ECLI:NL:RBZWB:2025:8271

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
11319254 CV EXPL 24-4786 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:58 lid 2 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering en geen consumentenkredietovereenkomst wegens uitzondering artikel 7:58 lid 2 onder e BW

In deze civiele bodemzaak vordert Billink Financial Solutions B.V. betaling van een bedrag van € 138,43 van gedaagde. De procedure omvatte een tussenvonnis waarin de rechtsverhouding tussen partijen en de toepasselijkheid van de consumentenkredietwet werden besproken.

Gedaagde stelde dat hij de gekochte kit had geretourneerd, maar kon dit niet bewijzen. Billink had tijdig om een retourbewijs gevraagd en de kantonrechter oordeelde dat het ontbreken van bewijs niet aan Billink kan worden toegerekend. Hierdoor blijft gedaagde gehouden aan zijn betalingsverplichting.

Betreffende de kredietovereenkomst oordeelde de kantonrechter dat deze niet onder de consumentenkredietwet valt vanwege de uitzondering in artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW. Billink heeft voldoende onderbouwd dat haar verdienmodel niet gebaseerd is op rente en incassokosten, maar op vergoeding van verkopers. De wettelijke rente en incassokosten worden toegewezen, evenals de proceskosten.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 138,43, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11319254 \ CV EXPL 24-4786
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
BILLINK FINANCIAL SOLUTIONS B.V.,
te Gouda,
eisende partij,
hierna te noemen: Billink,
gemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis in deze zaak van 26 februari 2025 met de daarin genoemde processtukken;
- de akte van Billink van 26 maart 2025 met producties;
- de rolbeslissing van 10 september 2025;
- de aantekening op het audiëntieblad van de rolzitting van 24 september 2025 dat [gedaagde] niet bij akte op de rolbeslissing van 10 september 2025 heeft gereageerd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
[gedaagde] is bij rolbeslissing van 10 september 2025 in de gelegenheid gesteld zich erover uit te laten of hij ermee instemt dat de kantonrechter in deze zaak de beslissing neemt. [gedaagde] heeft hierop niet bij akte van 24 september 2025 gereageerd. Ook heeft hij geen verzoek gedaan om hier op een later moment op te reageren. De kantonrechter gaat er, zoals in de rolbeslissing van 10 september 2025 is vermeld, dan ook vanuit dat [gedaagde] ermee instemt dat de kantonrechter uitspraak doet in deze zaak.
2.2.
In het tussenvonnis is overwogen dat er een rechtsverhouding bestaat tussen de verkoper ([verkoper]) en [gedaagde] , de koopovereenkomst, en tussen Billink en [gedaagde] , de kredietovereenkomst.
De koopovereenkomst:
2.3.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat Billink voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat aan de geldende informatieplichten is voldaan, zodat in beginsel sprake is van een rechtsgeldige koopovereenkomst. Ook heeft de kantonrechter in het tussenvonnis geoordeeld dat [gedaagde] geen bewijs van de gestelde retourzending heeft overgelegd. Dat [gedaagde] , zoals door hem is gesteld, geen retourbewijs (meer) kan overleggen, kan niet aan Billink worden toegerekend. Billink heeft gemotiveerd gesteld en uit de door haar bij akte van 16 oktober 2024 overgelegde e-mailberichten blijkt dat zij al op 11 augustus 2023 (dus minder dan 2 maanden na ontvangt van de bestelling) aan [gedaagde] heeft verzocht om een retourbewijs over te leggen. Van een onredelijk tijdsverloop is dan ook geen sprake.
2.4.
Nu [gedaagde] niet kan aantonen dat hij de kit aan [verkoper] retour heeft gezonden is [gedaagde] niet van zijn betalingsverplichting bevrijd. De gevorderde hoofdsom is dan ook in beginsel toewijsbaar.
De kredietovereenkomst:
2.5.
Vervolgens heeft de kantonrechter in het tussenvonnis geoordeeld dat op de kredietovereenkomst in beginsel titel 7.2A van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is, behalve als de kredietovereenkomst onder één van de uitzonderingen valt van artikel 7:58 lid 2 BW Pro, in het bijzonder de uitzondering onder e. Billink is in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten, waarbij zij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024 (ECLI:EU:C:2024:895) diende te betrekken.
2.6.
In haar akte van 26 maart 2025 heeft Billink gesteld dat het in deze zaak gesloten krediet inderdaad onder deze uitzondering valt. Zij heeft toegelicht dat haar verdienmodel is gebaseerd op de vergoeding die zij ontvangt van de verkopers die de mogelijkheid om uitgesteld te betalen aanbieden aan consumenten en niet op de verwachting dat consumenten hun verplichtingen niet nakomen. De consumenten, die gebruik maken van de dienst van Billink, krijgen bovendien ruimschoots de gelegenheid om hun betalingsverplichting zonder rente of kosten na te komen: Billink stuurt herinneringen, ook per e-mail en sms. Als dat niet leidt tot betaling, brengt zij stapsgewijs incassokosten in rekening en uiteindelijk, na inschakeling van een incassobureau, ook rente. Volgens Billink zijn die werkzaamheden niet kostendekkend. Deze stelling heeft zij onderbouwd met onder andere correspondentie tussen haar en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en accountantsstukken.
2.7.
De kantonrechter is van oordeel dat Billink in haar akte en alle daarbij gevoegde producties voldoende heeft onderbouwd dat de bedongen rente en incassokosten geen deel uitmaken van haar verdienmodel. Als gevolg daarvan geldt de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW en moet dus worden geoordeeld dat het in deze procedure gesloten krediet géén consumentenkredietovereenkomst is als bedoeld in titel 2A van boek 7 BW. Dit betekent dat de consument beschermende bedingen uit die titel en de daarmee samenhangende bedingen niet van toepassing zijn.
Conclusie
2.8.
Het vorenstaande brengt met zich dat [gedaagde] de gevorderde hoofdsom van € 91,48 moet betalen. De vordering tot betaling van dit bedrag is dan ook toewijsbaar. Ook de wettelijke rente -tot 11 september 2024 berekend op een bedrag van € 6,95- zal als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.9.
Billink maakt ook aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt een bedrag van € 40,00 toegewezen.
Proceskosten
2.10.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor de akte van Billink van 26 maart 2025 wordt geen salaris toegekend, nu zij deze informatie bij dagvaarding in het geding had moeten brengen. De proceskosten van Billink worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
113,54
- griffierecht
130,00
- salaris gemachtigde
60,00
(1,5 punten × € 40,00)
- nakosten
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
323,54

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Billink te betalen een bedrag van € 138,43, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 91,48, met ingang van 11 september 2024, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 323,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.