Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester om haar woning te sluiten voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet, omdat er handelshoeveelheden lachgas waren aangetroffen. De burgemeester sloot de woning per 13 november 2025 en verzoekster verbleef sindsdien in een doorstroomvoorziening.
De voorzieningenrechter heeft op 26 november 2025 mondeling uitspraak gedaan na behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening. De burgemeester baseerde het besluit op de aanwezigheid van handelshoeveelheden lachgas in de woning, maar verzoekster stelde dat het lachgas uitsluitend voor eigen gebruik was, ook door haar bij haar wonende zusje.
De rechter achtte dit voldoende aannemelijk gemaakt op basis van bestuurlijke rapportages waarin lachgasgebruik door verzoekster en haar zusje werd vastgesteld zonder aanwijzingen voor verstrekking aan derden. Ook ontbraken indicaties van handel of loop naar de woning. Hierdoor ontbrak de wettelijke grondslag voor sluiting op basis van artikel 13b Opiumwet.
Gezien het belang van verzoekster om in haar woning te verblijven, werd de voorlopige voorziening toegewezen en het besluit tot sluiting geschorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.