ECLI:NL:RBZWB:2025:8374
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen afwijzing verzoek om immateriële schadevergoeding in bestuursrechtelijke procedure
In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 28 november 2025 uitspraak gedaan op het verzet van de opposant tegen een eerdere uitspraak van 24 juni 2025. In die eerdere uitspraak verklaarde de rechtbank het beroep van de opposant, dat betrekking had op het uitblijven van een beslissing op zeven verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo), gegrond. De rechtbank had echter het verzoek van de opposant om schadevergoeding afgewezen. De opposant heeft verzet ingesteld tegen deze afwijzing, specifiek gericht op het verzoek om immateriële schadevergoeding van € 1.500,00.
De rechtbank heeft in deze uitspraak uitsluitend beoordeeld of de eerdere afwijzing van het verzoek om immateriële schadevergoeding terecht was. De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is. De rechtbank oordeelt dat de door de opposant overgelegde doktersverklaring onvoldoende bewijs levert voor het bestaan van geestelijk letsel dat voor vergoeding in aanmerking komt. De verklaring geeft aan dat de psychische klachten van de opposant zijn toegenomen, maar dit is niet voldoende om recht te hebben op immateriële schadevergoeding. De rechtbank benadrukt dat er meer nodig is dan psychisch onbehagen om aanspraak te maken op schadevergoeding.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de opposant geen nieuwe stukken heeft ingediend in het verzet en dat de eerder ingediende processtukken niet aantonen dat er sprake is van meer dan psychisch onbehagen. De rechtbank handhaaft daarom de eerdere uitspraak en verklaart het verzet ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.