ECLI:NL:RBZWB:2025:8342

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
C/02/438555 / FA RK 25-4081
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:377g BWArt. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding beslissing zorg- en contactregeling minderjarige wegens zorgelijke situatie en loyaliteitsconflict

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van een minderjarige die vroeg om aanpassing van de zorg- en contactregeling met zijn vader, omdat hij niet langer naar zijn vader wilde vanwege een zorgelijke situatie. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag en de huidige regeling voorziet in een 50/50 verdeling van de zorg.

De moeder stelde dat er sprake is van een zorgelijke situatie met een fors loyaliteitsconflict dat de ontwikkeling van de minderjarige bedreigt. De vader ontkende onwil en benadrukte zijn wens tot herstel. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het benoemen van een bijzondere curator, maar de rechtbank vond dit minder passend.

Na gesprekken met beide ouders en hun advocaten kwamen partijen overeen om via de gemeente hulpverlening in te zetten en een vertrouwenspersoon aan te stellen die een herstelgesprek tussen vader en minderjarige kan begeleiden. De rechtbank besloot daarom de beslissing aan te houden en verzocht de advocaten om schriftelijk te rapporteren over de voortgang van de hulpverlening en het herstelgesprek.

De minderjarige wordt per brief geïnformeerd over de uitkomst en de verdere procedure. De rechtbank behoudt zich alle beslissingen voor en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan om ouders de gelegenheid te geven vrijwillige hulpverlening in te schakelen en een herstelgesprek te organiseren.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/438555 / FA RK 25-4081
Datum uitspraak: 19 september 2025
Beschikking naar aanleiding van een informele rechtsingang over stopzetten zorg- en contactregeling
naar aanleiding van de vraag van de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. A. Koop-van Vliet te Breda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. M. Hofland te Breda.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda , hierna te noemen: de Raad, de rechtbank in deze zaak geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft op 1 augustus 2025 een brief ontvangen van [minderjarige] .
1.2.
Op 15 augustus 2025 heeft de kinderrechter met [minderjarige] gesproken.
1.3.
De rechtbank heeft vervolgens de ouders uitgenodigd voor een gesprek, waarna zij de volgende stukken heeft ontvangen:
  • de brief van 16 september 2025 van mr. Hofland, met bijlagen;
  • het op 16 september 2025 ontvangen bericht van mr. Koop-van Vliet, met bijlagen;
  • het op 18 september 2025 ontvangen bericht van mr. Koop-van Vliet, met bijlagen.
1.4.
Op 19 september 2025 heeft de kinderrechter met beide ouders gesproken, waarbij zij werden bijgestaan door hun advocaten. Ook waren er twee vertegenwoordigsters namens de Raad aanwezig.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 1 maart 2022 (met het zaaknummer C/02/367876 / FA RK 20-251) is in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over [minderjarige] bepaald, onder wijziging van de eerdere beschikking van 17 april 2020, dat de onderlinge regeling uit het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking. In voormeld ouderschapsplan zijn de ouders onder meer overeengekomen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder is gelegen en dat hij op maandag, dinsdag en woensdag tot en met schooltijd alsmede in de oneven weken in het weekend bij de vader verblijft.

3.De vraag van [minderjarige] en de onderbouwing daarvan

3.1.
[minderjarige] vraagt in zijn brief en tijdens het gesprek met de kinderrechter, om de zorg- en contactregeling tussen hem en zijn vader aan te passen.
3.2.
[minderjarige] heeft ter onderbouwing daarvan, samengevat, onder meer aangegeven dat hij op dit moment op basis van een gelijke verdeling (50/50) bij zijn beide ouders verblijft. Echter, hij wil niet langer naar zijn vader toe gaan, omdat het volgens [minderjarige] niet goed gaat wanneer hij bij zijn vader verblijft.

4.De beoordeling

4.1.
Een minderjarige is geen zelfstandige procespartij in procedures betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Om de minderjarige toch een eigen toegang tot de rechtbank te bieden, bestaat de mogelijkheid van een informele rechtsingang. De minderjarige mag in dat kader een brief aan de rechtbank sturen en de kinderrechter vragen om een beslissing te nemen over een beperkt aantal onderwerpen.
4.2.
Op grond van artikel 1:377g van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang gelezen met de artikelen 1:253a BW, 1:377e en 1:377a BW, kan de rechtbank naar aanleiding van de brief van [minderjarige] (en het gesprek tussen hem en de kinderrechter) ambtshalve een beslissing geven over de vraag van [minderjarige] over het aanpassen/stopzetten van de zorg- contactregeling tussen hem en de vader.
4.3.
Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. Onder verwijzing naar meldingen vanuit Veilig Thuis, een overzicht van het schoolverzuim van het zusje van [minderjarige] en een evaluatieverslag van [hulpverlening] , stelt de moeder dat er sprake is van een zorgelijke situatie. De ouders zijn niet in staat om op een goede manier met elkaar te communiceren en afspraken te maken over [minderjarige] . De ouders hebben getracht om een ouderschapsbemiddelingstraject te doorlopen, maar dit traject is in de zomerperiode gestopt omdat de vader zijn afspraken niet nakwam. Als gevolg van de ontstane situatie, verkeert [minderjarige] in een fors loyaliteitsconflict waardoor hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Volgens de moeder lukt het [minderjarige] gewoonweg niet meer om zich te verhouden tot de verschillende opvoedsituaties van zijn ouders, waardoor hij nu een keuze lijkt te hebben gemaakt voor zijn moeder. [minderjarige] geeft duidelijk aan dat hij niet meer naar zijn vader toe wil gaan en dat hij bang voor hem is. Gezien alle hulpverlening die tot nu toe al is ingezet, weet de moeder het niet meer en zit zij er naar eigen zeggen helemaal doorheen. De moeder vindt dat er in ieder geval een herstelgesprek moet plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] , waarbij goed wordt geluisterd naar [minderjarige] .
4.4.
Namens en door de vader is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. Ongeveer drie maanden geleden heeft de vader voor het laatst contact met [minderjarige] gehad. Alleen voor hoognodige zaken hebben de ouders via e-mail contact met elkaar. De vader betwist dat hij zijn afspraken met de hulpverlening niet is nagekomen. Volgens de vader ligt de situatie genuanceerder, maar hij acht het op dit moment niet helpend om daar verder op in te gaan. De vader wil het beste voor [minderjarige] . Bij de vader is er dan ook geen sprake van onwil. De vader vindt ook dat er in ieder geval een herstelgesprek tussen hem en [minderjarige] moet plaatsvinden, waarbij [minderjarige] ontschuldigd wordt. De vader vindt het niet goed dat [minderjarige] deze procedure heeft moeten starten om zijn situatie beter te maken.
4.5.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Volgens de Raad is er sprake van een complexe, zorgelijke situatie. De Raad vindt het belangrijk dat [minderjarige] in zijn kracht komt te staan. De Raad denkt daarom aan het benoemen van een bijzondere curator.
4.6.
De rechtbank overweegt, naar aanleiding van het voorgaande, als volgt. De rechtbank vindt het het beste als de oplossing vanuit de ouders zelf komt. Het benoemen van een bijzondere curator, zoals door de Raad is geadviseerd, acht zij minder passend omdat een bijzondere curator slechts voor een korte(re) duur betrokken zal zijn en het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] verkeert, daarmee niet zal worden weggenomen. Naar aanleiding van het voorgaande en na een korte schorsing van de mondelinge behandeling, hebben de ouders met elkaar afgesproken dat zij via de procesregisseur van de gemeente Breda, bij wie zij al bekend zijn, een aanmelding zullen doen bij zorgaanbieder [hulpverlener] voor het inzetten van passende zorg. Daarnaast vinden zij het van belang dat er voor [minderjarige] een vertrouwenspersoon wordt aangesteld, bijvoorbeeld in de vorm van een kindercoach, die voor een langere tijd naast hem kan en zal staan en die op een passende en verantwoorde manier een herstelgesprek kan initiëren en begeleiden tussen de vader en [minderjarige] . De advocaten van de ouders zullen de procesregisseur hier per e-mail van op de hoogte stellen. Dit ook om [minderjarige] hierop voor te bereiden. Gelet op de uiterst zorgelijke situatie, vindt de kinderrechter het van cruciaal belang dat deze hulpverlening zo spoedig mogelijk wordt ingezet. Als de procesregisseur hierin onverhoopt niets kan betekenen, dan zullen de ouders via de huisarts proberen om passende hulpverlening in te zetten.
4.7.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank op dit moment geen beslissing nemen over de vraag van [minderjarige] . De rechtbank verzoekt aan de advocaten van de ouders om haar uiterlijk op
donderdag 30 oktober 2025 PRO FORMAschriftelijk te informeren over de actuele gang van zaken, waarbij zij in ieder geval dienen aan te geven of het is gelukt om de ouders en [minderjarige] aan te melden voor passende hulpverlening en of er al een nieuwe zitting moet plaatsvinden of dat de zaak verder dient te worden aangehouden.
4.8.
Omdat [minderjarige] deze procedure is gestart en hij geen afschrift van deze beschikking zal krijgen, zal de rechtbank hem per brief op de hoogte stellen van de uitkomst in deze zaak, met de volgende inhoud:
Beste [minderjarige] ,
Een aantal weken geleden heb jij een brief gestuurd naar de rechtbank en hebben wij met elkaar een gesprek gevoerd. Je hebt toen aangegeven dat je liever niet meer naar je vader toe wilt gaan.
Inmiddels heb ik ook met je ouders gesproken. Bij dit gesprek waren hun advocaten en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig.
Tijdens het gesprek hebben je beide ouders aangegeven dat zij samen een oplossing willen zoeken voor de problemen die er zijn. Jouw ouders zullen daarom aan de gemeente of aan de huisarts vragen om passende hulpverlening in te zetten, bijvoorbeeld vanuit [hulpverlener]. Jouw ouders gaan dit doen, omdat zij het allebei belangrijk vinden dat er hulpverlening komt om de situatie beter te maken. Ook vinden jouw beide ouders het belangrijk dat jij en je vader samen een gesprek zullen voeren om bepaalde dingen tegen elkaar uit te spreken. Omdat dit misschien spannend kan zijn voor je, zal dit gesprek op een goede manier worden georganiseerd onder begeleiding van iemand die dat goed kan.
Ik heb met de advocaten afgesproken dat zij mij eind oktober 2025 zullen laten weten over hoe het gaat met de hulpverlening en het gesprek tussen jou en je vader. Op dat moment zal ik bekijken op welke manier we met deze zaak verder zullen gaan.
Ik hoop dat mijn beslissing wat rust en duidelijkheid geeft.
Met vriendelijke groeten,
Phillips, kinderrechter.
4.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
houdt de beslissing in deze zaak aan tot
donderdag 30 oktober 2025 PRO FORMA, in afwachting van de schriftelijke reacties van de advocaten over de actuele stand van zaken en het standpunt van de ouders over het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak, zoals hiervoor onder 4.6 en 4.7 is overwogen;
5.2.
behoudt zich iedere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en schriftelijk vastgesteld en ondertekend op 29 september 2025.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.