ECLI:NL:RBZWB:2025:8213
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning ongegrond verklaard
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen aan een adres, vastgesteld op €193.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde en legde tevens de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor het jaar 2023 op.
De rechtbank beoordeelde het beroep op 1 oktober 2025 en onderzocht of de vastgestelde WOZ-waarde te hoog was. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport van 4 maart 2025, gebaseerd op vergelijkingsmethode met drie referentiewoningen in de nabijheid en van vergelijkbaar type en bouwjaar.
Belanghebbende voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met de onderhoudstoestand en waardedrukkende factoren zoals het ontbreken van isolatie en een oude CV-ketel. Deze stellingen werden niet ondersteund met objectieve gegevens. Ook het argument dat de WOZ-waarde te sterk was gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar werd door de rechtbank verworpen, omdat de WOZ-waarde elk jaar opnieuw wordt vastgesteld op basis van de actuele situatie.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De WOZ-waarde en de aanslag OZB blijven gehandhaafd en het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €193.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB gehandhaafd.