ECLI:NL:RBZWB:2025:8357

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
C/02/440822 / JE RK 25-1848
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Tempel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige met uitbreiding contactmomenten

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft sinds mei 2025 volledig bij een pleeggezin vanwege ernstige zorgen over zijn veiligheid en stabiliteit. De moeder heeft het ouderlijk gezag, maar haar situatie is nog niet stabiel: zij heeft geen eigen woning, is haar baan verloren en ontvangt geen structurele begeleiding.

De gecertificeerde instelling stelt dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is en dat verlenging noodzakelijk is om de ontwikkeling van de minderjarige te beschermen. De moeder erkent de situatie, maar vraagt om een kortere verlenging en uitbreiding van de contactmomenten. De kinderrechter constateert positieve ontwikkelingen bij moeder en kind, maar ook tekortkomingen in de uitvoering door de gecertificeerde instelling.

De kinderrechter besluit de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor zes maanden, onder aanhouding van het resterende verzoek. Tevens wordt bepaald dat de contactmomenten tussen moeder en minderjarige worden uitgebreid volgens een opbouwschema, waarbij de locatie van de contactmomenten bij de gecertificeerde instelling ligt totdat de woning van de moeder op orde is. De zaak wordt pro forma aangehouden tot 31 maart 2026 voor nadere rapportage en besluitvorming.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd voor zes maanden en de contactmomenten tussen moeder en minderjarige worden uitgebreid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440822 / JE RK 25-1848
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Helmond,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. A. Koop-Van Vliet uit Breda.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 10 oktober 2025, gericht aan de rechtbank Oost-Brabant;
  • de doorverwijzingsbeschikking van de rechtbank Oost-Brabant van
14 oktober 2025;
  • de stelbrief van mr. Koop-Van Vliet van 20 oktober 2025;
  • het bericht met bijlagen van mr. Koop-Van Vliet van 29 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 8 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 16 mei 2025 tot 2 november 2025. Ook heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 16 mei 2025 tot 2 november 2025.
2.3.
Bij diezelfde beschikking van 8 mei 2025 heeft de kinderrechter de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht om onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige] . De kinderrechter heeft de Raad verzocht om het rapport in te brengen in de te verwachten procedure tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.
2.4.
[minderjarige] woonde samen met zijn moeder op een behandelgroep binnen Sterk Huis. Hij verbleef wekelijks van dinsdag tot en met donderdag in een pleeggezin en in het weekend verbleef hij in een netwerkpleeggezin (grootouders).
2.5.
Sinds mei 2025 verblijft [minderjarige] volledig bij het pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI het navolgende aan. In mei 2025 is [minderjarige] volledig bij het pleeggezin geplaatst vanwege ernstige zorgen over zijn veiligheid en stabiliteit. Deze plaatsing is bedoeld als tijdelijke maatregel in afwachting van het perspectiefonderzoek van de Raad. Tot op heden is dit onderzoek helaas nog niet gestart. De moeder verbleef tot 1 september 2025 bij Sterk Huis. Zij beschikt momenteel niet over een eigen woning. Ook is de moeder haar werk verloren en is er nog geen sprake van structurele persoonlijke begeleiding. De omgang tussen de moeder en [minderjarige] is in overleg met de moeder gewijzigd naar eenmaal per week, op vrijdag van 10:00 tot 17:00 uur. De omgang vindt plaats zonder begeleiding omdat gezien wordt dat de moeder korte tijden kan aansluiten bij [minderjarige] . Langere momenten zijn nu nog niet passend. Het afgelopen jaar is actief ingezet op verbetering van de hechtingsrelatie via [hulpverlening] . De moeder is beter gaan afstemmen op de signalen van [minderjarige] . Echter liet de moeder weten dat [hulpverlening] voor haar niet werkt omdat het ophalen en terugbrengen van [minderjarige] te belastend is. De GI vindt het essentieel dat [hulpverlening] doorgang vindt om meer zicht te krijgen op de relatie tussen de moeder en [minderjarige] .
Binnen het pleeggezin ontwikkelt [minderjarige] zich positief. Hij toont versterkte hechting en meer basisveiligheid. Na omgang met de moeder is zichtbaar dat [minderjarige] hier emotioneel last van heeft. De onduidelijkheid rondom zijn perspectief beïnvloedt hem merkbaar.
De GI acht voortzetting van de huidige afspraken binnen het vrijwillig kader niet haalbaar. Hoewel de moeder openstaat voor hulpverlening, blijkt zij onvoldoende in staat om afspraken na te komen in het belang van [minderjarige] . Er is sprake van weinig eigen initiatief, een grote behoefte aan externe aansturing en moeite met het toepassen van adviezen. Het cannabisgebruik vormt ook een extra risicofactor. Het pleeggezin biedt momenteel stabiliteit, maar is geen perspectiefbiedende plek. Voor [minderjarige] is het van groot belang dat er op korte termijn duidelijkheid komt over zijn toekomstperspectief.
Vanwege het voorgaande acht de GI het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd.
4.2.
Ter zitting heeft de vertegenwoordigster van de GI aangevoerd dat zij pas net betrokken is en niet de vaste jeugdbeschermer zal worden. Zij betreurt het dat er zoveel wisselingen in jeugdbeschermers hebben plaatsgevonden, terwijl er juist veel opgestart en ingezet moet worden. Desondanks verzoekt de GI de verzoeken toe te wijzen voor de verzochte duur en niet voor een kortere periode. Hoewel de GI begrijpt dat er voortgang in de zaak moet komen, kan zij over twee maanden geen nieuwe informatie verschaffen. Op het verzoek van de moeder om de omgang uit te breiden, voert de GI aan dat uitbreiding nu nog niet mogelijk is. De GI zal onderzoeken wat de mogelijkheden zijn zodra de situatie van de moeder stabiel is. De GI verzoekt dan ook om de regie over de omgang bij haar te beleggen.

5.Het standpunt van de belanghebbende

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, het navolgende aangevoerd. De moeder kan zich niet vinden in het besluit van de GI dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij haar ligt. Zij kan zich, net als de pleegouders, niet verenigen met de uitvoering van de maatregelen en de samenwerking met de GI. De pleegouders hebben rond de vorige zitting aangegeven dat zij nog maar een paar maanden willen ondersteunen. Desondanks is na de zitting besloten [minderjarige] volledig bij de pleegouders te plaatsen. De moeder en de pleegouders stonden daar niet achter, maar de pleegouders wilden [minderjarige] niet in de steek laten. De zaak heeft daarna een lange tijd stilgelegen door wisselingen in jeugdbeschermers. Ook de informatie in het verzoekschrift is door de wisselingen onvolledig en niet actueel. In tegenstelling tot wat in het verzoek staat, gaat het juist beter met de moeder. Zij ervaart minder stress doordat zij weg is gegaan bij Sterk Huis en zij op
5 november 2025 de sleutel van haar woning krijgt. Bovendien heeft de moeder een stabiele relatie, een steunend netwerk en is haar middelengebruik afgenomen. Ook is zij actief op zoek naar een nieuwe baan. De moeder weet dat [minderjarige] het goed heeft bij de pleegouders, maar zou willen dat de omgangsmomenten uitgebreid worden. Dit is ook de wens van de pleegouders omdat zij duidelijkheid willen en de plaatsing willen afbouwen. De moeder wenst dat het door haar in productie vier opgenomen opbouwschema wordt vastgelegd. Zij heeft daartoe dan ook een verzoek ingediend bij de rechtbank. De moeder merkt daarbij op dat [minderjarige] op dit moment al regelmatig in het weekend bij haar verblijft als de pleegouders plannen hebben. Het contact vindt plaats bij de ouders van de moeder en dit zal de moeder blijven doen totdat haar eigen woning op orde is.
5.2.
Nu er een perspectiefonderzoek wordt uitgevoerd en de uitvoer van de maatregelen te wensen overlaat, verzoekt de advocaat van de moeder om de maatregelen voor een duur van twee maanden te verlengen en door te verwijzen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. Ondanks dat het raadsonderzoek binnen twee maanden nog niet afgerond zal zijn, is het voor de beslissing, ook over de omgang, noodzakelijk dat de GI actuele informatie verstrekt. De advocaat merkt daarbij op dat de Raad op dit moment geen compleet onderzoek kan doen omdat niet alle betrokkenen zijn gesproken, niet is onderzocht of een uitbreiding van de omgang mogelijk is en er geen perspectiefbiedende plek voor [minderjarige] is.

6.De beoordeling

Wettelijk kader
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. Er is nog steeds sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat de situatie van de moeder niet stabiel is. De moeder heeft (nog) geen eigen woning en is haar baan verloren. Ook heeft zij nog geen structurele persoonlijke begeleiding. Daarnaast is de ernstige ontwikkelingsbedreiging erin gelegen dat [minderjarige] nog geen duidelijkheid heeft over zijn toekomstperspectief. De GI heeft bepaald dat het perspectief niet meer bij de moeder ligt, maar de Raad moet daar nog verder onderzoek naar doen. Het pleeggezin waar [minderjarige] verblijft is ook niet perspectiefbiedend. Deze onzekerheid vindt de kinderrechter zorgelijk en allerminst in het belang van [minderjarige] .
6.6.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan nog steeds niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Hoewel de moeder open staat voor hulpverlening, is de situatie te kwetsbaar om door te verwijzen naar het vrijwillig kader. De situatie van de moeder is namelijk nog niet op orde en [minderjarige] is vanwege zijn jonge leeftijd volledig afhankelijk van zijn opvoeders. Bovendien heeft de GI aangevoerd dat de moeder onvoldoende in staat is om afspraken na te komen en dat de moeder een grote behoefte aan externe aansturing heeft. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. Vanwege het voorgaande is ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd dienen te worden. De kinderrechter neemt in haar overweging mee dat de moeder geen verweer voert tegen een verlenging van de maatregelen.
6.7.
De kinderrechter ziet echter wel aanleiding om de verlenging van de maatregelen in duur te beperken en overweegt daartoe als volgt. Gebleken is dat de moeder en [minderjarige] een positieve ontwikkeling hebben ingezet. De moeder is actief bezig om haar situatie te verbeteren. Zij heeft een eigen woning gevonden, heeft een ondersteunend netwerk en is op zoek naar een nieuwe baan. Ook met [minderjarige] lijkt het steeds beter te gaan. Hij ontwikkelt zich goed binnen het pleeggezin en heeft baat bij de stabiliteit die hem geboden wordt. Ook de omgang tussen de moeder en [minderjarige] verloopt over het algemeen positief. In tegenstelling tot de positieve ontwikkeling van de moeder én [minderjarige] , ziet de kinderrechter dat de GI steken heeft laten vallen in de uitvoering van de maatregelen. Er hebben veel wisselingen in jeugdbeschermers plaatsgevonden waardoor de GI een lange tijd onvoldoende regie heeft kunnen voeren. De pleegouders hebben vanaf het begin aangegeven niet perspectiefbiedend te zijn en geen voltijdplaatsing te wensen. Desondanks heeft de GI besloten dat niet teruggewerkt gaat worden aan een terug thuisplaatsing bij de moeder, maar is zij ook niet in staat geweest een andere (perspectiefbiedende) plek voor [minderjarige] te vinden. Het nog uit te voeren perspectiefonderzoek van de Raad is dan ook van groot belang.
6.8.
Nu het afgelopen jaar niet voortvarend genoeg aan de slag is gegaan, acht de kinderrechter het passend en geboden om de maatregelen voor de duur van zes maanden te verlengen, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De door de advocaat van de moeder verzochte duur van twee maanden vindt de kinderrechter niet in het belang van [minderjarige] . Na twee maanden zal de GI geen nieuwe informatie kunnen verstrekken en zal de Raad zijn onderzoek nog niet afgerond hebben.
6.9.
De komende zes maanden acht de kinderrechter het van belang dat de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] uitgebreid worden. Duidelijk is geworden dat de contactmomenten goed verlopen en dat [minderjarige] al meer dan afgesproken bij de moeder verblijft. Zo zorgt de moeder zelfs weekenddagen voor [minderjarige] als de pleegouders niet beschikbaar zijn. De pleegouders en pleegzorgwerker lijken dan ook veel vertrouwen te hebben in de moeder. Daarnaast hoopt de kinderrechter dat de pleegouders door een uitbreiding van de contactmomenten weer de nodige rust ervaren om beschikbaar te blijven voor [minderjarige] . Het is namelijk belangrijk dat [minderjarige] zijn stabiele plaatsing bij de pleegouders behoudt. Tot slot acht de kinderrechter een uitbreiding in het belang van het raadsonderzoek, omdat er dan meer informatie kan worden verkrijgen over de (opbouw van) de contactmomenten. De kinderrechter is van oordeel dat de door de moeder voorgestelde opbouwende regeling gevolgd moet worden:
Stap 1: [minderjarige] verblijft tweemaal wekelijks op zaterdag van 10:00 uur tot 16:30 uur bij de moeder thuis;
Stap 2: [minderjarige] verblijft vervolgens viermaal wekelijks op zaterdag van 10:00 uur tot en met zondag 10:00 uur bij de moeder thuis;
Stap 3: [minderjarige] verblijft daarna om het weekend van zaterdag 10:00 uur tot en met zondag 18:00 uur bij de moeder thuis.
Zo lang het huis van de moeder niet op orde is, dienen de contactmomenten plaats te vinden bij de ouders van de moeder. Als de woning klaar is, en dit geverifieerd is door de GI, kunnen de contactmomenten bij de moeder thuis plaatsvinden. Alleen voor deze stap, de locatie van de contactmomenten, belegt de kinderrechter de regie bij de GI.
6.10.
De beoordeling van het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden
tot
dinsdag 31 maart 2026 PRO FORMA. De kinderrechter verzoekt de GI uiterlijk op genoemde pro forma datum schriftelijk verslag te doen over het verloop van de ondertoezichtstelling, de stand van zaken ten aanzien van het perspectiefonderzoek van de Raad, het verloop van de (opbouwende) contactregeling en haar standpunt over het resterende deel van het verzoek en het gewenste verdere procesverloop. Daarbij dient de GI een afschrift van dat verslag aan de advocaat van de moeder te zenden.
6.11.
De kinderrechter stelt de advocaat van de moeder vervolgens in de gelegenheid
binnen één weekna ontvangst van het verslag van de GI te reageren, in het bijzonder of de zaak schriftelijk kan worden afgedaan, dan wel of zij een nadere mondelinge behandeling wenst.
6.12.
Indien het resterende verzoek wordt gehandhaafd en een nieuwe zitting gewenst is, zal een nieuwe zitting worden gepland. Afhankelijk van het verloop (en de uitkomst van) het raadsonderzoek zal de zaak bij de kinderrechter of bij de meervoudige kamer van de rechtbank worden gepland. Dit zal de rechtbank te zijner tijd beoordelen.
6.13.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.14.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 2 november 2025 tot 2 mei 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 2 november 2025 tot 2 mei 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
houdt de behandeling van het restende deel van het verzoek van de GI aan tot
dinsdag 31 maart 2026 PRO FORMA, in afwachting van een schriftelijk verslag van de GI, zoals weergegeven in rechtsoverweging 6.10, en het standpunt van de advocaat van de moeder;
7.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing in deze zaak voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Linde als griffier, en op schrift gesteld op 17 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.