ECLI:NL:RBZWB:2025:8378

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
BRE 24/7139 en 24/7140
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van naheffingsaanslagen omzetbelasting en het vertrouwensbeginsel in relatie tot een evenement

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 27 november 2025, zijn de beroepen van belanghebbende, een in de Verenigde Staten gevestigde onderneming, tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting gegrond verklaard. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur van de Belastingdienst de naheffingsaanslagen terecht heeft opgelegd voor de tijdvakken van 1 april 2022 tot en met 30 juni 2022 en 1 juli 2022 tot en met 30 september 2022. De inspecteur had aan belanghebbende naheffingsaanslagen opgelegd, omdat hij van mening was dat het verlaagde omzetbelastingtarief niet van toepassing was op de toegang tot het evenement [conventie]. Belanghebbende stelde dat het evenement wel onder het verlaagde tarief viel, en dat de naheffingsaanslagen in strijd waren met het vertrouwensbeginsel, omdat de inspecteur eerder had aangegeven dat dergelijke evenementen onder het verlaagde tarief zouden vallen. De rechtbank oordeelt dat het evenement [conventie] niet kan worden gekwalificeerd als een muziek- of toneeluitvoering in de zin van de Wet op de omzetbelasting, maar dat belanghebbende wel gerechtvaardigd vertrouwen had op de eerdere uitlatingen van de inspecteur. Hierdoor vernietigt de rechtbank de naheffingsaanslagen, de verzuimboete en de belastingrentebeschikkingen, en bepaalt dat de inspecteur het griffierecht en de proceskosten aan belanghebbende moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/7139 en 24/7140

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 november 2025 in de zaken tussen

[belanghebbende] Inc., gevestigd te [plaats] (de Verenigde Staten), belanghebbende,
(gemachtigden: mr. F.J. Manzoni en mr. M.L. Al-Saady),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 6 september 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd over de tijdvakken gelegen in de periode 1 april 2022 tot en met 30 juni 2022 (Q2) en 1 juli 2022 tot en met 30 september 2022 (Q3) (de naheffingsaanslagen). Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht en verzuimboetes aan belanghebbende opgelegd. Dit kan als volgt worden samengevat:
Tijdvak
Dagtekening
Aanslagnummer
Belasting
Verzuimboete
Rente
2022 Q2
28 februari 2024
[aanslagnummer] .F.01.2241
€ 111.179
€ 5.514
€ 7.249
2022 Q3
28 februari 2024
[aanslagnummer] .F.01.2271
€ 9.911
€ 991
€ 646
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag met aanslagnummer [aanslagnummer] .F.01.2241 en de daarbij behorende belastingrentebeschikking en verzuimboete, ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag met aanslagnummer [aanslagnummer] .F.01.2271 en de daarbij behorende belastingrentebeschikking ongegrond verklaard en heeft het bezwaar tegen de daarbij opgelegde boetebeschikking gegrond verklaard. Alleen deze verzuimboete is vernietigd bij uitspraak op bezwaar.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende: [naam 1] , vergezeld van
[naam 2] als tolk en de gemachtigden van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van mr. F.J.J. van Eysinga. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] deelgenomen.
1.5.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgesteld waarvan een afschrift gelijktijdig met de uitspraak naar partijen wordt verzonden.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslagen, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikkingen terecht en niet naar te hoge bedragen heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Meer specifiek is in geschil of op de door belanghebbende verrichte diensten het verlaagde omzetbelastingtarief van toepassing is. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door belanghebbende verrichte diensten zijn aan te merken als het verlenen van toegang tot muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen in de zin van artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in samenhang gelezen met post b.14, letter d, van Tabel I bij de Wet OB. Wanneer dat niet het geval is, is in geschil of belanghebbende een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het verlenen van toegang tot [conventie] op basis van de wet niet onderworpen aan het verlaagde tarief voor de omzetbelasting. Echter, de inspecteur heeft vertrouwen gewekt dat desondanks toch het verlaagde tarief zou kunnen worden toegepast. Dat gewekte vertrouwen dient in rechte gerespecteerd te worden. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikkingen ten onrechte zijn vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Feiten

3. Belanghebbende is gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika en is ondernemer in de zin van de Wet OB. De ondernemingsactiviteiten bestaan (onder meer) uit het faciliteren van een website genaamd [belanghebbende] , voor livestreaming op het internet.
3.1.
[belanghebbende] heeft een livestream-website met miljoenen gebruikers. Op het platform zijn duizenden livestreams te bekijken met een grote verscheidenheid aan onderwerpen zoals videogames, muziekoptredens, talkshows en nieuwsuitzendingen. De personen die bij [belanghebbende] de streams verzorgen worden de streamers genoemd en staan tijdens een livestream veelal in direct contact - middels chatberichten - met het kijkende publiek. De beroemdste bij [belanghebbende] actieve streamers hebben elk miljoenen volgers en trekken miljoenen kijkers.
3.2.
Belanghebbende organiseert het evenement genaamd [conventie] . [conventie] is een evenement waar streamers, gebruikers van [belanghebbende] en medewerkers van [belanghebbende] samenkomen. In het jaar 2022 heeft het evenement op [datum] plaatsgevonden in de [locatie] onder de naam [conventie] (hierna ook [conventie] ).
3.3.
Het hoofdprogramma van [conventie] bestond onder meer uit een openingsceremonie, diverse optredens (muziek, theater en spelshows), een dragshow, een slotceremonie en presentaties over de [belanghebbende] -cultuur en over wat het zijn van een streamer op [belanghebbende] betekent. Het hoofdprogramma werd verzorgd door verschillende [streamers] .
3.4.
Het hoofdprogramma vond plaats in [zaal 1] . [zaal 1] betrof de hoofdzaal met een capaciteit van ongeveer 1.750 plaatsen. In [zaal 1] was sprake van een vrije in- en uitloop van bezoekers. [zaal 2] fungeerde als een zogenaamde ‘overflow room’, omdat niet alle bezoekers in de hoofdzaal konden plaatsnemen wegens ruimtegebrek. In [zaal 2] waren beeldschermen aanwezig waarop het hoofdprogramma werd gestreamd.
3.5.
Daarnaast konden bezoekers tijdens onderbrekingen van het hoofdprogramma muzikale optredens bijwonen in de ruimte genaamd [zaal 3] . Dat is een buitenruimte. Ook vonden in het [zaal 4] andere shows plaats. In [zaal 5] namen bekende [streamers] op een podium deel aan live online spellen. De spellen werden voorzien van commentaar, live gestreamed en na afloop vonden er interviews plaats met de deelnemende [streamers] .
3.6.
Bezoekers konden zelf ook deelnemen aan de online spellen in de Expo Hall en een eigen livestream starten bij zogenoemde Streamer Stations. In de Expo Hall waren sponsoren en exposanten aanwezig die aldaar (product)presentaties gaven. Ook konden bezoekers deelnemen aan Meet & Greets met [streamers] en was er in de Artist Ally een tentoonstelling van (digitale) kunst. De (digitale) kunst werd niet voor rekening van belanghebbende verkocht.
3.7.
Een toegangskaart gaf bezoekers het recht om aan alle voornoemde activiteiten deel te nemen. Er werden weekendkaarten en dagkaarten voor [conventie] verkocht. In totaal zijn er ongeveer 14.000 weekend- en dagkaarten verkocht.
3.8.
Belanghebbende heeft voor het tweede en derde kwartaal van het jaar 2022 ter zake van het verlenen van toegang tot [conventie] omzetbelasting voldaan, berekend naar het verlaagde omzetbelastingtarief van 9%. De aangiften resulteerden in te betalen bedragen aan omzetbelasting van € 100.895 (tweede kwartaal van 2022) en € 8.995 (derde kwartaal van 2022).
3.9.
Bezoekers konden merchandise aanschaffen in [zaal 6] . Belanghebbende heeft de verkoop van merchandise aangemerkt als een zelfstandige prestatie en heeft daarop het reguliere omzetbelastingtarief van 21% toegepast. Dit vormt geen geschilpunt tussen partijen in deze procedure.
3.10.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslagen, de verzuimboetes en de belastingrentebeschikkingen met dagtekening 28 februari 2024 vastgesteld (zie 1.1). Daarbij heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat het verlaagde omzetbelastingtarief niet van toepassing is op het verlenen van toegang tot [conventie] .
3.11.
De inspecteur heeft alleen het bezwaar dat ziet op de naheffingsaanslag met aanslagnummer [aanslagnummer] .F.01.2271 en de daarmee samenhangende beschikkingen gedeeltelijk gegrond verklaard ten aanzien van de verzuimboete. Hij heeft geconstateerd dat aan belanghebbende per jaar ten hoogste één keer het maximale boetebedrag uit artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan worden opgelegd en heeft in dat verband de verzuimboete behorend bij die naheffingsaanslag vernietigd.

Overwegingen

De naheffingsaanslagen
4. Tussen partijen is niet in geschil dat het verlenen van toegang tot [conventie] als één enkele prestatie voor de omzetbelasting moet worden aangemerkt. De rechtbank zal partijen daarin volgen.
Is het verlaagde omzetbelastingtarief van toepassing?
4.1.
Krachtens artikel 96 van de Btw-richtlijn [1] past elke lidstaat een algemeen omzetbelastingtarief toe op goederenleveringen en diensten. In afwijking daarvan biedt artikel 98, eerste lid, van de Btw-richtlijn de lidstaten de mogelijkheid om een of twee verlaagde omzetbelastingtarieven toe te passen. Volgens artikel 98, tweede lid, eerste alinea, van de Btw-richtlijn kunnen de verlaagde omzetbelastingtarieven uitsluitend worden toegepast op de goederenleveringen en diensten die tot de in Bijlage III bij de Btw-richtlijn genoemde categorieën behoren.
4.2.
Punt 7 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn biedt de lidstaten de mogelijkheid om een verlaagd omzetbelastingtarief toe te passen op het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen, of van toegang tot de livestreaming van die evenementen of bezoeken, of beide.
4.3.
Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB in samenhang gelezen met post b.14, letter d, van Tabel I bij de Wet OB zijn de volgende prestaties aan het verlaagde omzetbelastingtarief onderworpen: het verlenen van toegang tot muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen, daaronder begrepen opera's, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets, en lezingen. [2] Daarmee heeft de Nederlandse wetgever uitvoering gegeven aan artikel 98, tweede lid, van de Btw-richtlijn in samenhang met punt 7 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn.
4.4.
De begrippen ‘muziekuitvoeringen’ en ‘toneeluitvoeringen’ als gehanteerd in post b.14, letter d, van Tabel I bij de Wet OB zijn als zodanig niet genoemd in Punt 7 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn, maar zijn daar wel op gebaseerd. De rechtbank moet de begrippen ‘muziekuitvoeringen’ en ‘toneeluitvoeringen’ daarom richtlijnconform uitleggen.
4.5.
De Btw-richtlijn bevat echter geen definitie van de begrippen ‘muziekuitvoeringen’ en ‘toneeluitvoeringen’. De Btw-uitvoeringsverordening [3] bevat evenmin enige definitie van de voornoemde begrippen. Verder verwijst noch de Btw-richtlijn, noch de Btw-uitvoeringsverordening in dit verband naar het recht van de lidstaten.
4.6.
De begrippen ‘muziekuitvoeringen’ en ‘toneeluitvoeringen’ moeten in dat geval worden uitgelegd overeenkomstig de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van de termen waarmee zij worden omschreven, met inachtneming van de context waarin die termen worden gebruikt en de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaken. [4]
4.7.
Het doel van bijlage III bij de Btw-richtlijn is het mogelijk maken van de toepassing van een verlaagd omzetbelastingtarief op essentiële goederen alsmede goederen en diensten die overeenstemmen met sociale of culturele doelstellingen, voor zover zij geen of weinig risico van verstoring van de mededinging meebrengen. [5] Omdat een dienst die is onderworpen aan een verlaagd omzetbelastingtarief een afwijking vormt van de toepassing van het normale tarief, moeten de termen ‘muziekuitvoeringen’ en ‘toneeluitvoeringen’ strikt worden uitgelegd. [6]
4.8.
Voor de gangbare betekenis van de begrippen ‘muziekuitvoeringen’ en ‘toneeluitvoeringen’ sluit de rechtbank aan bij een grammaticale uitleg. Het begrip ‘muziekuitvoeringen’ moet daarom worden uitgelegd als ‘de uitvoering van een muziekstuk’ en het begrip ‘muziekstuk’ als een ‘muzikaal werk om te spelen’. [7]
Het begrip ‘toneeluitvoeringen’ moet worden uitgelegd als ‘keren dat een toneelstuk wordt opgevoerd’. [8] Een ‘toneelstuk’ moet worden uitgelegd als een ‘stuk dat bestemd is om te worden opgevoerd’. [9] Naar het oordeel van de rechtbank valt [conventie] niet onder de gangbare betekenis van de begrippen ‘muziekuitvoeringen’ of ‘toneeluitvoeringen’. Het geheel van activiteiten op [conventie] is namelijk meeromvattend.
4.9.
De rechtbank acht de voorgaande uitleg in overeenstemming met de doelstelling van Bijlage III bij de Btw-richtlijn. Dit betekent dat het evenement [conventie] niet onder de in post b.14, letter d, van Tabel I bij de Wet OB gehanteerde begrippen ‘muziekuitvoeringen’ en ‘toneeluitvoeringen’ valt.
Het verlaagde omzetbelastingtarief is daarom op basis van de wet niet van toepassing op het verlenen van toegang tot het evenement [conventie] .
Vertrouwensbeginsel
4.10.
Belanghebbende voert voor dat geval aan dat de naheffingsaanslagen in strijd met het vertrouwensbeginsel zijn opgelegd.
Daartoe verwijst zij naar het Besluit ‘Omzetbelasting. Toelichting Tabel I’ van de staatssecretaris van Financiën van 31 maart 2022 [10] (het Besluit). Daarin staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:
“5. Muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen
(…)
Het verlenen van toegang tot een 'show’ waarbij het geheel van het aangebodene wordt ervaren als cultureel amusement/vermaak valt onder de post. Het aangebodene kan dan, als geheel onderdeel uitmakend van de ‘show’ bijvoorbeeld bestaan in het optreden van een band, een lezing, interviews met gasten over culturele onderwerpen, presentatie van een culturele agenda enzovoorts.”
4.11.
Belanghebbende stelt dat zij gelet op de tekst van deze paragraaf erop mocht vertrouwen dat het verlenen van toegang tot [conventie] zou zijn onderworpen aan het verlaagde omzetbelastingtarief. Volgens belanghebbende kwalificeert [conventie] namelijk als een show, waarbij het geheel van het aangebodene wordt ervaren als cultureel amusement/vermaak.
4.12.
De inspecteur stelt dat aan het Besluit niet het in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend dat het verlenen van toegang tot [conventie] is onderworpen aan het verlaagde omzetbelastingtarief. Ter onderbouwing voert hij aan dat geen sprake is van een muziek- dan wel toneeluitvoering als bedoeld in post b.14, letter d, van Tabel I bij de Wet OB. De toelichting in het Besluit moet volgens de inspecteur worden gelezen in de context van de daarin genoemde voorbeelden. Ter zitting heeft de inspecteur zich verder op het standpunt gesteld dat enkel artistieke of theatrale voordrachten die (voornamelijk) passief worden aanschouwd kunnen kwalificeren als zijnde cultureel amusement/vermaak. Het voorgaande betekent volgens de inspecteur dat de toelichting van de staatssecretaris onder de paragraaf ‘Muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen’ niet van toepassing kan zijn op [conventie] .
4.13.
De rechtbank stelt voorop dat in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend aan uitlatingen van een bestuursorgaan, in dit geval de inspecteur van de Belastingdienst. De vraag of de vaststelling van het Besluit is aan te merken als een uitlating van een bestuursorgaan [11] , is in dit geval niet relevant nu de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat hij gebonden is om uitvoering te geven aan het Besluit. Dit betekent dat belanghebbende als uitgangspunt in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen aan de toezegging van de inspecteur om conform het Besluit te handelen. Voor de toetsing aan het vertrouwensbeginsel is in dit geval bepalend wat in het Besluit staat, of althans wat belanghebbende daar redelijkerwijs uit mocht opmaken.
4.14.
De rechtbank constateert dat de besluitgever een betekenis geeft aan de begrippen ‘muziekuitvoeringen’ en ‘toneeluitvoeringen’, zoals gehanteerd in post b.14, letter d, van Tabel I bij de Wet OB, die in de optiek van de rechtbank ruimer is dan wat wettelijk bepaald is (zie 4.8).
Volgens de besluitgever valt “
het verlenen van toegang tot een 'show’ waarbij het geheel van het aangebodene wordt ervaren als cultureel amusement/vermaak” ongeclausuleerd ook onder deze post.
4.15.
De rechtbank begrijpt dat belanghebbende het evenement [conventie] organiseert met als hoofddoel het samenbrengen van de zogenoemde online [gemeenschap] , hoofdzakelijk bestaande uit de gebruikers van [belanghebbende] die de streamers volgen en de streams bekijken, en de [streamers] zelf. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat de gemiddelde bezoeker van [conventie] gebruiker is van het streamingplatform [belanghebbende] (zie 3.1) en doorgaans deel uitmaakt van de online [gemeenschap] , wat de inspecteur ook niet bestrijdt.
De rechtbank overweegt dat het programma van [conventie] bestaat uit uiteenlopende shows en/of optredens waarbij de nadruk voor de bezoeker ligt op het in persoon meemaken van de normaliter alleen online bestaande digitale gemeenschap en om bekende streamers ‘in het echt’ aan het werk te zien. De streamers die op de verschillende podia te zien zijn, zijn allen verbonden aan [belanghebbende] . Zij zijn in zekere zin idolen voor hun fans en trekken dan ook zeer omvangrijke kijkcijfers en hebben forse aantallen – miljoenen - volgers.
4.16.
Gelet op het geheel van feiten en omstandigheden voldoet [conventie] naar het oordeel van de rechtbank aan de omschrijving opgenomen in het Besluit: vanuit de bezoeker bezien zal [conventie] worden ervaren als het verlenen van toegang tot een show waarbij het geheel van het aangeboden wordt ervaren als cultureel amusement/vermaak. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende dat ook zo heeft opgevat en is daarmee van oordeel dat belanghebbende ook redelijkerwijs uit het Besluit mocht opmaken dat het door haar georganiseerde evenement onder de gegeven omschrijving in het Besluit viel. Dat het gaat om een relatief nieuwe vorm van uitingen van cultuur, maakt voorgaande niet anders nu het Besluit een dergelijke beperking niet kent.
4.17.
De rechtbank komt dan alles overwegend tot de conclusie dat bij belanghebbende het in rechte te respecteren vertrouwen is gewekt dat het verlaagde omzetbelastingtarief in de onderhavige tijdvakken van toepassing zou zijn op het verlenen van toegang tot [conventie] . Dit betekent dat de naheffing over de behaalde omzet in het tweede en derde kwartaal van 2022 niet had mogen worden opgelegd, omdat een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel daaraan in de weg staat. De rechtbank zal de naheffingsaanslagen de belastingrentebeschikkingen dan ook vernietigen. De verzuimboete dient ook te worden vernietigd.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar en vernietigt de naheffingsaanslagen, de verzuimboete en de belastingrentebeschikkingen.
5.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten die zij in verband met de behandeling van de beroepen heeft moeten maken. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld. Bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding gaat de rechtbank ervan uit dat de zaken van belanghebbende samenhangen. De zaken zijn immers nagenoeg gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld, waarbij de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van deze zaken betrekking hadden op dezelfde materie en casuïstiek. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In de bezwaarfase worden de kosten van rechtsbijstand vastgesteld op basis van 2 punten (bezwaarschrift en het verschijnen ter hoorzitting), met een waarde van € 647 per punt. [12] Ook heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 907 per punt. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 1.
Belanghebbende heeft ook verzocht om de inspecteur te veroordelen in de kosten van de tolk (€ 750). De inspecteur heeft niet betwist dat er kosten gemaakt zijn. Naar het oordeel van de rechtbank komen de kosten voor het inroepen van bijstand door een tolk ter voor vergoeding in aanmerking, zij het gemaximeerd op het bedrag genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht bedraagt de vergoeding voor kosten van een tolk die door een van de partijen ter zitting is meegebracht € 53 per uur en € 1 per gereisde kilometer. [13] Gelet hierop kent de rechtbank voor de werkzaamheden van de tolk ter zitting een vergoeding toe van € 180, bestaande uit € 53 per uur voor de werkzaamheden ten aanzien van de zitting, en € 74 als vergoeding van de door de tolk gereisde (retour)kilometers [14] . De totale vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.288 [15] .

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • vernietigt de naheffingsaanslagen, de verzuimboete en de belastingrentebeschikkingen;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van
€ 3.288;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzitter, en mr. S.A.J. Bastiaansen en prof. dr. G. van Norden, leden, in aanwezigheid van mr. D. Damen, griffier, op
27 november 2025.
griffier
voorzitter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [16]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de Btw-richtlijn) .
2.Met uitzondering van peepshows en andere optredens die primair zijn gericht op erotisch vermaak.
3.Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112 (PB 2011, L 77) (de Btw-uitvoeringsverordening).
4.Zie HvJ 1 oktober 2020, C-331/19 (X), ECLI:EU:C:2020:786, punt 24 (en aldaar aangehaalde rechtspraak).
5.HvJ 4 juni 2015, C161/14 (Commissie/Verenigd Koninkrijk), ECLI:EU:C:2015:355, punt 25 (en aldaar aangehaalde rechtspraak).
6.Zie HvJ 1 oktober 2020, C-331/19 (X), ECLI:EU:C:2020:786, punt 30 (en aldaar aangehaalde rechtspraak).
7.Van Dale Online, 2025 Van Dale Uitgevers, raadpleegbaar via www.vandale.nl. Het betreft de woorden ‘uitvoering’ en volgend uit die omschrijving ‘muziekstuk’.
8.Nederlandse Encyclopedie 2025, raadpleegbaar via www.encyclo.nl. Het betreft het woord ‘toneeluitvoeringen’.
9.Van Dale Online, 2025 Van Dale Uitgevers, raadpleegbaar via www.vandale.nl. Het betreft het woord ‘toneelstuk’.
10.Besluit van 31 maart 2022, nr. 2022-6334, Staatscourant 2022, 9114.
11.Zie Hoge Raad 14 april 2024, ECLI:NL:HR:2023:460, r.o. 3.2.4.
12.Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
13.Artikel 1, aanhef en onder c, juncto artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
14.Reisgegevens gebaseerd op de gegevens opgenomen in het register beëdigde tolken en vertalers.
15.€ 3.108 vermeerderd met € 127.
16.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de Awr.