ECLI:NL:RBZWB:2025:8383

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 september 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
C/02/438455 FA RK 25-4029
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Struijs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 RvArt. 824 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging voorlopige voorzieningen kinderalimentatie en zorgregeling na inkomenswijziging

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 25 september 2025 een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen inzake kinderalimentatie en zorgregeling tussen de man en vrouw, ouders van drie minderjarige kinderen.

De man verzocht om een zorgregeling waarbij de kinderen in wisselende weken bij hem verblijven en om verlaging van de kinderalimentatie naar €182 per maand per kind. De vrouw stelde een zorgregeling voor met een dagdeel per weekend bij de man en een hogere alimentatie van €253 per maand per kind. De rechtbank stelde vast dat de kinderen voorlopig op woensdag na school en zaterdag bij de man verblijven.

De rechtbank oordeelde dat door het gewijzigde inkomen van de vrouw, die sinds juni 2025 werkt, de draagkracht en daarmee de alimentatie moest worden aangepast. Na berekening werd de alimentatie vastgesteld op €235 per maand per kind met ingang van 1 juni 2025. Het verzoek van de vrouw tot vergoeding van proceskosten werd afgewezen omdat het gebruikelijk is deze kosten tussen ex-partners te compenseren.

De beschikking is openbaar uitgesproken door rechter Struijs.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de kinderalimentatie naar €235 per maand per kind met ingang van 1 juni 2025 en stelt een voorlopige zorgregeling vast met contactmomenten op woensdag en zaterdag.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/438466 FA RK 25-4029
datum uitspraak: 25 september 2025
beschikking betreffende (wijziging van) voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. T. Janssen.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 1 augustus 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlage;
- het op 5 september 2025 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;
- het op 9 september 2025 ontvangen verweerschrift op de zelfstandige verzoeken;
- de brief van mr. Schoenmakers van 5 september 2025, tevens houdende wijziging van het verzoek, met bijlagen;
- de beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 2 juni 2025.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 11 september 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. De advocaat van de man was aanwezig middels een videoverbinding via Teams.
1.3. Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.Zij hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en hebben, naast het sturen van een brief naar de kinderrechter, een kindgesprek met de kinderrechter gehad.

2.De verzoeken

2.1.
De man verzoekt:
- wijziging van de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling), in die zin dat de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2019 te [geboorteplaats] , bij de man verblijven in de even weken van woensdag 8:30 uur tot en met vrijdag 19:00 uur en in de oneven weken van vrijdag 8:30 uur tot en met maandag 19:00 uur, alsmede in de herfstvakantie 2025 van 16 oktober tot en met 19 oktober en in de kerstvakantie 2025 van 20 december tot en met 26 december;
- de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van de minderjarigen nader vast te stellen op € 182,= per maand per kind met ingang van 1 juni 2025.
2.2.
De vrouw verzoekt:
- vaststelling van een zorgregeling waarbij de kinderen een dagdeel per weekend bij de man zijn, waarbij de vrouw de kinderen bij de man brengt en de man de kinderen bij de vrouw terugbrengt en dat het verdere uitbreiden van de zorgregeling plaatsvindt onder regie van het UHA-traject;
- de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van de minderjarigen nader vast te stellen op € 253,= per maand per kind, met ingang van de datum van deze beschikking;
-
primair:de man te veroordelen in de werkelijke proceskosten van de vrouw te weten het griffierecht en de kosten van de advocaat van de vrouw van € 3.500,=, en de nakosten, te voldoen binnen twee werkdagen na betekening van deze beschikking, te vermeerderen met de werkelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van volledige betaling;
subsidiair:de man te veroordelen in de proceskosten volgens het liquidatietarief te voldoen binnen twee werkdagen na dagtekening van deze beschikking, te vermeerderen met de werkelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van volledige betaling.

3.De beoordeling

3.1.
Bij voormelde beschikking is, voor zover hier van belang, bepaald:
- dat de minderjarigen worden toevertrouwd aan de vrouw;
- dat partijen en de minderjarigen zullen worden doorverwezen naar een (jeugd)hulptraject via het Uniform Hulp Aanbod (UHA);
- dat de man ten behoeve van de minderjarigen aan de vrouw een bedrag moet voldoen van € 458,= per maand per kind met ingang van 1 mei 2025.
Ook volgt uit deze beschikking dat partijen afspraken hebben gemaakt over (de start van) de contactmomenten en dat zij zich zullen wenden tot mevrouw [naam] om in overleg te gaan over het vervolg op die contactmomenten en om te bezien of, en zo ja, op welke wijze onder haar begeleiding de contacten tussen de man en de kinderen verder vormgegeven kunnen worden.
De zorgregeling
3.2.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde op de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen na de vorige mondelinge behandeling in mei van dit jaar zich hebben gewend tot [naam]. Zij hebben daar enkele gesprekken gevoerd en afspraken gemaakt over de contactmomenten tussen de man en de kinderen. Dit liep geruime tijd goed. Er is tevens een concept ouderschapsplan opgesteld. Dit traject is echter, voordat een definitief ouderschapsplan kon worden opgesteld, tot een einde gekomen. Ook de contacten tussen de man en de kinderen zijn gestopt; de man heeft de kinderen sinds 27 augustus 2025 niet meer gezien.
3.3.
Op de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken dat zij opnieuw contact zullen zoeken met [naam] om het ingezette traject voort te zetten. Daarnaast blijven partijen op de wachtlijst voor het hulpverleningstraject via het UHA. Mochten partijen bij [naam] tot volledige overeenstemming komen voor wat betreft een ouderschapsplan en een zorgregeling, dan zal het UHA-traject worden stopgezet.
Voorts hebben partijen afgesproken dat voorlopig, totdat zij andere afspraken hebben gemaakt of de rechtbank anders heeft beslist, de kinderen bij de man verblijven iedere woensdag uit school tot 19:30 uur en iedere zaterdag van 10:00 uur tot 19:30 uur, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt en weer naar haar terugbrengt. Deze regeling gaat in per 13 september 2025.
3.4.
Nu partijen afspraken hebben gemaakt over een voorlopige zorgregeling en niet is gebleken dat deze regeling niet in het belang is van de kinderen, zal de rechtbank die overeengekomen zorgregeling vaststellen.
Kinderalimentatie
3.5.
De man legt aan zijn verzoek tot wijziging van de voorlopige kinderbijdrage ten grondslag dat sinds voormelde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de daarbij gegeven voorziening niet in stand kan blijven. De vrouw verrichtte eerder geen arbeid en ontving geen toeslagen. Inmiddels werkt de vrouw en geniet zij toeslagen. Dit heeft invloed op haar draagkracht.
3.6.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Het is juist dat zij sinds 1 juni 2025 inkomen uit loondienst geniet en dat er aanleiding is de voorlopige kinderbijdrage te wijzen. Zij is het echter niet eens met het door de man becijferde bedrag.
3.7.
De rechtbank stelt voorop dat tegen een op grond van artikel 822 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gegeven beschikking geen hogere voorziening, behalve cassatie in het belang der wet, openstaat. Op grond van het bepaalde in artikel 824 lid 2 Rv Pro kan een op basis van artikel 822 Rv Pro gegeven beschikking slechts worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. Volgens genoemd artikel rechtvaardigt niet iedere wijziging van omstandigheden of onjuistheid, dan wel onvolledigheid een wijziging van de beschikking voorlopige voorzieningen, maar kan daarvan slechts sprake zijn in evidente, zeer sprekende gevallen.
3.8.
In dit verband staat vast dat het gewijzigde inkomen van de vrouw leidt tot een andere draagkracht aan haar zijde. Dit betekent dat de gegeven voorziening voor wijziging vatbaar is en een onderzoek naar de behoefte van de kinderen aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk is. Daarna zal blijken of deze wijziging moet leiden tot een wijziging van de gegeven voorziening.
3.9.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Behoefte van de kinderen
3.10.
Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de kinderen € 575,= per maand per kind bedraagt.
Draagkracht van de man
3.11.
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de kinderen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
3.12.
Tussen partijen staat vast dat het NBI van de man € 5.117,= per maand en zijn draagkracht volgens de formule € 1.590,= per maand bedraagt.
Draagkracht van de vrouw
3.13.
Voor de becijfering van de draagkracht van de vrouw zijn partijen het erover eens dat moet worden uitgegaan van een bruto arbeidsinkomen ter hoogte van € 4.000,= per vier weken, oftewel € 52.000,= per jaar, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en een individueel keuzebudget van € 288,= per vier weken, oftewel € 3.744,= per jaar. Verder zijn zij het erover eens dat rekening moet worden gehouden met de bruto pensioenpremies van € 316,= en € 4,= per vier weken, oftewel € 4.160,= per jaar, en een netto premie werknemerspremie van € 19,= per vier weken, oftewel € 247,= per jaar.
3.14.
Tussen hen is in geschil van welk bedrag aan kindgebonden budget moet worden uitgegaan. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van € 6.094,= per jaar, zoals blijkt uit de door haar overgelegde brief van de Belastingdienst (productie 18 van de vrouw). De man stelt zich op het standpunt dat moet worden gerekend met het bedrag dat uit het rekenprogramma volgt.
3.15.
De rechtbank overweegt dat de door de vrouw overgelegde brief van de Belastingdienst, waarin een bedrag van € 6.094,= wordt genoemd, ziet op het totaal aan kindgebonden budget waar de vrouw in het kalenderjaar 2025 recht op heeft op grond van de verschillende inkomenssituaties waarvan in dat jaar sprake is. Dit totaalbedrag zegt echter niets over de hoogte van het kindgebonden budget dat past bij haar huidige inkomen en op grond waarvan haar draagkracht wordt berekend. Daarom neemt de rechtbank als uitgangspunt een bedrag aan kindgebonden budget, en daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop, dat volgens het rekenprogramma van de rechtbank hoort bij voormelde inkomensgegevens, te weten € 8.981,= per jaar, of € 748,= per maand.
3.16.
Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 4.443,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 1.260,= per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.17.
De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 1.590 / € 2.850 x € 575 = € 321,=
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 1.260 / € 2.850 x € 575 = € 254,=
Zorgkorting
3.18.
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 15%. Nu de behoefte van de kinderen € 575,= per maand per kind bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 86,= per maand.
3.19.
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 235,= per maand per kind.
Ingangsdatum
3.20.
Tussen partijen is in geschil op welke datum de wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage dient in te gaan. Volgens de man dient deze in te gaan op 1 juni 2025, op die datum is de vrouw een nieuw dienstverband aangegaan en had zij kunnen verwachten dat dit zou leiden tot wijziging van de kinderbijdrage. Volgens de vrouw dient de wijziging primair in te gaan op de datum van deze beschikking en subsidiair op de datum van indiening van het verzoekschrift. Pas vanaf die datum had zij rekening kunnen houden met een wijziging, want op dat moment beschikte zij ook pas over heer eerste salarisspecificatie. Tevens zijn de door de man betaalde bijdragen al besteed aan de kinderen.
3.21.
De rechtbank zal de wijziging van de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage laten ingaan op 1 juni 2025. Vanaf die datum had de vrouw namelijk een hoger inkomen en, mede gelet op de eerdere procedure betreffende voorlopige voorzieningen kort voor die inkomenswijziging, had zij vanaf dat moment al rekening kunnen houden met wijziging van de vastgestelde voorlopige kinderbijdrage.
Conclusie kinderalimentatie
3.22.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. De rechtbank zal de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 juni 2025 wijzigen in € 235,= per maand per kind.
Aanhechten van een berekening
3.23.
De rechtbank heeft een berekening van de draagkracht van de vrouw gemaakt. Een exemplaar van deze berekening is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.
Proceskosten
3.24.
De vrouw legt aan haar verzoek met betrekking tot de proceskostenveroordeling het volgende ten grondslag. Ondanks het uitgangspunt dat de proceskosten in zaken tussen ex-echtgenoten worden gecompenseerd, dient de man te worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten. De vrouw is door de man onnodig in een procedure betrokken, terwijl zij nog in gesprek waren bij [naam] en hebben ingestemd met hulp via het Centrum voor Jeugd en Gezin. Door deze handelswijze is de vrouw op aanzienlijke kosten gejaagd. Het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid de proceskosten te compenseren. Gelet op de evidente ongegrondheid van het verzoek ten aanzien van de voorlopige zorgregeling, had de man het indienen van zijn verzoek achterwege moeten laten. De man heeft misbruik van procesrecht gemaakt en onrechtmatig gehandeld jegens de vrouw door haar in rechte te betrekken.
3.25.
De man heeft op de mondelinge behandeling verweer gevoerd. Volgens hem moet dit verzoek worden afgewezen. Er is geen sprake van klachtwaardig en onbehoorlijk handelen van de zijde van de man en zijn advocaat. Namens de man is informatie opgevraagd bij de vrouw over haar gewijzigde inkomen, en vervolgens kwamen partijen niet uit over de wijziging van de kinderbijdrage.
3.26.
De voorzieningenrechter overweegt dat het gebruikelijk is om bij juridische geschillen tussen ex-partners de proceskosten te compenseren, omdat een zaak als deze met vele persoonlijke en interrelationele moeilijkheden gepaard gaat. De rechtbank ziet in hetgeen door de vrouw is aangevoerd geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Gelet op het voorgaande zal dit verzoek van de vrouw worden afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de man en de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats],
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats],
3. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2019 te [geboorteplaats],
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig, totdat partijen andere afspraken hebben gemaakt of de rechtbank anders heeft beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere woensdag uit school tot 19:30 uur en iedere zaterdag van 10:00 uur tot 19:30 uur, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt en weer naar haar terugbrengt;
4.2.
wijzigt voormelde beschikking van 2 juni 2025 en bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen met ingang van 1 juni 2025 wordt vastgesteld op € 235,= (tweehonderdvijfendertig euro) per maand per kind, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
4.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Struijs, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 september 2025.