ECLI:NL:RBZWB:2025:8262

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
02-026842-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot moord op echtgenoot met voorbedachten rade

In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot moord op haar echtgenoot. De verdachte, geboren in 1965, heeft op 25 januari 2025 in hun woning in [plaats] haar echtgenoot met een mes in de borst gestoken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, aangezien zij zich gedurende enige tijd had kunnen beraden op haar daad. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 8 jaar, maar de rechtbank legde een gevangenisstraf van 7 jaar op, rekening houdend met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht, namelijk poging tot moord. De rechtbank heeft ook een schadevergoeding van € 5.540,67 toegewezen aan de benadeelde partij, de echtgenoot, voor de geleden schade door het geweld. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot het betalen van deze schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente, en heeft het mes dat gebruikt is bij de daad verbeurd verklaard.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-026842-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 november 2025
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsvrouw mr. P.J.M. Groenhuis-Kools, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 november 2025, waarbij de officier van justitie mr. E.A. Kool en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Namens benadeelde partij [slachtoffer] heeft mr. J. Faber de vordering tot schadevergoeding toegelicht.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging, zoals deze ter zitting van 8 juli 2025 is gewijzigd, is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] (met voorbedachten rade) om het leven te brengen, dan wel hem zwaar heeft mishandeld, dan wel heeft geprobeerd hem (met voorbedachten rade) zwaar te mishandelen door hem met een mes in de borst te steken.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord op [slachtoffer] door hem met een mes in de borst te steken. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood. De voorbedachten rade blijkt uit de gelegenheid tot nadenken die verdachte heeft gehad.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van poging tot moord of poging tot doodslag. Verdachte heeft [slachtoffer] niet van het leven willen beroven en ook dat risico niet willen nemen. Wel heeft zij onbewust het risico in het leven geroepen dat fors letsel zou ontstaan. Het voorwaardelijk opzet op de meer subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling kan worden bewezen. Voor het onderdeel ‘voorbedachten rade' dient ook hier vrijspraak te volgen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststelling van de feiten en omstandigheden
In de nacht van 24 op 25 januari 2025 sliepen verdachte en haar echtgenoot [slachtoffer] beiden in de echtelijke woning in [plaats] . Zij in de slaapkamer op de 1e verdieping en hij op zolder. Verdachte had een erg slechte nacht en in haar hoofd speelde de film van wat zich de afgelopen weken tussen haar en [slachtoffer] had afgespeeld steeds opnieuw af. Toen [slachtoffer] in de ochtend van 25 januari 2025 onder de douche stond, is verdachte naar beneden gelopen en heeft zij een mes uit de keukenlade gepakt. Daarna is zij teruggegaan naar de slaapkamer. Verdachte wist dat [slachtoffer] na het douchen naar de slaapkamer zou komen om de hond op te halen om haar uit te laten. Verdachte is, uit het zicht, naast de kledingkast in de slaapkamer gaan staan en heeft daar ongeveer tien minuten op [slachtoffer] gewacht. Op het moment dat [slachtoffer] de slaapkamer in liep, heeft verdachte hem meteen met het mes gestoken. [slachtoffer] heeft daardoor een steekverwonding in de linkerzijde van zijn borst en meerdere steek- en snijletsels aan zijn linkerarm opgelopen.
Had verdachte opzet op het doden van [slachtoffer] ?
Om poging tot doodslag of poging tot moord bewezen te kunnen verklaren, dient sprake te zijn van opzet. Opzet kent meerdere gradaties. De zwaarste variant van opzet is vol opzet. De meest lichte variant heet voorwaardelijk opzet. De rechtbank is van oordeel dat bij verdachte gelet op de door haar gedane uitlatingen en de uiterlijke verschijningsvorm van haar handelen sprake was van vol opzet op de dood van [slachtoffer] .
De rechtbank kent bij dit oordeel veel gewicht toe aan het de intensiteit van de aanval van verdachte, het gehanteerde wapen en de plaats van het letsel. Bij [slachtoffer] zijn meerdere verwondingen aangetroffen, waaronder een steekverwonding in de borst. In de borst bevinden zich vitale organen, zoals het hart, de longen en slagaders. Het is een feit van algemene bekendheid dat door met een scherp voorwerp in de borst te steken dodelijk letsel kan worden toegebracht. Daarnaast leidt de rechtbank uit de letselbeschrijving, in samenhang met de verklaring van [slachtoffer] , af dat verdachte meerdere keren met het mes heeft gestoken. Het mes dat verdachte heeft gebruikt, betreft een steakmes van 23 centimeter lang, met een lemmet van 11,5 centimeter. Voorts weegt de rechtbank in sterke mate de verklaring van [slachtoffer] mee dat verdachte, terwijl zij op hem afkwam, heeft gezegd: “ik haat je, ik haat je. Ik steek je kapot”. Hoewel verdachte uitdrukkelijk heeft ontkend dit te hebben gezegd, wordt de verklaring van [slachtoffer] op dit punt ondersteund door de verklaring van [getuige] , die [slachtoffer] direct na het steekincident eerste hulp verleende.
Handelde verdachte met voorbedachten rade?
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Op basis van het dossier staat vast dat verdachte de nacht voorafgaand aan het incident heeft liggen piekeren over de situatie tussen haar en [slachtoffer] . Haar conclusie was dat [slachtoffer] “weg moest”. In de ochtend toen verdachte hoorde dat [slachtoffer] onder de douche stond, is zij naar beneden gelopen om uit de keukenlade een mes te pakken. Zij is op de slaapkamer uit het zicht gaan staan en heeft gewacht totdat [slachtoffer] naar de slaapkamer kwam. Toen hij de slaapkamer in liep, heeft zij hem meteen gestoken. Tussen het moment dat verdachte op haar slaapkamer stond te wachten en het moment dat [slachtoffer] daadwerkelijk de slaapkamer binnenkwam, zijn in ieder geval enkele minuten verstreken. Gedurende die tijd heeft verdachte ruimschoots de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank acht het daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade heeft geprobeerd van het leven te beroven.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 25 januari 2025 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] eenmaal met een mes in de borst heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 8 jaar, met aftrek van voorarrest. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging vraagt de rechtbank rekening te houden met de bijzondere omstandigheden waaronder het feit is begaan en met de omstandigheid dat verdachte nog herstellende is van een operatie. Bij een veroordeling bepleit de verdediging, uitgaande van een bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde, te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Daarnaast kan een voorwaardelijke straf met verplichte reclasseringsbegeleiding of een werkstraf worden opgelegd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft haar echtgenoot, met wie zij in een echtscheiding verwikkeld was, in hun echtelijke woning geprobeerd te vermoorden. Zij heeft hem opgewacht in de slaapkamer en heeft hem vervolgens meermalen met een mes gestoken, waarvan eenmaal in de borst. Door diverse omstandigheden in de persoonlijke sfeer was dit volgens verdachte op dat moment de enige manier om [slachtoffer] weg te krijgen. Hoe zwaar deze omstandigheden voor verdachte ook zijn geweest, dit kan nooit een rechtvaardiging vormen om tot deze handelingen over te gaan. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht, namelijk poging tot moord.
[slachtoffer] moest naar het ziekenhuis om zijn verwondingen te laten hechten. Hij mag van geluk spreken dat het steken door verdachte geen fatale afloop heeft gehad en de verwondingen uiteindelijk beperkt zijn gebleven. Verdachte heeft met haar handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van [slachtoffer] . Uit het spreekrecht dat namens [slachtoffer] is uitgeoefend, blijkt dat hij nog steeds psychische klachten ervaart. Daarnaast heeft het feit negatieve gevolgen gehad voor zijn vertrouwen. Hij kan nog steeds niet bevatten dat de vrouw met wie hij 24 jaar samen was hiertoe in staat is geweest.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de rapportage van GZ-psycholoog
drs. [GZ-psycholoog] van 7 april 2025. Daaruit blijkt dat bij verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vermijdende en borderline trekken. Deze stoornis was ook aanwezig ten tijde van het feit en heeft haar gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed. Vanuit haar persoonlijkheidsstoornis is er sprake van onzekerheid, vermijding en tevens vijandigheid gericht op [slachtoffer] en het is voorstelbaar dat het ten laste gelegde tot stand is gekomen vanuit gevoelens van onmacht en woede. De deskundige adviseert om het feit aan verdachte in een (licht) verminderde mate toe te rekenen. Er is sprake van een laag recidiverisico. Om het risico op recidive te verlagen en de problematiek van verdachte te verminderen is het van belang dat verdachte wordt behandeld. Gezien de op de voorgrond staande persoonlijkheidsstoornis is behandeling in een forensische polikliniek aangewezen.
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige over de stoornis en de toerekenbaarheid over en stelt vast dat het bewezenverklaarde in (licht) verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.
Uit het reclasseringsrapport van 11 juni 2025 volgt dat het risico op recidive gemiddeld wordt ingeschat. Ook de reclassering acht behandeling geïndiceerd. Er wordt geadviseerd een zestal bijzondere voorwaarden op te leggen in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf of in het kader van detentiefasering.
De straf
Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor lange duur met zich brengt. Dat de rechtbank ter zitting de indruk heeft gekregen dat verdachte oprecht spijt heeft van wat er is gebeurd, doet hier niet aan af.
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de omstandigheid dat het feit in (licht) verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Gelet op de duur van de opgelegde straf is er geen ruimte voor het opleggen van bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een contact- en/of locatieverbod in het kader van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Er is op dit moment geen contact en er hoeft evenmin ernstig rekening mee gehouden te worden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] .
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 13.695,79, bestaande uit € 1.695,79 aan materiële schade en € 12.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen wordt verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat zij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De verdediging heeft de kosten van de vervanging van de sloten betwist. De rechtbank is van oordeel dat dit gedeelte van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit gedeelte niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, omdat dit nader onderzoek vergt, dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De overige gevorderde materiële kosten zijn niet betwist. De rechtbank acht deze bedragen volledig toewijsbaar. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Immateriële schade
De hoogte van de gevorderde immateriële schade is deels gebaseerd op lichamelijk letsel en deels op geestelijk letsel. De rechtbank stelt vast dat sprake is van meerdere verwondingen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde voldoende onderbouwd dat hij naast lichamelijk letsel ook ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is ook sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat een bedrag aan immateriële schade passend is. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag heeft de rechtbank alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend in aanmerking genomen. De rechtbank acht vergoeding van een bedrag van € 4.000,00 billijk.
Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden op dit moment niet voldoende vast staan. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de verdediging is verder onderzoek naar dat deel van de vordering aangewezen. Dit verder onderzoek levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Conclusie
Het totaalbedrag dat de rechtbank aan schadevergoeding zal toewijzen bedraagt € 5.540,67, bestaande uit € 1.540,67 voor materiële schade en € 4.000,00 voor immateriële schade.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over het toegekende schadebedrag vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 25 januari 2025. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.Het beslag

8.1.
De verbeurdverklaring
Het hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerp (een mes) wordt verbeurd verklaard. Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van dit voorwerp.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
poging tot moord
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 7 (zeven) jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van
€ 5.540,67, waarvan € 1.540,67 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 5.540,67 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 62 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart verbeurd het volgende voorwerp:
1. STK mes (G2819652).
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, en mr. V.M. Schotanus en
mr. C.E.M. Marsé, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Krevel, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 november 2025.
Bijlage I: De tenlastelegging
zij op of omstreeks 25 januari 2025 te [plaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes in de borst, althans in het lichaam, heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
(art. 287, 289, 45 Wetboek van Strafrecht)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 25 januari 2025 te [plaats]
aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade
zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door die [slachtoffer]
meermalen, althans eenmaal, met een mes in de borst en/of de armen, althans in het lichaam, te steken en/of te snijden
(art. 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
uiterst subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 25 januari 2025 te [plaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer]
meermalen, althans eenmaal, met een mes in de borst, de armen en/of de handen, althans in het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
(art. 303 lid 1, 45 Wetboek van Strafrecht)