ECLI:NL:RBZWB:2025:8374

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
25/1473
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing verzoek om immateriële schadevergoeding in bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 28 november 2025 uitspraak gedaan op het verzet van de opposant tegen een eerdere uitspraak van 24 juni 2025. In die eerdere uitspraak verklaarde de rechtbank het beroep van de opposant, dat betrekking had op het uitblijven van een beslissing op zeven verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo), gegrond. De rechtbank had echter het verzoek van de opposant om schadevergoeding afgewezen. De opposant heeft verzet ingesteld tegen deze afwijzing, specifiek gericht op het verzoek om immateriële schadevergoeding van € 1.500,00.

De rechtbank heeft in deze uitspraak uitsluitend beoordeeld of de eerdere afwijzing van het verzoek om immateriële schadevergoeding terecht was. De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is. De rechtbank oordeelt dat de door de opposant overgelegde doktersverklaring onvoldoende bewijs levert voor het bestaan van geestelijk letsel dat voor vergoeding in aanmerking komt. De verklaring geeft aan dat de psychische klachten van de opposant zijn toegenomen, maar dit is niet voldoende om recht te hebben op immateriële schadevergoeding. De rechtbank benadrukt dat er meer nodig is dan psychisch onbehagen om aanspraak te maken op schadevergoeding.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de opposant geen nieuwe stukken heeft ingediend in het verzet en dat de eerder ingediende processtukken niet aantonen dat er sprake is van meer dan psychisch onbehagen. De rechtbank handhaaft daarom de eerdere uitspraak en verklaart het verzet ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1473 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2026 op het verzet van

[opposant], uit [plaats] , opposant [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 juni 2025 in het geding tussen
opposant
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 24 juni 2025 waarin de rechtbank het beroep niet tijdig beslissen van opposant gegrond heeft verklaard en zijn verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen. Opposant heeft verzet ingesteld tegen het onderdeel van de uitspraak dat ziet op het afwijzen van zijn verzoek om immateriële schadevergoeding.
1.1.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 24 juni 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het verzoek om immateriële schadevergoeding moet worden afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van het schadeverzoek komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant ging over het uitblijven van een beslissing op zeven verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo). Daarnaast had opposant verzocht om verweerder te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding veroorzaakt door het uitblijven van deze beslissingen. De schade bestond volgens opposant, onder andere, uit immateriële schade wegens verergering van zijn depressieve klachten.
De uitspraak van 24 juni 2025
4.1.
De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep niet tijdig beslissen kennelijk gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Opposant zijn verzet richt zich tot het afwijzen van zijn verzoek om immateriële schadevergoeding (van in totaal € 1.500,00).
Waarom is in de uitspraak van 24 juni 2025 het verzoek om schadevergoeding afgewezen?
4.2.
In de uitspraak van 24 juni 2025 heeft de rechtbank overwogen dat uit de door opposant overgelegde doktersverklaring van 2 juni 2025 blijkt dat de (psychische en mentale) klachten van opposant zijn toegenomen en dat die toename te relateren is aan de langdurig lopende procedures. Daarmee is het causaal verband tussen deze klachten en het uitblijven van beslissingen gegeven. Dit betekent niet dat opposant zondermeer recht heeft op immateriële schadevergoeding. Daarvoor is meer nodig dan een min of meer sterk psychisch onbehagen en zich gekwetst voelen. Hoewel uit de verklaring van de huisarts van 2 juni 2025 wel blijkt dat er sprake is van toegenomen psychische klachten, blijkt uit die verklaring niet dat er meer aan de hand is dan psychisch onbehagen. Op basis van die verklaring kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van geestelijk letsel dat voor vergoeding in aanmerking kan komen. Daarvoor is de overgelegde verklaring te summier. Gelet daarop zal het verzoek van opposant om immateriële schade worden afgewezen.
Wat heeft opposant in verzet aangevoerd?
5. Opposant heeft verzocht om de afwijzing van de schadevergoeding te heroverwegen in het licht van het door hem aangeleverd objectieve en medische bewijsmateriaal. Hij heeft ter onderbouwing van zijn geestelijk letsel gewezen op een bij zijn verzetschrift gevoegde verwijsbrief van 11 november 2024 van de huisarts, huisartscontacten in de periode tussen november 2024 en april 2025 en een verhoogde dosering Citalopram. Ook heeft hij nogmaals een opsomming van zijn klachten gegeven en daarbij opgemerkt dat deze klachten aantoonbaar zijn verergerd gedurende de periode van bestuursrechtelijke stagnatie door Toeslagen en dat ze daarmee in causaal verband staan tot het niet tijdig beslissen op zijn Woo-verzoeken.
Wat is het oordeel van de rechtbank de gronden van verzet ?
6. De rechtbank dient te beoordelen of de rechtbank op basis van de in beroep en de in verzet ingediende informatie tot de beoordeling heeft kunnen komen dat het beroep vereenvoudigd af kon worden gedaan. Opposant heeft, terwijl zijn beroep niet tijdig beslissen nog in behandeling was, een zogenaamd onzelfstandig schadeverzoek ingediend. Dat betekent dat de door hem gestelde schade moet zijn gerelateerd aan het niet tijdig beslissen op zijn Woo-verzoeken.
6.1.
Het eerste van de zeven Woo-verzoeken is door opposant ingediend op 12 november 2024. Op grond van artikel 4.4 van de Woo moest verweerder binnen vier weken na ontvangst van dat verzoek – ook wel aanvraag genoemd – een beslissing nemen op dat verzoek. Dat was op 10 december 2024. Aangezien de beslistermijn van alle Woo-verzoeken is gelegen ná het moment van de overgelegde verwijsbrief van 11 november 2024, kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van deze brief niet worden geconcludeerd dat sprake is van meer dan psychisch onbehagen dat wordt veroorzaakt door het te laat beslissen op de Woo-verzoeken.
6.2.
Voor de andere gegevens waarnaar opposant in zijn verzetschrift verwijst, stelt de rechtbank vast dat hiervoor in verzet geen nieuwe stukken zijn ingediend maar wordt verwezen naar eerder ingediende processtukken. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze gegevens niet dat er sprake is van meer dan psychisch onbehagen.
7. Het verzet van opposant slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 24 juni 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 28 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).