ECLI:NL:RBZWB:2025:8169
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in WOZ-zaak
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €350.000. Na een ongegrond verklaard bezwaar en een beroepsprocedure bereikten partijen een compromis waarbij de WOZ-waarde werd verlaagd naar €330.000 en een kostenvergoeding werd toegekend.
Belanghebbende trok daarop de beroepsprocedure in en verzocht de rechtbank om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep samen twee jaar bedraagt, waarbij bezwaar maximaal zes maanden mag duren en beroep maximaal achttien maanden.
De bezwaarprocedure duurde negen maanden, waardoor de redelijke termijn met drie maanden werd overschreden. De rechtbank kende op basis hiervan een vergoeding van €500 toe aan belanghebbende. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 21 november 2025.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.