RK 25-1638
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2022. De minderjarige verblijft sinds april 2025 in een pleeggezin na signalen van onveilige thuissituatie en vermoedens van seksueel misbruik. De ouders oefenen het gezag uit, maar de moeder kampt met onbehandelde trauma's en is niet in staat zorg te dragen, terwijl de vader nog stappen moet zetten in zijn persoonlijke ontwikkeling.

De GI onderbouwt het verzoek met het belang van een stabiele en veilige opvoedsituatie voor de minderjarige, waarbij de moeder niet openstaat voor een intensief behandeltraject en de vader nog in behandeling moet. De moeder stemt in met verlenging van de ondertoezichtstelling maar vraagt om beperking van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing en uitbreiding van contactmomenten. De vader werkt mee en stemt in met verlenging.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor verlenging is voldaan. De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor één jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden, met aanhouding van het resterende verzoek om de duur van de machtiging te bepalen. Het verzoek tot wijziging of uitbreiding van contactmomenten wordt afgewezen vanwege de complexiteit en zorgen over de thuissituatie. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor één jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden, met behoud van de huidige contactregeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439646 / JE RK 25-1638
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING,gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. M. Hofland uit Breda,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat mr. A. Elias uit Oisterwijk.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 september 2025;
  • de op 1 oktober 2025 ingekomen brief van de advocaat van de moeder.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder en haar advocaat;
  • de vader en zijn advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 november 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 4 november 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 juli 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 4 november 2025.

3.Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de verzoeker

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend samengevat aangevoerd dat de moeder in een gesprek op 22 april 2025 met stelligheid duidelijk heeft gemaakt geen zorg meer te kunnen dragen voor [minderjarige] . Ook gaf zij daarbij aan dat er per direct een andere pek voor [minderjarige] gevonden diende te worden. Vervolgens is [minderjarige] op diezelfde datum uit huis geplaatst en verblijft zij sindsdien in een pleeggezin. Er zijn meerdere overleggen geweest met de moeder en de betrokken hulpverlening. Op basis daarvan heeft Sterk Huis een opname en eventueel beschermd wonen geadviseerd. De moeder heeft aangegeven hier niet voor open te staan. Zij is inmiddels samen gaan wonen met haar nieuwe partner in een andere provincie.
4.2.
Met [minderjarige] gaat het goed in het pleeggezin. Zij maakt gemakkelijk contact met
de pleegzorgouders, zij voelt zich vrij in het contact en zij lijkt een zachte landing gehad te hebben in het gezin. Opvallend is dat het snel zo goed gaat met [minderjarige] binnen het gezin, ze lijkt echt tot rust te komen. Overdag heeft [minderjarige] de mogelijkheid om aanwezig te zijn bij de zorgboerderij van de pleegouders, waar zij met de dieren knuffelt en zij het erg naar haar zin lijkt te hebben. Daar staat tegenover dat in juni 2025 er nieuwe zorgen aan het licht zijn gekomen. [minderjarige] liet tijdens de verschoningsmomenten opvallend gedrag zien wat mogelijk kan duiden op seksueel misbruik. Zo steekt ze haar vingers in haar geslachtsdeel en benoemt zij “piemel in”. Uit een consult en onderzoeken op het [spreekuur] kon niet worden vast gesteld of worden uitgesloten dat er daadwerkelijk seksueel misbruik heeft plaatsgevonden. Wel is geconstateerd dat [minderjarige] een meisje is dat in haar jonge leven erg veel heeft meegemaakt. Ook wordt de wijze waarop zij om gaat met de volwassen mensen in haar omgeving als zorgelijk beschouwd.
4.3.
[minderjarige] heeft op dit moment contact met haar vader en met de moeder afzonderlijk onder begeleiding, gedurende een uur. Gezien wordt dat [minderjarige] veel plezier haalt uit de contactmomenten met beide ouders. Vader komt de afspraken die gemaakt worden met pleegzorgwerker na. De moeder is tijdens een aantal contactmomenten niet op komen dagen. Ook is er een moment geweest waarbij - tegen de gemaakte afspraken in - de nieuwe partner van de moeder tevens aanwezig was. De moeder is in dat verband onvoldoende weerbaar gebleken, wat maakt dat tijdens contactmomenten de veiligheid van [minderjarige] onvoldoende gewaarborgd is wanneer die onbegeleid plaats vinden. Daarom wenst de GI het contact van [minderjarige] met de moeder onder begeleiding te handhaven. Wel onderzoekt de GI of het contact van [minderjarige] met de vader mogelijk onbegeleid kan gaan plaats vinden.
4.4.
Uit het door [hulpverlening] (Sterk Huis) gegeven perspectief advies over [minderjarige] blijkt dat de moeder een zeer kwetsbare vrouw is, waarbij sprake is van onbehandelde trauma's. Deze staan momenteel op de voorgrond, waardoor er weinig tot geen ruimte is om aan de slag te gaan met de gegeven adviezen vanuit de begeleiding. Ook is de moeder op dit moment onvoldoende leerbaar en zal zij eerst met zichzelf aan de slag moeten gaan, alvorens er mogelijk weer ruimte ontstaat om de zorg en opvoeding van haar kinderen te kunnen dragen. De moeder dient eerst behandeling te ondergaan voor haar trauma`s voordat ze haar rol als opvoeder weer op kan pakken. Zij laat echter momenteel een afwachtende houding zien, wegens haar voorliggende problematiek is zij zelf niet in staat om pro actief aan de slag te gaan en zaken zelfstandig op te pakken, dit ondanks de geboden ondersteuning, stimulering en uitgezette lijntjes naar de moeder door de hulpverlening. Ook lukt het de moeder niet om deze aan te grijpen en daarover het gesprek aan te gaan of een aanbod te accepteren. Dit maakt dat het proces van de moeder nu grotendeels stil ligt en daardoor de situatie onveranderd blijft.
4.5.
De vader is nog gericht op het stabiliseren van zichzelf. Hij heeft aangegeven dat hij op termijn wil onderzoeken of er mogelijkheden zijn om voor [minderjarige] te zorgen als hoofdopvoeder. Momenteel heeft de vader een ambulante hulpverlener, die hem waar nodig ondersteuning biedt. Desondanks zijn de zorgen over de vader op dit moment groot, nu hij nog de nodige stappen dient te maken, waaronder ook het aangaan van behandeling gericht op emotie regulatie. Inmiddels heeft de vader zich aangemeld voor emotie regulatie therapie en staat hij daarvoor op de wachtlijst. De komende periode zal worden onderzocht welke rol de vader kan gaan spelen in het leven van [minderjarige] .
4.6.
De GI en de [polikliniek] zijn eenduidig van mening dat [minderjarige] op langere termijn behoefte heeft aan een zeer stabiele, voorspelbare en bovenal veilige opvoed-situatie. Dit opdat de trauma`s en onveilige hechting die zich in haar vroege leven hebben voorgedaan op de juiste manier worden benaderd. Ook is het gelet op de leeftijd van [minderjarige] belangrijk dat er spoedig perspectief bepaald gaat worden waarin de kind-eigenzorgen op de voorgrond staan. Gelet op de hiervóór beschreven zorgen en rekening houdend met de behoefte bij [minderjarige] - gezien haar leeftijd - dat haar perspectief duidelijk wordt en zij zal kunnen (blijven) opgroeien in een veilige omgeving acht de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] op dit moment noodzakelijk.

5.Het standpunt van de moeder

5.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder van meet af aan meewerkt met de hulpverlening en met de GI. Zij ziet in dat die hulpverlening nog steeds noodzakelijk is. De moeder begrijpt ook dat zij traumabehandeling nodig heeft. Die behandeling kan echter in ambulante vorm geschieden, er is in haar opvatting geen noodzaak om die door middel van een intern 24-uurs traject te laten plaats vinden. De moeder heeft inmiddels gedurende ruim een jaar, te weten juni 2024, een stabiele relatie met haar huidige partner. Nadat zij tijdelijk bij de ouders van haar partner heeft gewoond hebben zij en haar partner inmiddels een woning gevonden en wonen zij feitelijk samen vanaf juli 2025. Ook heeft de moeder betaald werk en staat zij op de wachtlijst voor hulpverlening.
5.2.
Helaas zijn er in juli 2025 nieuwe zorgelijke signalen gemeld door de pleegouders van [minderjarige] , duidend op een vermoeden van seksueel misbruik van [minderjarige] . De moeder is daar erg van geschrokken, zij begrijpt niet waar de signalen vandaan komen. Daarom heeft zij de GI toestemming gegeven om daar verder onderzoek naar te doen. De moeder ontkent zelf iets met het vermoedelijke misbruik te maken te hebben. Wel begrijpt zij dat een thuisplaatsing van [minderjarige] nog niet mogelijk is omdat eerst de recente zorgen verder onderzocht moeten worden.
5.3.
Op dit moment heeft moeder één keer in de week op donderdag een uur begeleid contact met [minderjarige] op het kantoor van pleegzorg. Dit vindt zij erg weinig, daarom zou de moeder de contactmomenten met [minderjarige] graag uitbreiden. De vader van [minderjarige] heeft, voor zover de moeder bekend, nog steeds dezelfde contactregeling met [minderjarige] . Bij de GI krijgt de moeder onvoldoende gehoor voor haar wens. De moeder is van mening dat haar contactregeling dient te worden uitgebreid. Er kunnen daartoe eventueel veiligheidsafspraken worden gemaakt. Volgens de jeugdbeschermer zijn er zorgen over de huidige partner van de moeder. Echter wordt er niets aan gedaan om die zorgen goed in kaart te brengen en te onderzoeken. Ook worden deze zorgen niet concreet gemaakt. Daardoor is de moeder niet in staat om deze zorgen weg te nemen. De moeder en haar partner zijn bereid om mee te werken aan gezinsobservatie. Ook is de partner van moeder bereid om mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek. De partner van de moeder heeft daarnaast aangegeven dat hij ervoor kan zorgen dat hij gedurende de contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder niet aanwezig is.
5.4.
Onder verwijzing naar het voorgaande luidt het standpunt van de moeder dat zij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing staat. Wel wordt namens de moeder verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te beperken tot een periode van zes maanden en de beslissing op het resterende deel van het verzoek aan te houden. Daarmee wordt haar de kans geboden om te laten zien dat zij meewerkt aan trauma behandeling voor zichzelf en dat er tussen haar en [minderjarige] op een veilige en verantwoorde wijze contact kan plaats vinden. Bovendien kan het verdere verloop en resultaat van de hulpverlening dan door de rechtbank tussentijds worden getoetst.
Wat het contact tussen de moeder en [minderjarige] betreft geldt dat de GI weliswaar een vooraankondiging heeft gedaan, die ziet op een wijziging/aanpassing van de contact-regeling, maar zij daarover nog geen definitief besluit heeft genomen. Daarom wordt namens de moeder aan de rechtbank verzocht een beslissing te nemen over de contact-momenten tussen haar en [minderjarige] . De moeder acht in dat verband tevens van belang dat [persoon] , het broertje van [minderjarige] , haar ook heel erg mist. Het is volgens de moeder in het belang van [persoon] en [minderjarige] , gezien de sterke band die zij met elkaar hebben, dat er weer contact tussen hen kan zijn. Ook is het in het belang van [minderjarige] dat zij eenmaal in de veertien dagen in het weekend samen met haar broertje bij de moeder kan verblijven vanaf zaterdagochtend tot zondagavond. De moeder staat in dat opzicht open voor het opvolgen van de aanwijzingen van de GI, ook als dit inhoudt het accepteren van begeleiding bij haar thuis of monitoring van de thuis situatie via camera’s. Daarom verzoekt de moeder aan de rechtbank om een beslissing te nemen over de contactmomenten tussen haar en [minderjarige] en deze uit te breiden naar één weekend per veertien dagen van zaterdagochtend tot zondagavond.

6.Het standpunt van de vader

Door en namens de vader is samengevat aangevoerd dat de vader volledig mee werkt aan de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling om ervoor te zorgen dat hij in het leven van [minderjarige] een rol van betekenis kan vervullen. Wel begrijpt de vader dat een verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] op dit moment nog noodzakelijk zijn. Daarbij speelt met name een rol dat hij bezig is met hulp en ondersteuning om zijn leven op meerdere vlakken, zoals ten aanzien van eigen woonruimte, weer op de rails te krijgen. Ook moet hij nog gaan starten met emotieregulatie therapie. Verder is hij erg geschrokken van de zorgen die de GI heeft in relatie tot de zorg- en opvoedsituatie bij de moeder. De vader stelt vast dat [minderjarige] in het pleeggezin op dit moment een goede zorg- en opvoedplek heeft. Momenteel is hij bezig om voorzieningen te treffen op het gebied van vervoer, bedoeld om ervoor te zorgen dat de contactmogelijkheden tussen hem en [minderjarige] worden verruimd. Namens de vader wordt dus ingestemd met een verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van één jaar, als verzocht.

7.De beoordeling

Inhoudelijke beoordeling
7.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is
voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag
uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
7.2.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
7.3.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
7.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
7.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van haar geestelijke toestand en onderzoek van haar lichamelijke toestand. [2]
De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
7.6.
In de afgelopen periode is door de GI met alle betrokkenen gewerkt aan de doelstellingen van de ondertoezichtstelling, te weten het opgroeien van [minderjarige] in een stabiele en leefbare opvoedsituatie, waarbinnen de (basale) zorg en veiligheid gewaarborgd is/blijft
en zij zich op gezonde wijze kan ontwikkelen, waarin zij opvoeders heeft die voor haar emotioneel beschikbaar zijn, zij een veilig, fijn en regelmatig contact heeft met haar vader en haar ouders over haar samen afspraken kunnen maken c.q. besluiten kunnen nemen over de zorgregeling en over de opvoeding. De inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting maken duidelijk dat (aanvullende) verplichte hulpverlening voor [minderjarige] nog nodig is om aan de hiervóór beschreven doelstellingen te kunnen blijven werken. Daarnaast heeft de GI een pad uitgestippeld, bedoeld om de moeder in staat te stellen te gaan werken aan haar onbehandelde trauma's, welk traject de GI noodzakelijk acht om ervoor te zorgen dat er bij haar ruimte ontstaat om de zorg en opvoeding weer te kunnen dragen. Gebleken is dat, hoewel de moeder daarvoor open staat, er bij haar geen draagvlak is voor een intern 24-uurs traject, zoals de GI voor ogen heeft. Waar het de vader betreft geldt dat hij nog de nodige stappen heeft te maken, waaronder op het vlak van woonruimte, om zijn leven weer op de rails te krijgen en hij tevens met emotieregulatie therapie zal gaan starten. Van belang is dat de GI het verloop en resultaat daarvan kan blijven monitoren. Alle hiervóór beschreven omstandigheden en niet in de minste plaats de onduidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] maken bij elkaar dat aan wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling en (machtiging tot) uithuisplaatsing nog steeds wordt voldaan.
7.7.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezicht-stelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal de kinderrechter verlengen voor de duur van zes maanden, waarbij de beslissing op het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot een nog nader te bepalen zittingsdatum en -tijdstip. Dit omdat de GI voor de moeder een hulp en (observatie)onder-zoekstraject voor ogen heeft, ook de vader met individuele hulpverlening aan zichzelf gaat werken en daarvan eerst het verdere verloop en resultaat afgewacht dient te worden en dit het wenselijk maakt dat de stand van zaken daaromtrent tussentijds kan worden getoetst. De GI wordt verzocht vóór afloop van die periode daarover schriftelijk aan de rechtbank - tevens in afschrift aan de advocaten van de ouders - verslag uit te brengen.
7.8.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. (artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.)
7.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.10.
De kinderrechter ziet ten slotte uit oogpunt van de belangen van [minderjarige] op dit moment geen mogelijkheden om een beslissing te geven, die ertoe strekt dat de contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder worden gewijzigd/uitgebreid. De situatie in zijn geheel is daarvoor te complex gebleken, temeer nu gebleken is van serieuze zorgen over de zorg- en opvoedsituatie bij de moeder, wat maakt dat voorzichtigheid geboden is. Dit houdt echter ook in dat de GI voor de huidige en toekomstige rol/positie van de partner van de moeder oog dient te blijven houden en zij ook op dat vlak de voortgang blijft monitoren.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 4 november 2025 tot 4 november 2026;
8.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 november 2025 tot 4 mei 2026;
8.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
8.4.
wijst af het verzoek van de advocaat van de moeder om te bepalen dat de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] worden gewijzigd/uitgebreid;
8.5.
houdt de behandeling van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor wat het resterende deel betreft aan tot
een nog nader te bepalen zittingsdatum- en tijdstip bij mr. Van Gessel in de [weken];
8.6.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025 door mr Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 13 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.