ECLI:NL:RBZWB:2025:8170

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
BRE 24/5701
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakArt. 26 AWRInvorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in geschil over verrekening motorrijtuigbelasting

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de verrekening van een openstaand bedrag op de aanslag motorrijtuigbelasting door de ontvanger van de Belastingdienst. De ontvanger had een dwangsom inclusief wettelijke rente verrekend met de aanslag en verklaarde het bezwaar tegen deze kennisgeving niet-ontvankelijk omdat het geen voor bezwaar vatbare beschikking betreft.

De rechtbank overweegt dat de belastingrechter in principe niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet 1990, tenzij er uitzonderingen zijn. De verrekening van bedragen valt niet onder deze uitzonderingen en een geschil hierover kan worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.

Daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd om het beroep te behandelen en komt zij niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. Belanghebbende heeft geen griffierecht betaald, waardoor ook geen terugbetaling daarvan plaatsvindt. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen de verrekening van de dwangsom met motorrijtuigbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5701

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 12 juni 2024. Het beroep ziet op de verrekening van een openstaand bedrag op de aanslag motorrijtuigbelasting met [aanslagnummer].
1.1.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Bij brief van 23 april 2024 heeft de ontvanger een kennisgeving aan belanghebbende toegezonden dat een verschuldigde dwangsom inclusief wettelijke rente, zoals bepaald in de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met dagtekening 23 januari 2024, zal worden verrekend met de aanslag motorrijtuigenbelasting met [aanslagnummer].
3. Met dagtekening van 12 juni 2024 heeft de ontvanger het bezwaar tegen de kennisgeving niet-ontvankelijk verklaard, omdat een dergelijke kennisgeving niet een voor bezwaar vatbare beschikking is. De ontvanger heeft in de uitspraak op bezwaar vermeld dat beroep openstaat bij de belastingrechter.
4. Belanghebbende heeft op 18 juli 2024, ontvangen door de rechtbank op 25 juli 2024, beroep ingediend. Belanghebbende verzoekt de rechtbank om de verrekening van de ontvanger te vernietigen en de dwangsom inclusief wettelijke rente aan belanghebbende te voldoen. Belanghebbende stelt dat op grond van artikel 26 van Pro de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) beroep bij de belastingrechter mogelijk is.
De rechtbank overweegt als volgt.
5. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet 1990. [1] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing tot verrekening van bedragen valt niet onder een van de uitzonderingen. Een geschil over verrekening van bedragen kan worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.
6. De belastingrechter is dus niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de verrekening. Belanghebbende heeft geen griffierecht betaald. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om griffierecht terug te betalen.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 21 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.