De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 27 november 2025 de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd beschuldigd van verkrachting en aanranding van een meisje op 26 september 2021. De tenlastelegging betrof het seksueel binnendringen door vingeren en het aanranding van het slachtoffer door zoenen en betasten onder dwang.
De officier van justitie baseerde zich op de verklaring van het slachtoffer, getuigenverklaringen, gedragsveranderingen bij het slachtoffer en DNA-sporen op de hals en borsten. De verdediging voerde aan dat er onvoldoende bewijs was voor seksueel binnendringen en dwang, wijzend op het ontbreken van DNA op de schaamlippen, inconsistenties in verklaringen en het ontbreken van objectief bewijs zoals getuigen of camerabeelden.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van het slachtoffer onvoldoende werd ondersteund door ander bewijs. Het DNA-onderzoek toonde geen sporen van vingeren aan en een tongzoen kwalificeert niet als binnendringen. Ook ontbrak bewijs voor dwang bij de aanranding, mede doordat het slachtoffer vrijwillig met verdachte meeliep naar een zijstraat en getuigen geen aanwijzingen zagen voor dwang. De rechtbank sprak de verdachte daarom vrij van beide feiten.