ECLI:NL:RBZWB:2025:8167

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/02/440798 / FA RK 25-5260
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Struijs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Wet zorg en dwang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wegens psychische stoornis en ernstig nadeel

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging te verlenen voor opname en verblijf van betrokkene, geboren in 1951, in een behandelcentrum voor de duur van zes maanden. Betrokkene verzet zich tegen opname en wil het liefst terugkeren naar huis of naar een woonzorgappartement, terwijl de specialist ouderengeneeskunde en dochters van betrokkene het belang van opname onderschrijven vanwege haar depressieve stoornis en cognitieve problematiek.

De rechtbank heeft de medische verklaring van een onafhankelijk specialist ouderengeneeskunde als betrouwbaar beoordeeld en concludeert dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis die gelijkgesteld kan worden aan een psychogeriatrische aandoening. Het gedrag van betrokkene leidt tot ernstig nadeel, waaronder levensgevaar en ernstige verwaarlozing, mede door haar diabetes en verstoorde zelfzorg.

De rechtbank acht opname en verblijf noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen en constateert dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn die hetzelfde effect bereiken. De deskundigheid en 24-uurs begeleiding in het behandelcentrum kunnen niet ambulant of in een woonzorgappartement worden geboden. Daarom verleent de rechtbank de machtiging tot en met 30 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden wegens een psychische stoornis en ernstig nadeel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440798 / FA RK 25-5260
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1951 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonende in [plaats 1] ,
verblijvende te [behandelcentrum] ,
advocaat mr. M.M.M. Heesmans uit Roosendaal.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt mee in de beoordeling het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 14 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
  • mevrouw [persoon 1] , specialist ouderengeneeskunde;
  • mevrouw [persoon 2] , dochter van betrokkene;
  • mevrouw [persoon 3] , dochter van betrokkene.
Tevens was aanwezig mevrouw [persoon 4] , co-assistent.

2.Het verzoek

Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.

3.De standpunten

3.1
Betrokkene merkt op dat zij niet in het behandelcentrum wil blijven. Zij heeft er vooral problemen mee dat zij moet ervaren dat het voeren van een normaal gesprek met medecliënten niet mogelijk is. Ook is zij hier erg beperkt in het ondernemen van activiteiten. Het liefst wil zij terugkeren naar huis. Eerder wist zij thuis met ambulante zorg en ondersteuning en daarnaast dagbesteding prima te functioneren. Zij herkent zich niet in het in de stukken geschetste beeld dat zij zichzelf thuis zou verwaarlozen en/of dat haar woning ernstig vervuild zou raken. Ook is er volgens haar geen gevaar voor suïcide, de verhalen dat zij medicatie zou hebben opgespaard kloppen niet. In het geval dat zij niet meer thuis mocht kunnen wonen wil zij naar een woonzorgappartement of een daarmee vergelijkbare voorziening. Over deze laatste optie zijn er, toen zij klinisch bij de [accommodatie] was opgenomen, al gesprekken gevoerd. Echter heeft zij daarop vervolgens niets meer gehoord.
3.2
De specialist ouderengeneeskunde brengt naar voren dat bij betrokkene een psychische stoornis, te weten een depressieve stoornis is vastgesteld. Daarnaast kampt zij met cognitieve problematiek op het gebied van planning en organisatie en het komen tot een daginvulling, en met een beperkte geheugenstoornis. Betrokkene heeft daardoor behoefte aan 24-uurs zorg en begeleiding bij haar zelfzorg, waaronder ondersteuning en monitoring ten aanzien van medicatiegebruik en voedingsondersteuning in verband met diabetes. De huidige opname op de afdeling geronto psychiatrie acht zij bij uitstek geschikt om aan de zorgbehoefte bij betrokkene te kunnen voldoen en het ernstig nadeel, zoals in de stukken omschreven, te kunnen afwenden. In geval van ofwel een terugkeer naar huis, ofwel het wonen in een zorgappartement kan betrokkene weliswaar een beroep doen op ambulante zorg en ondersteuning, maar die is niet vergelijkbaar met de zorg, begeleiding en toezicht die zij op dit moment in het behandelcentrum geboden krijgt en die zij, gelet op haar stoornis en problematiek, nodig heeft. Anders gezegd beschikt het behandelcentrum over expertise op het gebied van psychiatrische problematiek, die thuis of in een zorgappartement niet of in onvoldoende mate voorhanden is, en kan daarnaast extra psychologische begeleiding worden ingezet. Bovendien is de opname binnen het behandelcentrum door de nabijheid en kwaliteit van de begeleiding beter geschikt om terugvalmomenten bij betrokkene vroegtijdig te signaleren en daarop te kunnen anticiperen. In dat verband wordt benoemd dat betrokkene gedurende de afgelopen jaren meermalen klinisch opgenomen is geweest bij de [accommodatie] te [plaats 2] . Gezien werd dat deze klinische opnames weliswaar resulteerden in een verbetering van haar toestandsbeeld, maar telkens van tijdelijke aard, omdat betrokkene na ontslag telkens opnieuw zorg afhield, haar medicatie niet meer consequent innam en onvoldoende dagstructuur wist aan te brengen om langere tijd stabiel te blijven. Met deze toelichting ondersteunt zij het verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging voor de aldus gevraagde periode.
3.3
De dochters van betrokkene geven aan dat zij het standpunt van de specialist ouderengeneeskunde onderschrijven. Zij begrijpen in de eerste plaats dat hun moeder liever niet in het behandelcentrum verblijft. Echter gezien het verloop van haar toestandsbeeld in de afgelopen jaren, de beperkte en tijdelijke resultaten, die met klinische GGZ-interventies zijn bereikt en een eerdere teleurstellende ervaring met het wonen in een zorgappartement, zien zij ook dat aan terugkeer naar huis met ambulante zorg en ondersteuning of een woonzorgappartement zodanige gezondheids- en gevaarsrisico’s zijn verbonden dat dit geen reële opties meer zijn. Zij baseren zich voor hun standpunt ook op een gesprek met de huisarts van hun moeder, waaruit hen is gebleken dat hij deze opvatting deelt.
3.4
De advocaat van betrokkene voert aan dat zij uit de stukken begrijpt dat het verzoek om een rechterlijke machtiging te verlenen is gebaseerd op artikel 24, vierde lid van de Wet zorg en dwang (Wzd). Ten aanzien van dat verzoek wijst zij in de eerste plaats op het feit dat de medische verklaring en het daarop gevolgde aanvullend schrijven is opgesteld door [persoon 5] , specialist ouderengeneeskunde. Elders in de stukken wordt [persoon 5] ook genoemd als Wzd-functionaris. Gezien deze constatering en het feit dat [persoon 5] in de medische verklaring en het aanvullend schrijven teruggrijpt op incidenten uit het verleden, lijkt geen sprake te zijn van een beoordeling door een onafhankelijk arts, maar lijkt deze arts al eerder bij de behandeling betrokken te zijn geweest.
Voorts herkent betrokkene zich niet in het geschetste ziekte- c.q. toestandsbeeld, zoals dat volgt uit het dossier en het besprokene ter zitting. In dat verband geeft zij aan dat zij momenteel geen last heeft van depressies en/of angsten. Daarom stelt de advocaat zich namens betrokkene primair op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. In het geval dat de rechtbank anders mocht oordelen verzoekt zij namens betrokkene - bij wijze van subsidiair standpunt - een nieuw onafhankelijk deskundigenonderzoek te laten plaatsvinden naar de vraag of er bij betrokkene sprake is van een stoornis en -in het bevestigende geval- binnen welk wettelijk kader die stoornis moet worden gerekend.
Bovendien wordt het ernstig nadeel betwist. Betrokkene is niet suïcidaal. Na een laatste val in december 2024 heeft de valpolikliniek te [plaats 3] ook vastgesteld dat zij niet valgevaarlijk is. Ook rijdt betrokkene geen auto meer, maar maakt zij gebruik van de deeltaxi. Betrokkene verwacht met thuishulp, dagbesteding en een poetshulp prima thuis te kunnen wonen. 24 uurs zorg is niet nodig. Indien dit in de toekomst nodig mocht blijken, kunnen aan haar woning aanpassingen gedaan worden, zoals een traplift. Daarmee is sprake van een minder bezwarend alternatief ter voorkoming van een 24-uurs zorgopname in het kader van een rechterlijke machtiging.

4.De beoordeling

4.1.
Ten aanzien van het verweer dat de medische verklaring niet is opgesteld door een onafhankelijk deskundige overweegt de rechtbank als volgt. In de medische verklaring heeft [persoon 5] verklaard niet betrokken te zijn (geweest) bij de behandeling van betrokkene. Ook mw. [persoon 1] heeft dit ter zitting bevestigd. Daarnaast geldt dat een onderzoek door een onafhankelijk deskundige ten behoeve van een medische verklaring niet enkel bestaat uit een gesprek met de betrokkene in persoon, maar dat daarbij ook informatie uit het medisch dossier of van hulpverleners kan worden betrokken om een zo compleet mogelijk beeld te vormen van de betrokkene. Zo heeft [persoon 5] in de medische verklaring vermeld de psycholoog ( [persoon 6] ) en de specialist ouderengeneeskunde ( [persoon 1] ) van [persoon 7] te hebben geraadpleegd. Ook heeft [persoon 5] aangegeven tot de diagnose te zijn gekomen op basis van het medisch dossier, de huisarts en de brief van de ouderenpsychiater. Het enkele feit dat [persoon 5] in de medische verklaring melding maakt van incidenten die hebben plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan het onderzoek, leidt dan ook niet automatisch tot de conclusie dat zij betrokken is geweest bij de behandeling van betrokkene en om die reden niet als onafhankelijk kan worden aangemerkt. Ook overigens heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van [persoon 5] .
4.2.
De rechtbank verleent de gevraagde rechterlijke machtiging. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.3.
Uit de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis die naar het oordeel van de rechtbank onder toepassing van artikel 24, vierde lid van de Wet zorg en dwang (Wzd) kan worden gelijk gesteld aan een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat bij betrokkene sprake is van een depressieve stoornis en van een beperkte neurocognitieve stoornis/ geheugenstoornis. Het enkele feit dat betrokkene ontkent dat hiervan sprake is, vormt voor de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen daarover in de medische verklaring en in het begeleidend schrijven is opgenomen. Voor een contra-expertise bestaat dan ook geen aanleiding.
4.4.
Ook blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het gedrag van betrokkene als gevolg van haar (gecombineerde) stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
- levensgevaar;
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat betrokkene naast de hiervóór beschreven (gecombineerde) stoornis kampt met somatische aandoeningen, waaronder diabetes. Vanuit haar depressieve toestandsbeeld verwaarloost zij zichzelf op het gebied van zelfzorg, vocht- en voedselinname en medicatiegebruik, waardoor haar gezondheid ernstig in gevaar komt.
4.5.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen. Zij laat uitdrukkelijk blijken dat zij niet in het behandelcentrum wil zijn. Zij wil het liefst per direct terug naar huis met ambulante zorg/ondersteuning of -als dat niet kan- naar een woonzorgappartement.
4.6.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Daarbij betrekt de rechtbank meer specifiek dat door de behandelaar van betrokkene is toegelicht dat de expertise op het gebied van psychiatrische problematiek en 24 uurs nabijheid van gekwalificeerde begeleiding, die in de huidige accommodatie geboden worden, niet ambulant in de thuissituatie of in een woonzorgappartement beschikbaar zijn. De afgelopen jaren is ook gebleken dat het niet lukt om betrokkene met ambulante zorg in de thuissituatie langere tijd stabiel te houden.
4.7.
Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf verlenen voor de duur van zes maanden.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1951 in [geboorteplaats] ;
5.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 30 april 2026.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025 door mr. Struijs, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 14 november 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.